het elektrisch of thermisch rendement betrokken op de onderste verbrandingswaarde van aardgas;
c.
dekkingsgraad:
het percentage van de warmtevraag per jaar dat binnen een systeem wordt geleverd uit wkk of restwarmtebron;
d.
warmtelevering:
transport en distributie van warmte;
e.
distributieverlies:
warmteverlies in het warmtetransport- en distributienet;
f.
lage-temperatuur warmtedistributie:
warmtedistributie met een maximale leveringstemperatuur aan gebouwen van 70 graden Celsius en een retourtemperatuur van het gebouw van maximaal 40 graden Celsius;
g.
collectief verwarmde flat:
woongebouw met een gemeenschappelijke verwarmingsinstallatie.
§
2
Rekenregels
Artikel
2
1
De maximale kosteneffectiviteit, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit wordt vastgesteld op € 9 per vermeden ton CO2 of CO2-equivalent.
2
Voor de bepaling van de kosteneffectiviteit wordt gerekend met:
a.
een door de aanvrager aannemelijk gemaakte technische levensduur van de voorziening van ten hoogste 25 jaar;
b.
een annuïteit met een rente van 6%.
Artikel
3
De minimale vermindering van de uitstoot van een broeikasgas, bedoeld in artikel 1, onder f, van het besluit bedraagt 1 kiloton CO2 of CO2-equivalent per jaar.
Artikel
4
De vermindering van de uitstoot van een broeikasgas voor CO2-reductieprojecten, inhoudende:
a.
het gebruik van restwarmte middels een aan te leggen infrastructuur wordt berekend overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 12 van deze regeling;
b.
CO2-levering middels een aan te leggen infrastructuur wordt berekend overeenkomstig de artikelen 8, 12 en 13 van deze regeling;
c.
energiebesparing wordt berekend overeenkomstig artikel 12 van deze regeling;
d.
de vervanging van fossiele energiebronnen door hernieuwbare energiebronnen wordt berekend overeenkomstig artikel 12 van deze regeling;
e.
directe emissiereductie wordt berekend overeenkomstig de Global Warming Potential-factoren, zoals opgenomen in bijlage 1 bij het besluit.
Artikel
5
Bij warmte- en CO2-levering wordt uitgegaan van het volgende:
a.
de warmtelevering vervangt individuele warmteproductie met gas als brandstof;
b.
in alle gevallen is een aparte verwarmingsketel aanwezig voor dekking van de piekvraag en als hulpwarmtebron, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande verwarmingsketel gehandhaafd blijft, of een decentrale hulpwarmteketel wordt opgenomen met dezelfde prestaties als een individuele ketel;
c.
in de woning- en utiliteitsbouw wordt voorzien in ruimteverwarming en warmtetapwater, met dien verstande dat in de bestaande bouw in ieder geval voorzien wordt in ruimteverwarming en optioneel in warmtetapwater;
d.
in de glastuinbouw worden situaties met en zonder CO2-levering onderscheiden;
e.
indien in combinatie met warmtelevering ook andere maatregelen worden getroffen worden deze onderdelen apart gewaardeerd.
Artikel
6
Bij het bepalen van de vermindering van de uitstoot van een broeikasgas wordt uitgegaan van:
a.
een standaard gasverbruik per jaar overeenkomstig artikel 7;
een gasbesparing door CO2-levering aan de glastuinbouw overeenkomstig artikel 13.
Artikel
7
Als standaard gasverbruik per jaar bij warmtelevering geldende de volgende waarden, indien het betreft:
a.
woningen gebouwd na 2000:
1000 m3 per woning;
b.
woningen gebouwd tussen 1998 en 2000:
1200 m3 per woning;
c.
ruimteverwarming in bestaande eengezinswoningen:
1850 m3 per woning;
d.
ruimteverwarming in bestaande meergezinswoningen:
1300 m3 per woning;
e.
tapwaterverwarming in bestaande woningen:
445 m3 per woning;
f.
utiliteitsbouw in combinatie met woningbouw:
12 m3 per m2 bvo, met dien verstande dat voor projecten die hoofdzakelijk bestaan uit warmtelevering aan utiliteitsbouw uitgegaan kan worden van het werkelijke verbruik van de aan te sluiten bestaande gebouwen of de berekende verbruiken van nieuwe utiliteitsgebouwen volgens de energieprestatienorm;
g.
glastuinbouw: kasoppervlak.
42 m3 per m2
Artikel
8
Als dekkingsgraad bij warmtelevering gelden de volgende waarden, voor zover het betreft:
a.
woningbouw:
80%, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 90% indien het systeem een warmtebuffer heeft;
b.
utiliteitsbouw:
85%;
c.
glastuinbouw
70%, met dien verstande dat wordt uitgegaan van:
1º.
75% indien een warmtebuffer aanwezig is,
2º.
80% indien warmtelevering en CO2-levering plaatsvindt,
3º.
85% indien CO2- en warmtelevering plaatsvindt en een warmtebuffer aanwezig is.
Artikel
9
Voor gasketels wordt:
a.
bij warmteproductie uitgegaan van 100% als rendement op de onderwaarde bij een onderste verbrandingswaarde van aardgas van 31,65 MJ/m3;
b.
bij stoomproductie uitgegaan van 90% als rendement op de onderwaarde.
Artikel
10
Als pompenergie bij warmtelevering gelden de volgende waarden:
a.
1 kWh/GJ voor het transportnet;
b.
2 kWh/GJ voor het primaire en secundaire distributienet.
Artikel
11
Voor het distributieverlies bij warmtelevering wordt uitgegaan van de volgende waarden, indien sprake is van:
a.
lage-temperatuur warmtedistributie:
15%;
b.
warmtelevering aan collectief verwarmde flats van meer dan 50% op basis van energie-inhoud:
10%;
c.
warmtelevering aan glastuinbouw en industrie:
5%;
d.
in alle andere gevallen:
20%.
Artikel
12
Als CO2-emissiefactoren voor energiegebruik gelden de volgende waarden uitgedrukt in kilogram CO2 per eenheid, indien sprake is van:
a.
aardgas:
1,8 per m3;
b.
hbo:
3,1 per kilogram;
c.
zware stookolie:
3,2 per kilogram;
d.
benzine:
2,4 per liter;
e.
diesel:
2,6 per liter;
f.
lpg:
1,6 per liter;
g.
steenkool:
2,5 per kilogram;
h.
elektriciteit:
0,37 per kWh.
Artikel
13
Voor de berekening van de gasbesparing door CO2-levering aan de glastuinbouw wordt uitgegaan van 7 m3 aardgas per m2 kasoppervlak. Bij de berekening wordt rekening gehouden met het energieverbruik voor CO2opwerking of CO2-transport.
§
3
Belastingverminderingen
Artikel
14
Als belastingvermindering, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van het besluit worden aangewezen:
Bepalingen betreffende de aanvraag en het subsidieplafond
Artikel
15
Als periode als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het besluit geldt de periode 17 september 2001 tot en met 14 februari 2002.
Artikel
16
Het in artikel 7 van het besluit bedoelde subsidieplafond bedraagt voor aanvragen ontvangen in de in artikel 15 bedoelde periode: € 68.067.032,41.
Artikel
17
1
Het formulier, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het besluit wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 1.
2
Het formulier, bedoeld in artikel 14, derde lid, van het besluit wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2.
3
Het formulier, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van het besluit wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 3.
4
Het formulier, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het besluit wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 4.
§
5
Overgangsbepaling
Artikel
18
Wijzigt deze regeling.
§
6
Slotbepalingen
Artikel
19
De Uitvoeringsregeling subsidies CO2-reductieplan wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor 14 oktober 2000 en subsidies die zijn verleend voor de inwerkingtreding van deze regeling.
Artikel
20
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Artikel
21
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling subsidies CO2-reductieplan 2001.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd. Van deze terinzagelegging zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.
's-Gravenhage
De Minister van Economische Zaken, A.Jorritsma-Lebbink