Gelet op
– de bevoegdheid van de directeur Bestuurszaken tot het tekenen van beschikkingen, strekkende tot het beschikbaar stellen dan wel het verhogen van een garantstelling, alsmede daartoe opgestelde bankgaranties;
– de uitvoering van bovengenoemde bevoegdheid, ten aanzien van de garantstellingsregeling faillissementscuratoren.
Overwegende dat op grond van het gestelde in artikel 138, tiende lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een curator in het faillissement van een rechtspersoon aan de minister van Justitie kan verzoeken hem bij wijze van voorschot de benodigde middelen te verschaffen voor:
– het instellen van een rechtsvordering op grond van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van de voormalig bestuurder/beleidsbepaler, als bedoeld in artikel 2:9 of 2:138/ 248 BW;
– het instellen van een voorafgaand onderzoek naar de mogelijkheden daartoe.
Overwegende dat het besluit Garantstellingsregeling Faillissementscuratoren, dat op 26 april 1993 in werking is getreden, nadere regels geeft voor de beoordeling van de gegrondheid van verzoeken en de grenzen waarbinnen verzoeken kunnen worden toegewezen. Overwegende dat sinds 1 januari 1998 de uitvoering van de garantstellingsregeling onder verantwoordelijkheid van het hoofd van de Afdeling Integriteit Bedrijfsleven (AIB) bij de directie Bestuurszaken geschiedt.