Regeling van de Centrale Raad van Beroep van 22 oktober 2001, houdende richtlijnen voor de behandeling van beroepszaken in eerste aanleg en in hoger beroep door enkelvoudige en meervoudige kamers als bedoeld in artikel 17 en volgende van de Beroepswet (Procesregeling Centrale Raad van Beroep). Het wettelijk kader voor de behandeling van (hoger) beroepszaken bij de Raad is in hoofdzaak vervat in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en deels in de Beroepswet (Bw).
Procesregeling Centrale Raad van Beroep
I
Voorfase
Eerste aanleg
Hoger beroep
Artikel
2
Ontvangstbevestiging/kennisgeving
1
Binnen twee weken nadat het beroepschrift bij de Raad is ingekomen, wordt een ontvangstbevestiging gezonden aan de indiener van het beroepschrift.
Eerste aanleg
Artikel
3
Uitnodiging griffierecht
1
Binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift wordt de indiener door middel van toezending per gewone post van een acceptgirokaart uitgenodigd het verschuldigde griffierecht per omgaande te doen bijschrijven op de rekening van de Raad.
2
Indien het verschuldigde griffierecht niet binnen twee weken na de datum van verzending van de uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald, wordt de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na verzending te voldoen.
In die uitnodiging wordt vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien het verschuldigde griffierecht niet binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald.
3
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van een beroepschrift dat is ingediend door een gemachtigde die bij de Centrale Raad van Beroep een rekening-courant aanhoudt ten laste waarvan het verschuldigde griffierecht kan worden gebracht.
4
In afwijking van het tweede lid wordt de in het buitenland woonachtige belanghebbende, van wie het verschuldigde griffierecht niet binnen een termijn van vier weken na de datum van verzending van de uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald, bij aangetekende brief uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na verzending te voldoen. In die uitnodiging wordt vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien het griffierecht niet binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald.
Hoger beroep
Artikel
4
Uitnodiging griffierecht
1
Binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift wordt de indiener, niet zijnde een bestuursorgaan, door middel van toezending per gewone post van een acceptgirokaart uitgenodigd het verschuldigde griffierecht per omgaande te doen bijschrijven op de rekening van de Raad.
2
Indien het verschuldigde griffierecht niet binnen twee weken na de datum van verzending van de uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald, wordt de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief uitgenodigd het verschuldigde griffierecht alsnog binnen een termijn van vier weken na verzending te voldoen. In die uitnodiging wordt vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien het verschuldigde griffierecht niet binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald.
3
Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van een beroepschrift dat is ingediend door een gemachtigde die bij de Centrale Raad van Beroep een rekening-courant aanhoudt ten laste waarvan het verschuldigde griffierecht kan worden gebracht.
4
In afwijking van het tweede lid wordt de in het buitenland woonachtige belanghebbende, van wie het verschuldigde griffierecht niet binnen een termijn van vier weken na de datum van verzending van de uitnodiging is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald, uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na verzending te voldoen. In die uitnodiging wordt vermeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien het griffierecht niet binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is betaald.
5
Indien het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, hoger beroep heeft ingesteld en de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort binnen twee weken na de datum van verzending van de uitspraak van de Raad uitgenodigd het verschuldigde griffierecht binnen een termijn van vier weken na de datum van verzending van de uitnodiging te voldoen.
Eerste aanleg en hoger beroep
Artikel
5
Herstel vormverzuim
1
Indien het beroepschrift niet voldoet aan de vereisten als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onder a, c en d, van de Awb, wordt de indiener van het beroepschrift binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift per gewone post uitgenodigd het geconstateerde vormverzuim te herstellen binnen vier weken na de dag van verzending van die uitnodiging.
2
Indien de indiener van het beroepschrift niet binnen de gestelde termijn van vier weken het geconstateerde verzuim heeft hersteld, wordt de indiener alsnog bij aangetekende brief een termijn van twee weken na verzending gegeven om dit vormverzuim te herstellen. In deze uitnodiging wordt vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien het geconstateerde verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld.
Eerste aanleg en hoger beroep
Artikel
6
Overleggen machtiging
1
Indien een machtiging wordt verlangd als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb, wordt de indiener van het beroepschrift binnen twee weken na de ontvangst van het beroepschrift per gewone post uitgenodigd de verlangde machtiging binnen vier weken na de dag van verzending van die uitnodiging in te zenden.
2
Indien de indiener van het beroepschrift niet binnen de gestelde termijn van vier weken de verlangde machtiging als bedoeld in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb heeft ingezonden, wordt hij bij aangetekende brief uitgenodigd dit vormverzuim binnen twee weken na verzending te herstellen. In deze brief wordt een waarschuwing gegeven dat niet of niet-tijdige inzending van de verlangde machtiging ertoe kan leiden dat het beroep op naam van de beweerdelijk gemachtigde wordt gesteld en dat het (hoger) beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
II
Toezending van stukken
Eerste aanleg
Artikel
7
Toezending van stukken
1
Binnen twee weken nadat voorlopig is geconstateerd dat het beroepschrift voldoet aan de in de wet gestelde vereisten, wordt een afschrift van het beroepschrift aan het bestuursorgaan toegezonden met het verzoek binnen vier weken de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden alsmede binnen diezelfde termijn een verweerschrift in te dienen.
2
Indien het bestuursorgaan de in het eerste lid neergelegde verplichtingen niet nakomt, wordt aan het bestuursorgaan een laatste termijn van twee weken gegeven om alsnog zijn verplichtingen na te komen.
3
Komt het bestuursorgaan de verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden niet na dan kan de Raad het bestuursorgaan oproepen om in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord. Indien de oproeping van het bestuursorgaan niet leidt tot het indienen van de op de zaak betrekking hebbende stukken, kan de Raad toepassing geven aan artikel 8:31 van de Awb.
Hoger beroep
Artikel
8
Toezenden van stukken
1
Binnen twee weken nadat voorlopig is geconstateerd dat het beroepschrift voldoet aan de in de wet gestelde vereisten, wordt een afschrift van het beroepschrift aan gedaagde toegezonden met het verzoek binnen vier weken een verweerschrift in te dienen.
2
Indien het bestuursorgaan niet de verplichting nakomt om een verweerschrift in te dienen, wordt aan het bestuursorgaan een laatste termijn van twee weken gegeven om alsnog zijn verplichting na te komen.
3
Een belanghebbende als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb die als partij deelneemt aan de procedure, wordt op grond van artikel 8:43, tweede lid, van de Awb in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de uitnodiging daartoe een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven.
4
Binnen twee weken nadat voorlopig is geconstateerd dat het beroepschrift voldoet aan de in de wet gestelde vereisten, wordt de griffier van de rechtbank verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken binnen één week na ontvangst van de mededeling aan de Raad te zenden.
5
Van het verweerschrift (en eventueel van de schriftelijke uiteenzetting) wordt binnen twee weken na ontvangst een afschrift daarvan aan de andere partij(en) gezonden. Na ontvangst van de in het vierde lid bedoelde stukken wordt binnen twee weken een afschrift van het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank gezonden aan partijen.
Eerste aanleg en hoger beroep
Artikel
9
Later inzenden van stukken
1
Van de door een partij in de loop van de procedure ingezonden stukken wordt binnen twee weken na ontvangst aan de andere partij(en) een afschrift gezonden.
III
Versnelde behandeling
IV
Voortgang van de procedure
Eerste aanleg en hoger beroep
Artikel
11
Bericht van behandeling
Na doorzending van het verweerschrift, dan wel indien de gedingstukken later zijn binnengekomen nadien, neemt de Raad binnen acht weken een beslissing over de wijze waarop het (hoger) beroep verder zal worden behandeld. Van deze beslissing wordt binnen twee weken aan partijen mededeling gedaan.
V
Vooronderzoek
Eerste aanleg en hoger beroep
Artikel
12
Repliek en dupliek
Indien de Raad het wenselijk acht dat de indiener van het beroepschrift een reactie op het verweerschrift geeft, wordt de indiener in de gelegenheid gesteld binnen een termijn van vier weken na de uitnodiging daartoe van repliek te dienen. De andere partij(en) wordt daarna in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na de uitnodiging daartoe van dupliek te dienen.
Artikel
13
Comparitie van partijen
De oproeping om in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde te verschijnen om te worden gehoord, wordt ten minste vier weken tevoren aan de opgeroepen partij verzonden. Aan de andere partij(en) wordt terzelfder tijd een afschrift van deze oproeping gezonden met de mededeling dat het horen kan worden bijgewoond en een uiteenzetting over de zaak kan worden gegeven.
Artikel
14
Schriftelijke inlichtingen
Indien de Raad het noodzakelijk acht schriftelijke inlichtingen in te winnen en/of stukken op te vragen bij partijen en anderen, wordt een termijn van vier weken gesteld om aan het verzoek te voldoen.
Artikel
15
Horen van getuigen
1
Indien de Raad getuigen oproept deelt hij de namen en woonplaatsen van deze getuigen, de plaats, de dag en het tijdstip waarop zij worden gehoord en de feiten waarop het horen betrekking heeft ten minste vier weken tevoren aan partijen mee.
V
Vooronderzoek
Eerste aanleg en hoger beroep
Artikel
16
Deskundigenonderzoek (ambtshalve)
1
Indien de Raad het voornemen heeft gebruik te maken van de bevoegdheid ingevolge artikel 8:47 van de Awb om een deskundige te benoemen deelt hij dat aan partijen mee onder toezending van de vraagstelling. De Raad kan partijen voorafgaande aan de benoeming van een deskundige de mogelijkheid bieden binnen een termijn van twee weken te reageren op de vraagstelling.
3
De Raad stelt de deskundige een termijn van maximaal drie maanden binnen welke deze een verslag van het onderzoek dient uit te brengen. Indien de deskundige niet binnen deze termijn een verslag van het onderzoek uitbrengt, zal de Raad al dan niet op verzoek een nadere termijn stellen van vier weken.
In zeer uitzonderlijke omstandigheden kan nog een nadere termijn van vier weken worden gegeven.
4
De Raad verzendt binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de deskundige een afschrift daarvan aan partijen, behoudens toepassing van de bepalingen inzake geheimhouding en beperkte kennisneming.
5
Partijen kunnen hun zienswijze met betrekking tot dit verslag binnen vier weken aan de Raad kenbaar maken. De Raad kan deze termijn naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van een der partijen eenmaal met twee weken verlengen. De Raad kan de ingekomen reacties binnen twee weken na ontvangst van die reacties voor commentaar voorleggen aan de deskundige. De deskundige wordt daarbij een termijn van vier weken gegeven om zijn commentaar in te dienen.
Artikel
17
Deskundigenonderzoek (op verzoek van partijen)
1
Partijen kunnen schriftelijk aan de Raad verzoeken om een deskundige te benoemen. Op dit verzoek wordt binnen twee weken na ontvangst een beslissing genomen. Deze beslissing wordt vervolgens binnen twee weken aan partijen medegedeeld.
Artikel
18
Onderzoek ter plaatse
Indien de Raad een onderzoek ter plaatse nodig acht, wordt van plaats en tijdstip van het onderzoek ten minste twee weken van tevoren aan partijen mededeling gedaan. Partijen worden daarbij in de gelegenheid gesteld bij dat onderzoek aanwezig te zijn.
VI
Zitting en uitspraak
Eerste aanleg en hoger beroep
Artikel
19
Verzet na vereenvoudigde afdoening
1
Het verzet wordt behandeld ter zitting. De uitnodiging voor de behandeling van het verzet ter zitting wordt in beginsel zes weken voor de datum van de zitting aan partijen verzonden. De behandeling van het verzet ter zitting vindt plaats binnen drie maanden nadat het verzet is ingesteld, tenzij partijen wordt bericht dat nader onderzoek vereist is.
Artikel
20
Onderzoek ter zitting
1
In beginsel zes weken voor de datum van de zitting wordt de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 van de Awb of de oproeping als bedoeld in artikel 8:59 van de Awb per aangetekende brief verzonden. In de uitnodiging is de naam respectievelijk zijn de namen van de (behandelend) rechter(s) vermeld.
2
Een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting dient zo spoedig mogelijk na ontvangst van de uitnodiging te worden ingediend. Dit verzoek moet schriftelijk worden ingediend en voorzien zijn van een motivering. Een verzoek om uitstel dat binnen een termijn van drie weken voor de zitting is ontvangen wordt afgewezen, tenzij sprake is van een overmachtsituatie.
Artikel
21
Uitspraken en heropening onderzoek
1
Indien de noodzaak bestaat de termijn waarbinnen uitspraak wordt gedaan te verlengen, wordt daarover binnen de termijn van zes weken na de zitting beslist en wordt daarvan binnen twee weken na die beslissing mededeling gedaan aan partijen.
VII
Algemene bepalingen en slotbepalingen
Eerste aanleg en hoger beroep
Artikel
22
Uitstelbeleid
1
Een verzoek om verlenging van een door of vanwege de Raad gestelde termijn moet schriftelijk worden ingediend en van een motivering worden voorzien.
2
Afgewezen worden in ieder geval niet gemotiveerde verzoeken en verzoeken die na het verstrijken van de oorspronkelijke termijn zijn ingekomen.
3
Een tweede verzoek om uitstel ten aanzien van dezelfde aangelegenheid wordt in beginsel niet gehonoreerd.
4
Op het verzoek om uitstel wordt binnen twee weken na ontvangst daarvan beslist. De beslissing wordt binnen twee weken aan de verzoeker en de andere partijen meegedeeld.
5
Bij de mededeling bedoeld in het vierde lid kan aan de verzoeker een laatste termijn van twee weken worden gegeven om alsnog aan het gevraagde te voldoen. Geen laatste termijn wordt gegeven indien:
-
a.
de afwijzing berust op een grond als bedoeld in het tweede lid;
-
b.
de wet of deze regeling de verzochte verlenging niet toestaat; of
-
c.
bij het stellen van de oorspronkelijke termijn reeds is medegedeeld dat verlenging niet zal worden toegestaan.
Artikel
23
Afwijkingsbevoegdheid
Van de artikelen van deze procesregeling kan de Raad in een bepaald geval op grond van bijzondere omstandigheden afwijken.
Artikel
24
Overgangs- en slotbepalingen
2
De tekst van deze procesregeling wordt in de Staatscourant gepubliceerd en op internet onder www.rechtspraak.nl geplaatst. Op aanvraag van partijen en anderen dan partijen kan de Raad een afschrift van deze procesregeling verstrekken.
Deze procesregeling is vastgesteld in de Algemene Vergadering van de Centrale Raad van Beroep van 22 oktober 2001.