Regeling van 12 november 2001 houdende regels inzake borden op landingsterreinen en op platformen van luchtvaartterreinen

Bordenregeling

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

Deze regeling is van toepassing op borden op landingsterreinen en platformen van luchtvaartterreinen.

Artikel

2

Begripsbepalingen

Artikel

3

Algemeen

Artikel

4

Constructie

Artikel

5

Kleuren

Artikel

6

Benaming rijbanen

Artikel

7

Lichttechnische eigenschappen

Artikel

8

Elektrische schakeling

Gebodsborden zijn steeds verlicht wanneer de baanlichten van de bijbehorende baan zijn ingeschakeld.

Artikel

9

Borden met variabele opschriften

Hoofdstuk

II

Gebodsborden

Artikel

10

Algemeen

Artikel

11

Baanaanduidingsbord (runway designation sign)

Artikel

12

CAT I, II of III wachtpositiebord (CAT I, II or III holding-position sign)

Artikel

13

Baanwachtpositiebord (runway holding position sign)

Artikel

14

Geslotenverklaringsbord (NO ENTRY sign)

Artikel

15

Wachtpositiebord voor het wegverkeer (road-holding position sign)

Hoofdstuk

III

Informatieborden

Artikel

16

Algemeen

Artikel

17

Baanafritbord (runway exit sign)

Artikel

18

Baanklaringsbord (runway vacated sign)

Artikel

19

Intersectie startbord (intersection take-off sign)

Artikel

20

Bestemmingsbord (destination sign)

Artikel

21

Richtingbord (direction sign)

Artikel

22

Artikel

23

Locatiebord (location sign)

Artikel

24

Aanduidingsborden voor vliegtuigopstelplaatsen (aircraft stand identification signs)

Hoofdstuk

IV

Gebods- en informatiemarkeringen

Artikel

25

Gebodsmarkering

Artikel

26

Informatiemarkering

Hoofdstuk

V

Slotbepalingen

Artikel

27

Indien plaatselijke omstandigheden een aanpassing van de plaatsing van de borden als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, artikel 16, derde lid, of artikel 17, tweede lid, nodig of wenselijk maken, kan door Onze Minister ontheffing worden verleend van het bij deze artikelen bepaalde. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Onze Minister kan de ontheffing wijzigen of intrekken.

Artikel

28

De borden op het landingsterrein en de platformen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling zijn geplaatst en niet voldoen aan het bij deze regeling bepaalde, worden voor 1 juli 2002 vervangen.

Artikel

29

Een overtreding van de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, of 28, wordt aangemerkt als strafbaar feit.

Artikel

30

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

31

Deze regeling wordt aangehaald als: Bordenregeling.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, T.Netelenbos.

Bijlage

A

als bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 10, vijfde lid, 11, eerste en tweede lid, 12, eerste lid, 14, derde lid, 15, tweede lid, 16 derde lid, 17, tweede lid, en 25, eerste lid van de Bordenregeling

Tabel 1 Hoogte en afstanden bij de plaatsing van borden

1

2

3

4

5

6

Bordhoogte

(mm)

Loodrechte

Loodrechte

Codecijfer

Tekst

Leesvlak

Geïnstalleerd

afstand van rand

afstand van rand

(max)

rijbaanverharding

baanverharding

tot aan

tot aan

dichtstbijzijnde

dichtstbijzijnde

bordkant

bordkant

1 of 2

200

400

700

57-11 m

3-10 m

1 of 2

300

600

900

5-11 m

3-10 m

3 of 4

300

600

900

11-21 m

8-15 m

3 of 4

400

800

1100

11-21 m

8-15 m

Tabel 2 Minimum afstand tussen baanhartlijn en (baan)wachtpositiemarkering (X)

Soort baan

Codecijfer

Codecijfer

Codecijfer

Codecijfer

1

2

3

4

Niet-instrumentbaan

30 m

40 m

75 m

75 m

Niet-

40 m

40 m

75 m

75 m

precisielandingsbaan

Precisielandingsbaan

60 m b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

60 m b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

90 m a.Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

90 m a.Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

CAT I

Precisielandingsbaan

-

-

90 m a.Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

90m a.Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten.

CAT II en III

Startbaan

30 m

40 m

75 m

75 m

Figuur 1a locatie van borden bij aansluitingen van rijbanen op precisielandingsbanen
Figuur 1b locatie borden bij aansluiting van rijbanen op startbanen, niet-instrumentbanen en niet-precisielandingsbanen
Figuur 2 Gebodsborden (voorbeelden) Afhankelijk van de toepassing worden de volgende opschriften/symbolen gebruikt:
Figuur 3 Informatieborden (voorbeelden)
Figuur 4 locatiebord met richtingsbord
Figuur 5 locatiebord gecombineerd met meerdere richtingsborden
Figuur 6 locatie gebodsmarkering
Figuur 7 Geslotenverklaringsmarkering

Bijlage

B

als bedoeld in de artikelen 4, derde lid, en 23, zevende lid, onder d, van de Bordenregeling

Vereisten met betrekking tot afmetingen van borden en karakters

1. De grootte van de karakters voldoet aan onderstaande waarden.

Baan codecijfer

Minimale karakter

hoogte (mm)

Gebodsbord

Informatiebord

baanafrit- en baan

overige borden

klaringsbord

1 of 2

300

300

200

3 of 4

400

400

300

Opm. Indien een locatiebord wordt gecombineerd met een gebodsbord, wordt de hoogte van de karakters van het gebodsbord toegepast.

2. Afmetingen van de pijl zijn als volgt:

Hoogte opschrift (mm)

Streepdikte (mm)

200

32

300

48

400

64

3. Streepdikte van een enkele letter is als volgt:

Hoogte opschrift (mm)

Streepdikte (mm)

200

32

300

48

400

64

4. De vorm van karakters zoals letters, cijfers, pijlen en symbolen is zoals aangegeven in figuur 1. De breedte van de karakters en de spatiëring wordt bepaald volgens tabel 1.

5. De hoogte van het leesvlak (face) van het bord is als volgt:

Hoogte tekst (mm)

hoogte leesvlak (mm)

200

400

300

600

400

800

6. De breedte van het leesvlak wordt vastgesteld volgens figuur 2. Echter in het geval dat een gebodsbord slechts aan één zijde van een rijbaan is geplaatst, is de breedte minimaal:

  • a.

    1,94 m voor codecijfer 3 en 4;

  • b.

    1,46 m voor codecijfer 1 en 2.

7. Randen

  • a.

    De verticale zwarte scheidingslijn tussen twee richtingborden heeft een breedte van 0,7 maal de streepdikte.

  • b.

    De gele rand om een locatiebord heeft een breedte van 0,5 maal de streepdikte.

Figuur 1 Vorm van karakters
Baanklaringsbord
Geslotenverklaringsbord
Punt, pijl en streep

Opm. 1. - De streepdikte van de pijl, diameter van de punt en zowel de breedte als de lengte van de streep zijn afgestemd op de streepdikte van de karakters.

Opm. 2 - De afmetingen van de pijl blijven gelijk voor een bepaalde bordafmeting, onafhankelijk van de richting van de pijl.

Tabel 1 Breedte van karakters en spatiëring

a) letter - letter code nummer

voorgaande letter

volgende letter

B, D, E, F, H, I,

K, L, M, N,

P, R, U

C, G, O, Q,

S, X, Z

A, J, T, V,

W, Y

code nummer

A

2

2

4

B

1

2

2

C

2

2

3

D

1

2

2

E

2

2

3

F

2

2

3

G

1

2

2

H

1

1

2

I

1

1

2

J

1

1

2

K

2

2

3

L

2

2

4

M

1

1

2

N

1

1

2

O

1

2

2

P

1

2

2

Q

1

2

2

R

1

2

2

S

1

2

2

T

2

2

4

U

1

1

2

V

2

2

4

W

2

2

4

X

2

2

3

Y

2

2

4

Z

2

2

3

b) cijfer - cijfer code nummer

voorgaande cijfer

volgende letter

1, 5

2, 3, 6

8, 9, 0

4, 7

code nummer

1

1

1

2

2

1

2

2

3

1

2

2

4

2

2

4

5

1

2

2

6

1

2

2

7

2

2

4

8

1

2

2

9

1

2

2

0

1

2

2

c) spatie tussen karakters

code nummer

letter hoogte (mm)

200

300

400

spatie (mm)

1

48

71

96

2

38

57

76

3

25

38

50

4

13

19

26

d) letterbreedte

Letter

letter hoogte (mm)

200

300

400

breedte (mm)

A

170

255

340

B

137

205

274

C

137

205

274

D

137

205

274

E

124

186

248

F

124

186

248

G

137

205

274

H

137

205

274

I

32

48

64

J

127

190

254

K

140

210

280

L

124

186

248

M

157

236

314

N

137

205

274

O

143

214

286

P

137

205

274

Q

143

214

286

R

137

205

274

S

137

205

274

T

124

186

248

U

137

205

274

V

152

229

304

W

178

267

356

X

137

205

274

Y

171

257

342

Z

137

205

274

e) cijferbreedte

Letter

cijfer hoogte (mm)

200

300

400

breedte (mm)

1

50

74

98

2

137

205

274

3

137

205

274

4

149

224

298

5

137

205

274

6

137

205

274

7

137

205

274

8

137

205

274

9

137

205

274

0

143

214

286

Instructies

1. Om de juiste spatiëring tussen letters en cijfers te bepalen: Bepaal met behulp van tabel a of b het codenummer. Kijk in tabel c bij dit codenummer onder de gewenste letter- of cijferhoogte.

2. De spatiëring tussen woorden, groepen van karakters welke een afkorting vormen of een symbool is gelijk aan 0,5 tot 0,75 maal de hoogte van de gebruikte karakters behalve wanneer een pijl bij een enkel karakter is geplaatst, zoals "A->". In dit geval kan de spatiëring worden gereduceerd tot een kwart van de hoogte van het karakter om een goede visuele balans te verkrijgen.

3. Gebruik code 1 wanneer een cijfer volgt op een letter en andersom.

4. Gebruik code 1 wanneer een koppelteken, punt of schuine streep volgt op een karakter of andersom.

Figuur 2 Breedte leesvlak

Baanaanduidingsbord met aanduiding van twee baaneinden
Baanaanduidingsbord met aanduiding van één baaneinde.
Locatiebord
Overige gebodsborden en informatieborden

Bijlage

C

als bedoeld in artikel 7 van de Bordenregeling Vereisten met betrekking tot luminantie

1

De luminantie van het bord (sign luminance) is als volgt:

  • a.

    Wanneer operaties plaatsvinden bij RVR-waarden minder dan 800 m is de gemiddelde luminantie van het bord tenminste:

    rood

    30 cd/m²

    geel

    150 cd/m²

    wit

    300 cd/m²

  • b.

    wanneer operaties plaatsvinden onder omstandigheden als vermeld in artikel 7.2 en 7.3 van de bordenregeling is de gemiddelde luminantie van het bord tenminste:

    rood

    10 cd/m²

    geel

    50 cd/m²

    wit

    100 cd/m²

2

De verhouding in luminantie tussen rode en witte delen van een gebodsbord is minimaal 1:5 en maximaal 1:10.

3

De gemiddelde luminantie van het bord wordt berekend door de luminantiewaarden van diverse meetpunten bij elkaar op te tellen, waarna de uitkomst door het aantal meetpunten wordt gedeeld. De meetpunten worden gevonden met behulp van het raster zoals afgebeeld in figuur 1.

4

De verhouding tussen de luminantiewaarden van aanliggende meetpunten is maximaal 1,5:1. Voor die gebieden waar de afstand tussen twee meetpunten 7,5 cm bedraagt is de verhouding tussen de luminantiewaarden van aanliggende meetpunten is maximaal 1,25:1. De verhouding tussen maximum en minimum waarden over het hele vlak is maximaal 5:1.

Figuur 1 Meetpunten ter berekening van de gemiddelde luminantie van een bord
  • 1.

    De meetpunten worden als volgt geplaatst:

    • ¨.

      Een referentie meetpunt bevindt zich 7,5 cm uit zowel de linker- als de bovenkant van het bord.

    • ¨.

      Maak, uitgaande van het referentie meetpunt, een raster van meetpunten op een onderlinge afstand van 15 cm, zowel horizontaal als verticaal. Meetpunten op een afstand van minder dan 7,5 cm van de rand van het bord moeten worden uitgesloten.

    • ¨.

      Indien het laatste punt in een rij/kolom van meetpunten zich tussen de 22,5 en 75 cm van de rand van het bord bevindt, wordt op een afstand van 7,5 cm een extra meetpunt aangebracht.

    • ¨.

      Indien een meetpunt op de grens van een karakter en de achtergrond valt, wordt het meetpunt zodanig verschoven dat het zich volledig buiten het karakter bevindt.

  • 2.

    Om ervoor te zorgen dat elk karakter tenminste vijf meetpunten bevat, worden extra meetpunten toegevoegd.

  • 3.

    Indien meerdere typen borden zich op één unit bevinden, wordt op elk type bord een afzonderlijk raster aangebracht.