Artikel
1
Deze regeling is van toepassing op borden op landingsterreinen en platformen van luchtvaartterreinen.
Besluit:
Deze regeling is van toepassing op borden op landingsterreinen en platformen van luchtvaartterreinen.
In deze regeling verstaan onder:
baanwachtpositie: een gemarkeerde positie waar voertuigen en taxiënde luchtvaartuigen verplicht zijn te stoppen met als doel een baan, een hindernisbeperkend vlak of een ILS/MLS kritisch dan wel gevoelig gebied te beschermen;
hindernisbeperkend vlak: een gedefinieerd vlak dat is gerelateerd aan een baan met als doel de hindernissituatie te beheersten en een veilige vluchtuitvoering van en naar die baan te waarborgen;
kruispunt: een kruising van banen of rijbanen dan wel splitsing van een rijbaan;
luchtvaartterreincode: een indelingssysteem voor luchtvaartterreinen of delen daarvan dat is gebaseerd op de referentie baanlengte en de afmetingen van luchtvaartuigen (aerodrome reference code);
niet-instrumentbaan: een baan die is bedoeld voor operaties van een luchtvaartuig waarbij gebruik wordt gemaakt van visuele naderingsprocedures;
referentie baanlengte: de minimum baanlengte, zoals voorgeschreven door de certificerende autoriteit, die nodig is voor de start van een luchtvaartuig onder de volgende omstandigheden:
maximum gecertificeerde startmassa,
baan op zeeniveau en zonder helling,
standaard atmosferische condities,
windstilte. (aeroplane reference field length);
rijbaankruispunt: een knooppunt van twee of meer rijbanen;
tussenliggende wachtpositie: een gemarkeerde positie niet zijnde een baanwachtpositie waar voertuigen en taxiënde luchtvaartuigen verplicht zijn te stoppen (intermediate holding position);
wachtpositie voor het wegverkeer: een gemarkeerde positie waar voertuigen verplicht zijn te stoppen (road-holding position);
zichtbare baanlengte: het voor de gezagvoerder van een luchtvaartuig dat zich op de baanhartlijn bevindt zichtbare gedeelte van de markeringen of lichten van de baanrand of baanhartlijn (RVR).
De borden zijn van een zodanige constructie dat zij bij een botsing breken, vervormen of meebuigen opdat zo min mogelijk schade aan het luchtvaartuig wordt toegebracht.
De borden die bij een baan of rijbaan worden geplaatst hebben een zodanige hoogte dat er voldoende ruimte tussen bord en propellers en motorgondels van straalvliegtuigen overblijft. De afstand tussen maaiveld en de bovenkant van het bord overschrijdt de maximale hoogte als aangegeven in kolom 4 van tabel I in bijlage A niet.
Indien een luchtvaartterrein wordt gebruikt bij een zichtbare baanlengte van minder dan 800 meter zijn de borden zodanig verlicht dat wordt voldaan aan de luminantie eisen zoals gesteld in bijlage C.
Gebodsborden zijn steeds verlicht wanneer de baanlichten van de bijbehorende baan zijn ingeschakeld.
Borden met variabele opschriften worden geplaatst indien:
de afgebeelde instructie of informatie slechts gedurende een bepaalde periode van toepassing is; of
er een operationele noodzaak bestaat om op voorhand bepaalde variabele informatie te kunnen
Gebodsborden worden als volgt ingedeeld:
baanaanduidingsborden;
categorie I, II en III wachtpositieborden;
baanwachtpositieborden;
geslotenverklaringsborden; en
wachtpositieborden voor het wegverkeer.
Gebodsborden met uitzondering van geslotenverklaringsborden worden geplaatst op locaties waar taxiënde vliegtuigen en voertuigen verplicht zijn te stoppen.
Indien het op een locatie als bedoeld in het tweede lid door plaatselijke omstandigheden niet mogelijk is een gebodsbord te plaatsen wordt een gebodsmarkering als bedoeld in artikel 25 op de rijbaanverharding aangebracht.
Bij een aansluiting van een baan of rijbaan op een precisielandingsbaan wordt een baanaanduidingsbord geplaatst aan beide zijden van de baanwachtpositiemarkering type "A" in overeenstemming met figuur 1a en tabel 2 in bijlage A.
Bij een aansluiting van een baan of rijbaan op een startbaan, niet-instrumentbaan of niet-precisielandingsbaan wordt een baanaanduidingsbord geplaatst aan de linker zijde van de baanwachtpositiemarkering type "A" in overeenstemming met figuur 1b en tabel 2 in bijlage A.
Bij een aansluiting van een rijbaan op een baan wordt naast een baanaanduidingsbord een locatiebord als bedoeld in artikel 23 geplaatst.
Het opschrift op een baanaanduidingsbord geplaatst bij het baaneinde toont alleen de aanduiding van het betreffende baaneinde. Een baanaanduidingsbord geplaatst bij een aansluiting van een baan of rijbaan op een baan anders dan bij een baaneinde bevat de aanduiding van beide baaneinden van de kruisende baan.
Indien een rijbaan zodanig is gelegen dat een voertuig of taxiënd luchtvaartuig een hindernisbeperkend vlak kan doorsnijden of een ILS//MLS kritisch dan wel gevoelig gebied kan binnenrijden, wordt een baanwachtpositiebord geplaatst aan beide zijden van een type "A" baanwachtpositiemarkering ten behoeve van het vrijhouden van het betreffende vlak of gebied.
Bij het begin van die delen van het landingsterrein of de platformen waarvan de toegang vanuit die richting verboden is, wordt aan beide zijden van de rijbaan een geslotenverklaringsbord geplaatst.
Een wachtpositiebord voor het wegverkeer wordt geplaatst bij alle wegen die toegang geven tot een baan.
Het wachtpositiebord voor het wegverkeer wordt geplaatst op 1,5 meter van de rechterkant van de weg ter hoogte van de wachtpositie in overeenstemming met tabel 2 in bijlage A.
Het opschrift op een wachtpositiebord voor het wegverkeer is in overeenstemming met het terzake bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 bepaalde en omvat het volgende:
een verplichting tot stoppen; en
een verplichting tot het verkrijgen van klaring door de luchtverkeersleiding, indien op het luchtvaartterrein luchtverkeersleiding aanwezig is; en
een locatie-aanduiding, indien meerdere locaties toegang geven tot een baan.
Informatieborden worden als volgt ingedeeld:
baanafritborden;
baanklaringsborden;
intersectie startborden;
bestemmingsborden;
richtingborden;
locatieborden; en
aanduidingsborden voor vliegtuigopstelplaatsen.
Informatieborden worden geplaatst indien er een operationele noodzaak bestaat om informatie te geven over een specifieke locatie of route.
Informatieborden worden geplaatst aan de linkerzijde van de rijbaan of baan. De afstand tot de verharding is in overeenstemming met kolom 5 of 6 van tabel 1 in bijlage A.
Bij een rijbaankruispunt worden de informatieborden voor het kruispunt in lijn met de tussenliggende wachtpositiemarkering geplaatst. Indien geen tussenliggende wachtpositiemarkering aanwezig is worden de borden op ten minste 60 meter van de hartlijn van de kruisende rijbaan geplaatst als het codecijfer 3 of 4 is en op ten minste 40 meter als het codecijfer 1 of 2 is.
Indien het door plaatselijke omstandigheden onmogelijk is om een informatiebord te plaatsen in overeenstemming met deze regeling wordt een informatiemarkering als bedoeld in artikel 26 aangebracht op de rijbaanverharding of platformverharding.
Informatieborden worden met uitzondering van locatieborden niet in combinatie met gebodsborden geplaatst.
Een baanafritbord wordt geplaatst vóór de baanafrit en afhankelijk van de luchtvaartterreincode op een positie van ten minste 60 meter voor het tangentpunt bij een baan met codecijfer 3 of 4 en ten minste 30 meter voor het tangentpunt bij een baan met codecijfer 1 of 2.
Een baanklaringsbord wordt geplaatst indien:
de baanafrit niet is voorzien van rijbaanhartlijnlichten; en
het noodzakelijk is om aan een gezagvoerder die de baan verlaat aan te geven waar de grens van het ILS/MLS kritische dan wel gevoelige gebied of de onderste begrenzing van het binnenste zijvlak zich bevindt.
In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 16, derde lid, wordt een baanklaringsbord ten minste aan één zijde van de rijbaan geplaatst. De afstand tussen het bord en de hartlijn van een baan is ten minste gelijk aan de grootste van:
de afstand tussen de hartlijn van de baan en de grens van het ILS/MLS kritische dan wel gevoelige gebied; of
de afstand tussen de hartlijn van de baan en de grens van het binnenste zijvlak.
Indien zich meerdere tussenliggende wachtposities op dezelfde rijbaan bevinden, bevat het locatiebord de aanduiding van de rijbaan en een nummer.
Locatieborden worden geplaatst bij rijbanen welke aansluiten op een platform of zich achter een kruispunt bevinden. In afwijking van het bepaalde in artikel 16, derde lid, worden de locatieborden na een rijbaankruispunt aan de linker- of rechterzijde van de rijbaan geplaatst.
Een locatiebord bij een baanaanduidingsbord of baanklaringsbord wordt ten opzichte van de rijbaanhartlijn aan de buitenzijde van het betreffende bord geplaatst.
In het geval dat twee banen elkaar kruisen wordt geen locatiebord naast het baanaanduidingsbord geplaatst
Indien de richting van een rijbaan na een kruispunt significant verandert wordt naast het locatiebord een richtingbord geplaatst.
Bij combinatie van een locatiebord en één of meer richtingborden:
worden alle richtingborden met betrekking tot bochten naar links aan de linkerzijde van het locatiebord geplaatst en alle richtingborden met betrekking tot bochten naar rechts aan de rechterzijde van het locatiebord.
wordt in het geval dat de rijbaan wordt gekruist door een rijbaan met zowel links als rechts dezelfde benaming het locatiebord aan de linkerkant van het richtingbord geplaatst.
worden de richtingborden zo geplaatst dat de richting van de pijlen vanuit de verticale as met toenemende afwijking naar de corresponderende rijbanen wijzen.
worden de opschriften gescheiden door een verticale zwarte lijn in overeenstemming met bijlage B onder 7 indien op één bord meerdere opschriften zijn geplaatst.
Indien artikel 10, derde lid, van toepassing is, wordt een gebodsmarkering aangebracht voor de wachtpositiemarkering aan de linkerzijde van de rijbaanhartlijnmarkering zoals aangegeven in figuur 6 van bijlage A.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid bevat een geslotenverklaringsmarkering het opschrift "NO ENTRY".
Een informatiemarkering wordt aangebracht op de rijbaan- of platformverharding en zodanig gepositioneerd dat de markering leesbaar is vanuit het gezichtspunt van de gezagvoerder van een naderend luchtvaartuig.
Indien een markering wordt gebruikt om een locatiebord te vervangen of aan te vullen heeft de informatiemarkering een geel opschrift. Bij onvoldoende contrast tussen de markering en de verharding wordt een zwarte achtergrond toegevoegd.
Indien plaatselijke omstandigheden een aanpassing van de plaatsing van de borden als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, artikel 16, derde lid, of artikel 17, tweede lid, nodig of wenselijk maken, kan door Onze Minister ontheffing worden verleend van het bij deze artikelen bepaalde. Aan de ontheffing kunnen voorwaarden en beperkingen worden verbonden. Onze Minister kan de ontheffing wijzigen of intrekken.
De borden op het landingsterrein en de platformen die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling zijn geplaatst en niet voldoen aan het bij deze regeling bepaalde, worden voor 1 juli 2002 vervangen.
Een overtreding van de artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, of 28, wordt aangemerkt als strafbaar feit.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling wordt aangehaald als: Bordenregeling.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
|
Bordhoogte |
(mm) |
Loodrechte |
Loodrechte |
||
|
Codecijfer |
Tekst |
Leesvlak |
Geïnstalleerd |
afstand van rand |
afstand van rand |
|
(max) |
rijbaanverharding |
baanverharding |
|||
|
tot aan |
tot aan |
||||
|
dichtstbijzijnde |
dichtstbijzijnde |
||||
|
bordkant |
bordkant |
||||
|
1 of 2 |
200 |
400 |
700 |
57-11 m |
3-10 m |
|
1 of 2 |
300 |
600 |
900 |
5-11 m |
3-10 m |
|
3 of 4 |
300 |
600 |
900 |
11-21 m |
8-15 m |
|
3 of 4 |
400 |
800 |
1100 |
11-21 m |
8-15 m |
|
Soort baan |
Codecijfer |
Codecijfer |
Codecijfer |
Codecijfer |
|
1 |
2 |
3 |
4 |
|
|
Niet-instrumentbaan |
30 m |
40 m |
75 m |
75 m |
|
Niet- |
40 m |
40 m |
75 m |
75 m |
|
precisielandingsbaan |
||||
|
Precisielandingsbaan |
60 m b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten. |
60 m b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten. |
90 m a.Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten. |
90 m a.Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten. |
|
CAT I |
||||
|
Precisielandingsbaan |
- |
- |
90 m a.Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten. |
90m a.Indien een wachtpositie zich op een lagere hoogte bevindt in verhouding tot de baandrempel, mag deze afstand met 5 m worden verminderd voor iedere meter verschil waarbij het binnenste zijvlak niet mag worden gepenetreerd.b.Om storingen van radionavigatiehulpmiddelen te voorkomen kan het nodig zijn de afstand te vergroten. |
|
CAT II en III |
||||
|
Startbaan |
30 m |
40 m |
75 m |
75 m |
|
Baan codecijfer |
Minimale karakter |
hoogte (mm) |
|
|
Gebodsbord |
Informatiebord |
||
|
baanafrit- en baan |
overige borden |
||
|
klaringsbord |
|||
|
1 of 2 |
300 |
300 |
200 |
|
3 of 4 |
400 |
400 |
300 |
Opm. Indien een locatiebord wordt gecombineerd met een gebodsbord, wordt de hoogte van de karakters van het gebodsbord toegepast.
|
Hoogte opschrift (mm) |
Streepdikte (mm) |
|
200 |
32 |
|
300 |
48 |
|
400 |
64 |
|
Hoogte opschrift (mm) |
Streepdikte (mm) |
|
200 |
32 |
|
300 |
48 |
|
400 |
64 |
4. De vorm van karakters zoals letters, cijfers, pijlen en symbolen is zoals aangegeven in figuur 1. De breedte van de karakters en de spatiëring wordt bepaald volgens tabel 1.
|
Hoogte tekst (mm) |
hoogte leesvlak (mm) |
|
200 |
400 |
|
300 |
600 |
|
400 |
800 |
6. De breedte van het leesvlak wordt vastgesteld volgens figuur 2. Echter in het geval dat een gebodsbord slechts aan één zijde van een rijbaan is geplaatst, is de breedte minimaal:
1,94 m voor codecijfer 3 en 4;
1,46 m voor codecijfer 1 en 2.
7. Randen
De verticale zwarte scheidingslijn tussen twee richtingborden heeft een breedte van 0,7 maal de streepdikte.
De gele rand om een locatiebord heeft een breedte van 0,5 maal de streepdikte.
Opm. 1. - De streepdikte van de pijl, diameter van de punt en zowel de breedte als de lengte van de streep zijn afgestemd op de streepdikte van de karakters.
Opm. 2 - De afmetingen van de pijl blijven gelijk voor een bepaalde bordafmeting, onafhankelijk van de richting van de pijl.
|
a) letter - letter code nummer |
|||
|
voorgaande letter |
volgende letter |
||
|
B, D, E, F, H, I, K, L, M, N, P, R, U |
C, G, O, Q, S, X, Z |
A, J, T, V, W, Y |
|
|
code nummer |
|||
|
A |
2 |
2 |
4 |
|
B |
1 |
2 |
2 |
|
C |
2 |
2 |
3 |
|
D |
1 |
2 |
2 |
|
E |
2 |
2 |
3 |
|
F |
2 |
2 |
3 |
|
G |
1 |
2 |
2 |
|
H |
1 |
1 |
2 |
|
I |
1 |
1 |
2 |
|
J |
1 |
1 |
2 |
|
K |
2 |
2 |
3 |
|
L |
2 |
2 |
4 |
|
M |
1 |
1 |
2 |
|
N |
1 |
1 |
2 |
|
O |
1 |
2 |
2 |
|
P |
1 |
2 |
2 |
|
Q |
1 |
2 |
2 |
|
R |
1 |
2 |
2 |
|
S |
1 |
2 |
2 |
|
T |
2 |
2 |
4 |
|
U |
1 |
1 |
2 |
|
V |
2 |
2 |
4 |
|
W |
2 |
2 |
4 |
|
X |
2 |
2 |
3 |
|
Y |
2 |
2 |
4 |
|
Z |
2 |
2 |
3 |
|
b) cijfer - cijfer code nummer |
|||
|
voorgaande cijfer |
volgende letter |
||
|
1, 5 |
2, 3, 6 8, 9, 0 |
4, 7 |
|
|
code nummer |
|||
|
1 |
1 |
1 |
2 |
|
2 |
1 |
2 |
2 |
|
3 |
1 |
2 |
2 |
|
4 |
2 |
2 |
4 |
|
5 |
1 |
2 |
2 |
|
6 |
1 |
2 |
2 |
|
7 |
2 |
2 |
4 |
|
8 |
1 |
2 |
2 |
|
9 |
1 |
2 |
2 |
|
0 |
1 |
2 |
2 |
|
c) spatie tussen karakters |
|||
|
code nummer |
letter hoogte (mm) |
||
|
200 |
300 |
400 |
|
|
spatie (mm) |
|||
|
1 |
48 |
71 |
96 |
|
2 |
38 |
57 |
76 |
|
3 |
25 |
38 |
50 |
|
4 |
13 |
19 |
26 |
|
d) letterbreedte |
|||
|
Letter |
letter hoogte (mm) |
||
|
200 |
300 |
400 |
|
|
breedte (mm) |
|||
|
A |
170 |
255 |
340 |
|
B |
137 |
205 |
274 |
|
C |
137 |
205 |
274 |
|
D |
137 |
205 |
274 |
|
E |
124 |
186 |
248 |
|
F |
124 |
186 |
248 |
|
G |
137 |
205 |
274 |
|
H |
137 |
205 |
274 |
|
I |
32 |
48 |
64 |
|
J |
127 |
190 |
254 |
|
K |
140 |
210 |
280 |
|
L |
124 |
186 |
248 |
|
M |
157 |
236 |
314 |
|
N |
137 |
205 |
274 |
|
O |
143 |
214 |
286 |
|
P |
137 |
205 |
274 |
|
Q |
143 |
214 |
286 |
|
R |
137 |
205 |
274 |
|
S |
137 |
205 |
274 |
|
T |
124 |
186 |
248 |
|
U |
137 |
205 |
274 |
|
V |
152 |
229 |
304 |
|
W |
178 |
267 |
356 |
|
X |
137 |
205 |
274 |
|
Y |
171 |
257 |
342 |
|
Z |
137 |
205 |
274 |
|
e) cijferbreedte |
|||
|
Letter |
cijfer hoogte (mm) |
||
|
200 |
300 |
400 |
|
|
breedte (mm) |
|||
|
1 |
50 |
74 |
98 |
|
2 |
137 |
205 |
274 |
|
3 |
137 |
205 |
274 |
|
4 |
149 |
224 |
298 |
|
5 |
137 |
205 |
274 |
|
6 |
137 |
205 |
274 |
|
7 |
137 |
205 |
274 |
|
8 |
137 |
205 |
274 |
|
9 |
137 |
205 |
274 |
|
0 |
143 |
214 |
286 |
Instructies
1. Om de juiste spatiëring tussen letters en cijfers te bepalen: Bepaal met behulp van tabel a of b het codenummer. Kijk in tabel c bij dit codenummer onder de gewenste letter- of cijferhoogte.
2. De spatiëring tussen woorden, groepen van karakters welke een afkorting vormen of een symbool is gelijk aan 0,5 tot 0,75 maal de hoogte van de gebruikte karakters behalve wanneer een pijl bij een enkel karakter is geplaatst, zoals "A->". In dit geval kan de spatiëring worden gereduceerd tot een kwart van de hoogte van het karakter om een goede visuele balans te verkrijgen.
3. Gebruik code 1 wanneer een cijfer volgt op een letter en andersom.
4. Gebruik code 1 wanneer een koppelteken, punt of schuine streep volgt op een karakter of andersom.
Figuur 2 Breedte leesvlak
De luminantie van het bord (sign luminance) is als volgt:
Wanneer operaties plaatsvinden bij RVR-waarden minder dan 800 m is de gemiddelde luminantie van het bord tenminste:
|
rood |
30 cd/m² |
|
geel |
150 cd/m² |
|
wit |
300 cd/m² |
wanneer operaties plaatsvinden onder omstandigheden als vermeld in artikel 7.2 en 7.3 van de bordenregeling is de gemiddelde luminantie van het bord tenminste:
|
rood |
10 cd/m² |
|
geel |
50 cd/m² |
|
wit |
100 cd/m² |
De verhouding in luminantie tussen rode en witte delen van een gebodsbord is minimaal 1:5 en maximaal 1:10.
De gemiddelde luminantie van het bord wordt berekend door de luminantiewaarden van diverse meetpunten bij elkaar op te tellen, waarna de uitkomst door het aantal meetpunten wordt gedeeld. De meetpunten worden gevonden met behulp van het raster zoals afgebeeld in figuur 1.
De verhouding tussen de luminantiewaarden van aanliggende meetpunten is maximaal 1,5:1. Voor die gebieden waar de afstand tussen twee meetpunten 7,5 cm bedraagt is de verhouding tussen de luminantiewaarden van aanliggende meetpunten is maximaal 1,25:1. De verhouding tussen maximum en minimum waarden over het hele vlak is maximaal 5:1.
De meetpunten worden als volgt geplaatst:
Een referentie meetpunt bevindt zich 7,5 cm uit zowel de linker- als de bovenkant van het bord.
Maak, uitgaande van het referentie meetpunt, een raster van meetpunten op een onderlinge afstand van 15 cm, zowel horizontaal als verticaal. Meetpunten op een afstand van minder dan 7,5 cm van de rand van het bord moeten worden uitgesloten.
Indien het laatste punt in een rij/kolom van meetpunten zich tussen de 22,5 en 75 cm van de rand van het bord bevindt, wordt op een afstand van 7,5 cm een extra meetpunt aangebracht.
Indien een meetpunt op de grens van een karakter en de achtergrond valt, wordt het meetpunt zodanig verschoven dat het zich volledig buiten het karakter bevindt.
Om ervoor te zorgen dat elk karakter tenminste vijf meetpunten bevat, worden extra meetpunten toegevoegd.
Indien meerdere typen borden zich op één unit bevinden, wordt op elk type bord een afzonderlijk raster aangebracht.