Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

§

1

Definities

§

2

Verlening van de bijdrage

Artikel

2

§

3

Berekening van de bijdrage

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Artikel

6

De component dunheid en dichtheid, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, wordt berekend door:

  • a.

    de correctiefactor dunheid, bedoeld in artikel 7, eerste lid, en de correctiefactor dichtheid, bedoeld in artikel 7, tweede lid, bij elkaar op te tellen en te delen door 2. Het resultaat is de correctiefactor dunheid en dichtheid;

  • b.

    de correctiefactor dunheid en dichtheid te vermenigvuldigen met de vervoeropbrengsten. Het resultaat wordt per concessieverlener uitgedrukt in een percentage van het totaal;

  • c.

    het percentage per concessieverlener, bedoeld in onderdeel b, te vermenigvuldigen met de totale vervoeropbrengsten van Nederland;

  • d.

    van de uitkomst van onderdeel c de vervoeropbrengsten per concessieverlener, af te trekken;

  • e.

    de uitkomst van onderdeel d te vermenigvuldigen met de rekenfactor, bedoeld in artikel 4, waarbij eerst het getal 1 wordt opgeteld.

Artikel

7

Artikel

8

De component centrumfunctie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, wordt berekend door het regionaal klantenpotentieel als maat voor de centrumfunctie te verlagen met het aantal inwoners. De uitkomst hiervan, het klantensurplus, wordt vermenigvuldigd met een jaarlijks vast te stellen tarief. Het tarief voor het desbetreffende jaar is opgenomen in bijlage 3, onderdeel d.

Artikel

10

De component oppervlakte land, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, wordt berekend door de oppervlakte land in hectare te vermenigvuldigen met een jaarlijks vast te stellen tarief. Het tarief voor het desbetreffende jaar is opgenomen in bijlage 3, onderdeel f.

Artikel

11

De tarieven, genoemd in de artikelen 8, 9 en10, worden jaarlijks berekend door het betreffende tarief van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het tarief betrekking heeft:

  • a.

    te verlagen in verband met de taakstellende bezuiniging ter verbetering van de verhouding tussen de vervoeropbrengsten en de bijdrage;

  • b.

    te verhogen met de ontwikkelingen van de loonkosten en van de prijzen, bedoeld in artikel 64 van het besluit;

  • c.

    te verlagen indien de beschikbare middelen voor de exploitatie van openbaar vervoer zoals afgeleid uit het hoofdstuk van Verkeer en Waterstaat op de rijksbegroting, ontoereikend zijn.

Artikel

12

Artikel

14

Artikel

15

§

4

Vaststelling van de bijdrage

Artikel

16

De minister stelt de bijdrage uiterlijk 1 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de bijdrage betrekking heeft ambtshalve vast. Indien de beschikking tot vaststelling van de bijdrage niet voor 1 juli kan worden gegeven, stelt de minister de concessieverlener daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.

Artikel

17

Bij het gewijzigd vaststellen van de bijdrage, bedoeld in artikel 64 van het besluit, wordt 65% van de bijdrage aangemerkt als loongevoelig, en 35% als prijsgevoelig.

§

5

Besteding van de bijdrage

Artikel

18

§

6

Verantwoording van de besteding van de bijdrage

Artikel

19

§

7

Slotbepalingen

Artikel

20

Artikel

21

In artikel 2, onderdeel a, van de Regeling vervoeropbrengsten rijksbijdrage openbaar vervoer wordt `'berekend op grond van artikel 16, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer'' vervangen door: berekend op grond van artikel 3, tweede lid, van de Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001.

Artikel

22

De Regeling experiment meerjarenafspraken openbaar vervoer 2000 wordt als volgt gewijzigd:

  • A.

    In artikel 3, eerste lid, wordt `'artikel 7 van de Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer'' vervangen door: artikel 5 van de Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001.

  • B.

    Artikel 7 komt te luiden:

    Artikel 7

    De Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001 is niet van toepassing, met uitzondering van de artikelen 1, 3, 16, 17 en 19.

Artikel

23

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

24

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos

Bijlage

1

behorende bij de Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001

Rijksbijdrage 2005 per concessieverlener (in duizenden euro’s, op prijspeil 2004)

Bestuur Regio Utrecht

48.461

Stadsgewest Haaglanden

111.265

Knooppunt Arnhem-Nijmegen

43.014

Regionaal Orgaan Amsterdam

245.719

Samenwerkingsverband Regio Eindhoven

20.891

Stadsregio Rotterdam

152.308

Regio Twente

16.483

Provincie Drenthe

16.646

Provincie Flevoland

20.785

Provincie Fryslân

26.686

Provincie Gelderland

36.894

Provincie Groningen

31.476

Provincie Limburg

37.637

Provincie Noord-Brabant

56.346

Provincie Noord-Holland

38.386

Provincie Overijssel

16.486

Provincie Utrecht

18.327

Provincie Zeeland

14.174

Provincie Zuid-Holland

50.173

Totaal

1.002.157

Bijlage

2

behorende bij de Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001

Vervoeropbrengsten 2005 per concessieverlener (in duizenden euro’s, op tariefniveau 2003)

Bestuur Regio Utrecht

0

5.685

31.340

37.025

Stadsgewest Haaglanden

0

4.622

62.514

67.136

Knooppunt Arnhem–Nijmegen

0

4.195

26.765

30.960

Regionaal Orgaan Amsterdam

0

11.236

143.750

154.986

Samenwerkingsverband Regio Eindhoven

35

2.253

11.227

13.515

Stadsregio Rotterdam

389

9.457

89.526

99.372

Regio Twente

0

2.935

7.396

10.331

Provincie Drenthe

0

2.179

8.468

10.647

Provincie Flevoland

0

1.448

13.490

14.938

Provincie Fryslân

0

4.657

13.209

17.866

Provincie Gelderland

0

5.498

21.350

26.848

Provincie Groningen

0

5.326

15.742

21.068

Provincie Limburg

331

4.960

22.348

27.639

Provincie Noord-Brabant

7

6.686

34.501

41.194

Provincie Noord-Holland

795

4.508

25.319

30.622

Provincie Overijssel

0

2.190

7.945

10.135

Provincie Utrecht

0

3.233

11.429

14.662

Provincie Zeeland

171

1.859

7.885

9.915

Provincie Zuid-Holland

308

6.933

35.292

42.533

Totaal

2.036

89.860

589.496

681.392

Bijlage

3

behorende bij de Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001

a. Artikel 3 – omrekenfactor bedrijfsvervoer (in €)

omrekenfactor 2005

0,0189

b. Artikel 4 – rekenfactor

rekenfactor 2004

1,3015

kostenontwikkeling 2004

0,0280

taakstellende bezuiniging 2005

–0,0287

verlaging i.v.m. beschikbare middelen 2005

–0,0643

rekenfactor 2005

1,2365

c. Artikel 7 – parameter dunheid b2

parameter dunheid b2 2004

0,0439

d. Artikel 8 – tarief centrumfunctie (in €)

tarief 2004

11,1934

kostenontwikkeling 2004

0,2407

taakstellende bezuiniging 2005

–0,2470

verlaging i.v.m. beschikbare middelen 2005

–0,0225

tarief 2005

11,1645

e. Artikel 9 – tarief inwoners (in €)

tarief 2004

2,6767

kostenontwikkeling 2004

0,0575

taakstellende bezuiniging 2005

–0,0591

verlaging i.v.m. beschikbare middelen 2005

–0,0161

tarief 2005

2,6591

f. Artikel 10 – tarief oppervlakte land (in €)

tarief 2004

14,3567

kostenontwikkeling 2004

0,3087

taakstellende bezuiniging 2005

–0,3169

verlaging i.v.m. beschikbare middelen 2005

–0,0288

tarief 2005

14,3197

g. Artikel 12 – forfaitaire bedragen tram/trolley (in duizenden euro’s)

ROA

SRR

HGL

KAN

bedrag 2004

26.714

18.555

20.795

2.118

kostenontwikkeling 2004

574

399

447

46

taakstellende bezuiniging 2005

–590

–410

–459

–47

verlaging i.v.m. beschikbare middelen 2005

–54

–37

–42

–4

bedrag 2005

26.645

18.508

20.742

2.113

h. Artikel 13 – forfaitaire kortingen (in duizenden euro’s)

ROA

SRR

HGL

bedrag 2005

0

0

0

i. Artikel 14 – forfaitaire bedragen toezichthouders tram/metro (in duizenden euro’s)

ROA

SRR

HGL

BRU

bedrag 2005

0

0

0

0

j. Artikel 14 – forfaitaire bedragen instandhouding metro (in duizenden euro’s)

ROA

SRR

bedrag 2005

0

0

k. Artikel 14 – forfaitaire bedragen herindeling Utrecht

BRU

Utrecht

bedrag 2005

0

0

Bijlage

4

behorende bij de Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001

Modellen

Model 4a: Verantwoordingsmodel

Verantwoording inzake de besteding van de ontvangen bijdrage voor de exploitatie van openbaar vervoer in 2004 van [naam concessieverlener].

Ondertekening concessieverlener:

Waarmerking accountant:

Model 4b: Specificatie bestedingen verbeteringen toegankelijkheid

Model 4c: Specificatie sociale veiligheid (middelen)

Model 4d: Specificatie sociale veiligheid (resultaten)

Ondertekening concessieverlener:

Waarmerking accountant:

Bijlage

5

Controleprotocol

1

Inleiding

  • 1.1

    Dit controleprotocol heeft betrekking op de controle van de door de concessieverlener af te leggen verantwoording inzake de besteding van de ontvangen bijdrage voor de exploitatie van openbaar vervoer op basis van de Wet personenvervoer 2000.

  • 1.2

    De volgende regelgeving is van toepassing:

  • 1.3

    De volgende begrippen zijn van toepassing:

    • a.

      derde-accountant: de accountant van de concessieverlener;

    • b.

      verantwoording: de door de concessieverlener aan de Minister van Verkeer en Waterstaat in te zenden verantwoording, als bedoeld in artikel 68, onderdeel b, van het besluit;

    • c.

      jaarrekening: de door de concessieverlener aan de Minister van Verkeer en Waterstaat in te zenden jaarrekening van de concessiehouder, als bedoeld in artikel 68, onderdeel a, van het besluit.

  • 1.4

    In dit controleprotocol wordt uiteengezet welke algemene uitgangspunten en specifieke vereisten gelden bij de controle door de accountant van de concessieverlener ten behoeve van de onder 1.1 genoemde bijdrage, alsmede op welke wijze de uitkomsten van deze controle dienen te worden gerapporteerd.

  • 1.5

    Het is mogelijk dat door of namens de Departementale Accountantsdienst van Verkeer en Waterstaat een review zal worden uitgevoerd bij de derde-accountant ter toetsing van de naleving van dit controleprotocol. Indien een review wordt uitgevoerd, zal hierover tevens overleg worden gepleegd met de betreffende concessieverlener.

2

Algemene uitgangspunten voor de controle

  • 2.1

    De controle dient zowel de getrouwe weergave van de financiële verantwoording alsmede de rechtmatige besteding van de ter beschikking gestelde bijdrage te omvatten. Van de derde-accountant wordt derhalve verwacht dat hij niet alleen de getrouwheid van de verantwoording controleert, maar dat hij ook de naleving van de subsidievoorwaarden toetst. Dit betekent dat nagegaan dient te worden of de uitgaven passen binnen het kader van de geldende regelgeving.

3

Specifieke vereisten

  • 3.1

    Bij de uitvoering van de controle door de derde-accountant van de verantwoording van de concessieverlener dient te worden vastgesteld dat:

    • a.

      de onder 1.1 genoemde bijdrage geheel is aangewend voor openbaar vervoer zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a tot en met e, van de regeling, dan wel is opgenomen in een daarvoor bestemde reserve zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel f, van de regeling;

    • b.

      de verplichtingen voor de concessiehouder (zoals vastgelegd in de onder 1.2 genoemde regelgeving) zijn opgenomen in de overeenkomst c.q. afspraken tussen de concessieverlener en concessiehouder;

    • c.

      in het desbetreffende jaar de concessiehouder beschikt over een vergunning conform het gestelde in artikel 14 en 15 van het besluit;

    • d.

      de interne en administratieve organisatie van de concessieverlener voldoende waarborgen geeft, dat er redelijkerwijs van uit kan worden gegaan, dat de overige bestedingen geheel zijn aangewend voor de specifieke doelen waarvoor zij zijn bestemd (de geoormerkte bijdrage), danwel zijn aangewend voor openbaar vervoer;

    • e.

      ten aanzien van de activiteiten bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel b, van de regeling, waarvan de kosten ten laste van de bijdrage zijn gebracht, dient te worden vastgesteld dat deze zijn gebaseerd op een (sluitende) kostenverdeeladministratie en betrekking hebben op het openbaar vervoer. De derde-accountant beoordeelt tevens de aanvaardbaarheid van de gehanteerde kostenverdeelsleutels.

  • 3.2

    De uitgaven voor sociale veiligheid worden op ‘middelenniveau’ gespecificeerd naar de volgende maatregelen:

    • a.

      menselijk toezicht in of nabij voertuigen, stations of halteplaatsen in zowel bedragen als kwantiteiten1Voor het Regionaal Orgaan Amsterdam, de Stadsregio Rotterdam, het Stadsgewest Haaglanden en het Bestuur Regio Utrecht geldt als extra eis een nadere specificatie van de uitgaven naar toezichtfunctie (o.a. BOA’s, conducteurs, controleurs) alsmede een tabel met een cijfermatig overzicht van de fysieke aantallen per functiesoort, uitgedrukt in fte’s in het boekjaar en in die van het vorige jaar.;

    • b.

      materiële zaken als technische hulpmiddelen (o.a. camera’s en meld- of communicatiesystemen) en aanpassingen van voertuig (o.a. herstel vandalisme) of omgeving (o.a. herinrichting stations);

    • c.

      overige uitgaven als opleiding en training van rijdend, toezichthoudend en operationeel leidinggevend personeel, voorlichting en communicatie gericht op een breed publiek of specifieke doelgroepen, samenwerkingsverbanden met o.a. politie, justitie, gemeenten en (andere) vervoerbedrijven, coördinatie, advisering, onderzoek en overige ondersteuningskosten.

  • 3.3

    Voor de uitgaven voor sociale veiligheid geldt tevens de verplichting tot specificatie van de effecten op ‘resultaatniveau’. Het gaat hierbij om een specificatie voor zowel reizigers als personeel onderverdeeld naar voertuig (per vervoersmiddel: trein, metro, tram bus) en naar station of halte, in de zin van:

    • a.

      feitelijke incidenten, m.n. lastig vallen, bedreiging, diefstal en mishandeling;

    • b.

      veiligheidsgevoel (de subjectieve veiligheid), uitgedrukt in een cijfer van 1–10.

    Bovenstaande informatie behoeft niet in het kader van deze verantwoording te worden aangeleverd wanneer al door deelname aan de landelijke monitorsystemen (klantenbarometer, personeelsmonitor en incidentenregistratie) in deze informatiebehoefte wordt voorzien.

    Bij de bestedingen van geoormerkte bijdragen voor bedragen kleiner dan € 20.000 vervalt de verplichting tot nadere specificatie op ‘resultaatniveau’.

  • 3.4

    De uitgaven voor verbeteringen van de toegankelijkheid van rijdend materieel en stations of haltes worden op `middelenniveau' gespecificeerd naar de volgende maatregelen:

    • a.

      de meerkosten van de aanschaf van lage vloermaterieel;

    • b.

      overige toegankelijkheidsverbeteringen van het rijdend materieel;

    • c.

      verbeteringen van de toegankelijkheid van stations en haltes.

4

Rapportering

  • 4.1

    Ten aanzien van de onder 3.1 genoemde specifieke aandachtspunten geldt dat alle bij de controle geconstateerde en niet gecorrigeerde fouten en onzekerheden, individueel of in totaal, groter dan 1% van de bijdrage danwel hoger dan € 225.000 worden gerapporteerd. De bevindingen worden als een gewaarmerkte bijlage toegevoegd aan de te hanteren modelverklaring die onder 4.2 is opgenomen.

  • 4.2

    Model-accountantsverklaring bij een door een concessieverlener af te leggen verantwoording inzake de besteding van de bijdrage voor de exploitatie van openbaar vervoer.

Opdracht

Ingevolge uw opdracht hebben wij de bijgevoegde en door ons gewaarmerkte verantwoording van

< naam concessieverlener > over < jaar > inzake de besteding van de bijdrage voor het verrichten van openbaar vervoer gecontroleerd. Deze verantwoording is opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de leiding van <naam concessieverlener>. Het is onze verantwoordelijkheid een accountantsverklaring inzake de verantwoording te verstrekken.

Werkzaamheden

Onze controle is verricht in overeenstemming met algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controle-opdachten. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd, dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de verantwoording geen onjuistheden van materieel belang bevat. Verder is ons onderzoek verricht met inachtneming van het controleprotocol genoemd in artikel 19, tweede lid, van de Regeling rijksbijdrage openbaar vervoer 2001.

Oordeel

Wij zijn van oordeel dat de verantwoording voldoet aan de ter zake gestelde eisen.

<Plaats en datum>

<Ondertekening>