Regeling elektronisch-geldinstellingen

Regeling elektronisch-geldinstellingen

Inleiding

De 'regeling elektronisch-geldinstellingen' heeft tot doel richtlijnen en aanbevelingen te geven voor het toezicht van de Bank op elektronisch-geldinstellingen. De richtlijnen en aanbevelingen hebben betrekking op de solvabiliteit, de liquiditeit1De regeling heeft, binnen het kader van de solvabiliteit en de liquiditeit van de instellingen, tevens betrekking op de beleggingsbeperkingen. en de administratieve organisatie van elektronisch-geldinstellingen alsmede op de rapportage hierover aan de Bank. De regeling is van toepassing op alle onder toezicht van de Bank staande elektronisch-geldinstellingen waarop Hoofdstuk II, Afdeling 4, Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) van toepassing is, daarbij inbegrepen de bijkantoren van niet in het

EU-gebied gevestigde ondernemingen of instellingen. De regeling vindt haar grondslag in de artikelen 11, tweede lid, 30, vierde lid, 30b, eerste en vijfde lid, 30c, eerste en vierde lid, 41, tweede lid, en 55, tweede, derde en vijfde lid, Wtk 1992.

De regeling bevat richtlijnen en aanbevelingen voor de uitoefening van het bedrijf van elektronisch-geldinstelling, gericht op de beperking van de kans op verliezen en het bevorderen van de aanwezigheid van voldoende financiële buffers alsmede van een gezonde en prudente bedrijfsvoering. De regeling is gebaseerd op de Wtk 1992 en strekt tot implementatie van Richtlijn 2000/46/EG betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld. Het regime van bedrijfseconomisch toezicht op elektronisch-geldinstellingen wijkt af van het geldende regime voor algemene kredietinstellingen. Voor elektronisch-geldinstellingen geldt een lagere eis voor het aanvangsvermogen (één miljoen euro tegenover vijf miljoen euro voor algemene banken). Daarnaast moeten elektronisch-geldinstellingen beschikken over een eigen vermogen dat ten minste gelijk is aan 2% van de totale verplichtingen die met uitstaand elektronisch geld verband houden. Dit bijzondere regime voorziet niet, in tegenstelling tot wat gebruikelijk is bij het toezicht op de algemene kredietinstellingen, in een relatie tussen de minimale omvang van het bedrijfskapitaal enerzijds en de risico's zoals die worden gelopen aan de uitzettingenkant anderzijds.

In plaats daarvan is het elektronisch-geldinstellingen slechts toegestaan gelden te beleggen in beperkte en vastomlijnde activacategorieën. Het in de regeling neergelegde regime van bedrijfseconomisch toezicht op elektronisch-geldinstellingen sluit aan bij de door de wet gestelde beperkingen aan de toegestane activiteiten van elektronisch-geldinstellingen.

In de regeling wordt, waar mogelijk, verwezen naar de bestaande richtlijnen en aanbevelingen voor algemene kredietinstellingen. Naast de onderhavige regeling is de overige bestaande en in de toekomst uit te vaardigen regelgeving van de Bank enkel van toepassing op elektronisch-geldinstellingen indien dat voortvloeit uit de onderhavige regeling of indien zulks in de desbetreffende overige regelgeving uitdrukkelijk is bepaald.

Op grond van artikel 30b, tweede lid en 30c, tweede lid, Wtk 1992 geldt voor de onderhavige regeling een overlegverplichting met de betrokken representatieve organisatie(s) van elektronisch-geldinstellingen. Vanwege het ontbreken van een door de Minister van Financiën aangewezen representatieve organisatie op het moment van invoering van de regeling, heeft de Bank, in overleg met het Ministerie van Financiën, besloten de regeling aan een openbare consultatie te onderwerpen, alsmede deze rechtstreeks ter consultatie aan te bieden bij de bij de Bank en het Ministerie bekende belanghebbende personen, instellingen en organisaties.

Richtlijnen en aanbevelingen

Artikel

1

Definities

Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:

  • a)

    kredietinstelling: een onder prudentieel toezicht staande kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, Wtk 1992;

  • b)

    Bank: De Nederlandsche Bank NV;

  • c)

    elektronisch geld: elektronisch geld als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, Wtk 1992;

  • d)

    elektronisch-geldinstelling

    een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, Wtk 1992 waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, dan wel artikel 38, eerste lid, Wtk 1992 is verleend;

  • e)

    marktrisico: de bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen en resultaat van de elektronisch-geldinstelling als gevolg van bewegingen in marktprijzen. Het marktrisico omvat aldus het prijsrisico, het renterisico en het valutarisico;

  • f)

    prijsrisico: de bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen en resultaat van de elektronisch-geldinstelling als gevolg van bewegingen in het niveau of de volatiliteit van marktprijzen van effecten en financiële instrumenten;

  • g)

    regeling: deze regeling elektronisch-geldinstellingen;

  • h)

    renterisico: de bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen en resultaat van de elektronisch-geldinstelling als gevolg van bewegingen van rentevoeten; deze bewegingen kunnen zich voordoen als parallelle beweging en/of een verandering van de rentetermijnstructuur en een ongelijke beweging van actief- en passiefrentes in hetzelfde looptijdsegment van de rentetermijnstructuur;

  • i)

    Richtlijn: Richtlijn 2000/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het bedrijfseconomisch toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld (PbEG L 275);

  • j)

    valutarisico: de bestaande of toekomstige bedreiging van vermogen en resultaat van de elektronisch-geldinstelling als gevolg van bewegingen van vreemde-valutakoersen.

Artikel

3

Minimum eigen vermogen

Artikel

4

Toetsingsvermogen

Artikel

5

Tier 1 vermogen

Het bij de elektronisch-geldinstelling aanwezige tier 1 vermogen wordt verkregen door optelling van de onder a tot en met f opgenomen posten, onder aftrek van de post onder g:

  • a)

    het gestorte aandelenkapitaal, exclusief cumulatief preferente aandelen en preferente aandelen met een vaste looptijd;

  • b)

    de in de (gepubliceerde) jaarrekening gepresenteerde agioreserve, wettelijke reserve, statutaire reserve en overige reserves, met uitzondering van de herwaarderingsreserves;

  • c)

    het saldo van de winst- en verlies-rekeningen van het lopende jaar;

  • d)

    het saldo van de winst- en verlies-rekeningen van de voorgaande jaren;

  • e)

    het saldo van het fonds voor algemene bankrisico's;

  • f)

    het belang van derden, tenzij:

    de Bank bepaalt dat in geval van belangrijke overkapitalisatie dit geheel of ten dele buiten de berekening van het aanwezige tier 1 vermogen moet worden gelaten;

    - de via geconsolideerde groepsmaatschappijen van de elektronisch-geldinstelling aangetrokken vermogenselementen de kenmerken bezitten van tier 2 of lager gekwalificeerd vermogen en in de geconsolideerde opstelling neerslaan als belang van derden;

  • g)

    de immateriële activa.

Artikel

6

Tier 2 vermogen

Het bij de elektronisch-geldinstelling aanwezige tier 2 vermogen wordt verkregen door optelling van de onder a tot en met c opgenomen posten:

  • a)

    de cumulatief preferente aandelen met onbepaalde looptijd voor zover deel uitmakend van het gestorte kapitaal of het belang van derden;

  • b)

    de herwaarderingsreserves;

  • c)

    de daadwerkelijke gestorte bedragen op grond van schuldtitels met onbepaalde looptijd en andere financieringsinstrumenten die aan de volgende voorwaarden voldoen:

    • -

      de schuldtitels en financieringsinstrumenten kunnen niet worden terugbetaald op initiatief van de houder of zonder voorafgaande toestemming van de toezichthoudende autoriteit;

    • -

      de aan de schuldtitels of financieringsinstrumenten ten grondslag liggende schuldovereenkomst bepaalt dat de elektronisch-geldinstelling de betaling van rente over de schuld mag uitstellen;

    • -

      de vorderingen van de leninggever op de leningnemende elektronisch-geldinstelling zijn volledig achtergesteld bij die van alle niet-achtergestelde crediteuren;

    • -

      de documenten inzake de uitgifte van de schuldtitels bepalen, dat schuld en niet-betaalde rente kunnen worden gebruikt om verliezen op te vangen, terwijl de elektronisch-geldinstelling haar werkzaamheden kan voortzetten.

Artikel

7

Beleggingsbeperkingen

Artikel

8

Aanvullende beleggingsbeperkingen

De maximale omvang van de beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c en d, wordt vastgesteld op twintigmaal het eigen vermogen van de elektronisch-geldinstelling.

Artikel

9

Grote-postenregeling

Op de beleggingen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is, tenzij anders bepaald in het kader van deze regeling, de grote-postenregeling voor kredietinstellingen, onderdeel 4081 van het Handboek Wtk, van toepassing, met de volgende uitzonderingen:

  • -

    de regeling op basis waarvan een overschrijding van de limiet is toegestaan voor handelsposities is niet van toepassing;

  • -

    de elektronisch-geldinstelling mag geen risico's aangaan ten aanzien van ondernemingen, instellingen of personen die controle uitoefenen op de elektronisch-geldinstelling zelf.

Artikel

10

Spreidingseisen

Artikel

11

Liquiditeit van de beleggingen

Door de elektronisch-geldinstelling gehouden beleggingen worden uitsluitend als voldoende liquide aangemerkt voor zover het betreft beleggingen in 'direct in geld opvraagbare activa' dan wel beleggingen in activa:

  • a)

    waarvoor door een erkende beurs dan wel door verschillende, niet gelieerde, professionele marktparticipanten regelmatig en minimaal dagelijks laat- en biedprijzen worden afgegeven;

  • b)

    die regelmatig worden verhandeld;

  • c)

    waarvan de verkoop of belening op dagelijkse termijn kan plaatsvinden;

  • d)

    waarvan de opbrengstwaarde dan wel de beleningswaarde niet materieel wordt beïnvloed door de omvang of de snelheid van respectievelijk de verkoop of de belening;

  • e)

    waarvan de liquiditeit ten minste gelijkwaardig is aan uitzettingen bij centrale overheden van Zone A-landen; en

  • f)

    waarvan de settlement in de markt waar de desbetreffende activa worden verhandeld, plaatsvindt volgens een vaste en niet onderhandelbare tijdtabel.

Artikel

12

Beperking marktrisico's

Artikel

13

Beperking renterisico's

Artikel

14

Beperking prijsrisico's

Artikel

15

Beperking valutarisico's

Artikel

16

Liquiditeitseisen

Artikel

17

Eisen aan de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen

Voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, zijn de richtlijnen en aanbevelingen van de Bank met betrekking tot de administratieve organisatie, met inbegrip van de financiële administratie en interne controle, van kredietinstellingen van overeenkomstige toepassing op de administratieve organisatie van de elektronisch-geldinstelling.

Artikel

18

Informatie-inwinning door de Bank

Voor zover in deze regeling niet anders is bepaald, zijn de richtlijnen en aanbevelingen van de Bank met betrekking tot de informatie-inwinning bij kredietinstellingen van overeenkomstige toepassing op de informatie-inwinning bij de elektronisch-geldinstelling.

Artikel

19

Evaluatiebepaling

De Bank stelt uiterlijk op 31 december 2003 een verslag op van de toepassing van deze regeling. Het verslag wordt ter kennis gesteld aan de representatieve organisatie voor elektronisch-geldinstellingen en gepubliceerd op de website van de Bank.

Artikel

20

Inwerkingtreding

De regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop het bij Koninklijke boodschap van 18 januari 2002 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 in verband met de invoering van het bedrijfseconomisch toezicht op instellingen voor elektronisch geld (Kamerstukken II, 2001/2002 nr. 28 189, nr 1), nadat het tot wet is verheven, in werking treedt. De in de bijlage bij de regeling opgenomen samenhangende wijzigingen in andere regelgeving van de Bank treden gelijktijdig in werking. Indien de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na het moment waarop het voornoemde, bij Koninklijke boodschap van 18 januari 2002 ingediende voorstel van wet in werking treedt, treden de regeling en de in de bijlage opgenomen wijzigingen in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot het moment van inwerkingtreding van de hiervoor bedoelde wet.

Bijlage

bij de regeling elektronisch-geldinstellingen

Wijzigingen in andere regelgeving van de Bank in verband met de invoering van het bedrijfseconomisch toezicht op elektronisch-geldinstellingen:

Wijzigt Besluit vaststelling minimum eigen vermogen, Handboek Wtk 3106.

Wijzigt Regeling bestuurderskredieten, Handboek Wtk 3206.

Wijzigt Beleidsregels media, Handboek Wtk 3210.

Wijzigt Regeling afgeschermde rekeningen, Handboek Wtk 3211.

Wijzigt Regeling organisatie en beheersing, Handboek Wtk 4201.

Wijzigt Begrippen en definities, Handboek Wtk 9001.