Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002

Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002

Het Bestuur van het Productschap Vee en Vlees heeft,

op 10 juli 2002 vastgesteld de navolgende

VERORDENING

Artikel

1

In deze verordening worden de begripsbepalingen van de Regeling identificatie en registratie van dieren 2002 (Staatscourant 28 december 2001) overgenomen en verstaat daarnaast onder:

1.

productschap:

het Productschap Vee en Vlees;

2.

voorzitter:

de voorzitter van het productschap;

3.

vaccinatiebon:

een door of namens het Bestuur ter beschikking gesteld document, waarvan het model door het Bestuur is vastgesteld, en dat tenminste betrekking heeft op:

– de persoonsgegevens van de betrokken ondernemer;

– het UBN van de desbetreffende vestiging;

– de datum, alsmede het begin- en eindtijdstip van de vaccinatiewerkzaamheden;

– het aantal gevaccineerde dieren per diersoort;

– de merknaam en het chargenummer van de gebruikte entstof;

– de naam van de betrokken dierenarts.

4.

varken:

dier behorende tot de familie der Suidae Gray 1821;

5.

onderneming:

een onderneming waarin de varkenshouderij wordt uitgeoefend;

6.

ondernemer:

de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Als entingen tegen de ziekte van Aujeszky, bedoeld in deze verordening, gelden slechts die entingen, die verricht zijn met bij of krachtens het Besluit Gebruik Sera en Entstoffen (Stb. 1996, 217, zoals dit laatstelijk is gewijzigd) aangewezen entstoffen.

Artikel

5

Het is de ondernemer verboden de op zijn vestiging aanwezige varkens te doen enten tegen de ziekte van Aujeszky op andere wijze dan overeenkomstig de op grond van artikel 2 vastgestelde entschema's, dan wel overeenkomstig aan een verleende ontheffing, als bedoeld in artikel 10, verbonden voorwaarden.

Artikel

6

Artikel

7

Iedere ondernemer is verplicht bij afvoer van een of meer varkens van zijn bedrijf een geldige verklaring van een erkend certificeringssysteem, bedoeld in artikel 6, te hechten aan de in artikel 2 van de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993 bedoelde verklaring. In de geldige verklaring, bedoeld in de vorige volzin, moet de status van het bedrijf betreffende de Ziekte van Aujeszky worden vermeld en moet worden verklaard dat de varkens afkomstig zijn van een bedrijf van een ondernemer die deelneemt aan een erkend certificeringssysteem, bedoeld in artikel 6.

Artikel

8

De ondernemer is verplicht de daartoe bevoegde ambtenaren alsmede de door of namens de voorzitter aangewezen personen alle medewerking ten behoeve van de uitvoering van deze verordening te verlenen. Deze medewerking kan onder meer beslaan uit het desgevraagd toegang geven tot de vestiging, het ter inzage verstrekken van bescheiden en het verschaffen van inlichtingen.

Artikel

8a

Iedere ondernemer is verplicht bij resultaten van onderzoeken, aanvullende onderzoeken en andere bevindingen die wijzen op een (mogelijke) uitbraak van de Ziekte van Aujeszky, hiervan onverwijld melding te doen aan de door het Bestuur aangewezen dienst. Er rust een zware verantwoordelijkheid op de ondernemers om deze melding goed en tijdig aan deze dienst door te geven.

Artikel

8b

Het Bestuur stelt bij besluit een draaiboek vast waarin de te nemen maatregelen bij een (mogelijke) uitbraak van de Ziekte van Aujeszky zijn vastgelegd. Op grond van dit draaiboek kan de voorzitter de volgende maatregelen nemen:

  • In het geval een (mogelijke) uitbraak op een vestiging is geconstateerd, mogen er gedurende een door het Bestuur bepaalde periode geen varkens aangevoerd dan wel afgevoerd worden van deze vestiging.

  • In het geval een (mogelijke) uitbraak op een vestiging is geconstateerd, mogen er gedurende een door het Bestuur bepaalde periode geen varkens aangevoerd dan wel afgevoerd worden van de vestigingen in een straal van 5 kilometer rondom de vestiging waar een (mogelijke) uitbraak is gecontateerd.

  • In het geval dat de uitslag van een onderzoek positief is, maar er nog geen sprake is van een (mogelijke) uitbraak, is er zolang er geen uitslag van aanvullend onderzoek bekend is geen afvoer van varkens vanaf de desbetreffende vestiging toegestaan.

  • Na een periode waarin geen afvoer is toegestaan is zolang een onderneming niet Aujeszky-vrij is verklaard en Aujeszky-vrij is gecertificeerd van de desbetreffende vestiging(en) van de onderneming uitsluitend afvoer van varkens naar het slachthuis toegestaan.

  • In het geval van een (mogelijke) uitbraak is de ondernemer verplicht de varkens op diens vestiging(en) waar een (mogelijke) uitbraak is geconstateerd (aanvullend) te doen vaccineren volgens een door het Bestuur vastgesteld schema.

  • In het geval er een (mogelijke) uitbraak is geconstateerd is de ondernemer verplicht de varkens op diens vestiging(en) binnen het gebied met een straal van 5 kilometer rond een (mogelijke) uitbraak te doen vaccineren volgens een door het Bestuur vastgesteld schema.

Artikel

9

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

11a

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

De Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2000 wordt ingetrokken.

Artikel

15

Voor het Bestuur,
J.J. Ramekers voorzitter
S.B.M. Jongerius secretaris

Goedgekeurd door de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad bij besluit van 29 augustus 2002 en door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bij beschikking van 10 november 2002, nr. TRCJZ/2002/8076.

Bijlage

Een certificeringssysteem dat erkend wil worden in het kader van deze verordening dient te voldoen aan de volgende criteria.

I

Voorschriften met betrekking tot de afwezigheid van Ziekte van Aujeszky

Het certificeringssysteem schrijft voor dat:

  • 1.

    een ondernemer kan deelnemen aan het certificeringssysteem door middel van het indienen van een aanvraagformulier bij de eigenaar van het certificeringssysteem;

  • 2.

    een ondernemer alleen wordt toegelaten indien is aangetoond door middel van voorgeschreven onderzoeksmethoden dat zijn bedrijf vrij is van de Ziekte van Aujeszky en dat hij een jaar voor de datum van de aanvraag tot deelname niet heeft deelgenomen aan een ander certificeringssysteem;

  • 3.

    een ondernemer na toelating tot het systeem zich er tenminste toe verbindt dat;

    • a.

      hij de aangewezen controle-instelling(en) en/of personen te allen tijde toegang geeft of doet geven tot zijn bedrijfsruimten;

    • b.

      hij toestaat dat controleurs van de aangewezen controle-instelling(en) monsters nemen en alsdan de gevorderde medewerking overeenkomstig de aanwijzingen en onder toezicht van die controleurs verleent;

    • c.

      hij toestaat dat de in onderdeel b. bedoelde monsters door een laboratorium worden geanalyseerd;

    • d.

      hij toestaat dat de in onderdeel b. bedoelde monsters kunnen worden afgegeven aan de Algemene Inspectiedienst ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek.

  • 4.

    een ondernemer zich ertoe verbindt zich te houden aan de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002 en de vigerende regelgeving met betrekking tot de identificatie en registratie van varkens;

  • 5.

    een deelnemer verplicht is bij verdenking van de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky op zijn bedrijf binnen een werkdag de eigenaar of beheerder van het certificeringssysteem in te lichten;

  • 6.

    een deelnemer slechts is toegestaan varkens te ontvangen die afkomstig zijn:

    • a.

      van een bedrijf met een Aujeszky-vrije status, of

    • b.

      van een bedrijf dat tenminste deze status bereikt voor of gelijktijdig met het bedrijf van de deelnemer, of

    • c.

      van een bedrijf dat niet voldoet aan het gestelde in a of b, op voorwaarde dat de aanvoer plaatsvindt via een invoegstal, waarbij strikte all in - all out wordt toegepast en alle varkens voor aanvoer en na tenminste 21 dagen verblijf in de toevoegstal gE-sero-negatief bevonden zijn, of

    • d.

      van een bedrijf uit een lidstaat of een derde land.

II

Criteria met betrekking tot de minimale controle-frequentie

De controle op de aanwezigheid van de Ziekte van Aujeszky dient minimaal plaats te vinden volgens het volgende bemonsteringsschema:

1

Het onderzoek op (sub)fokbedrijven, vermeerderingsbedrijven en K.I.-stations.

1.1

Screeningsonderzoek

Het aantal te onderzoeken monsters is afhankelijk van de bedrijfsgrootte en is aangegeven in tabel 1. Het screeningsonderzoek kan op de volgende manieren plaatsvinden.

1.1.a

Steekproefsgewijs

Het onderzoek van biestmonsters, serum of volbloed dat wordt uitgevoerd, nadat het bedrijf kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor het Aujeszky-vrij certificaat gebeurt steekproefsgewijs. De monsters worden onderzocht op de aanwezigheid van antilichamen tegen gE door middel van een gevalideerde test door een Ster-in, of gelijkwaardig systeem, erkend laboratorium. In een periode van 8 maanden volgend op de acceptatie van de aanvraag worden met intervallen van 4 maanden drie steekproeven van de populatie zeugen en/of beren genomen.

1.1.b

Continue biestbemonstering

Een andere mogelijkheid is continue biestbemonstering van alle kraamzeugen van kleinere bedrijven. Dit dient gedurende 8 maanden plaats te vinden, tenzij tenminste 3 maanden voor de start van de biestbemonsteringen een steekproef zoals vermeld in tabel 2 heeft plaatsgevonden. In het laatste geval kan volstaan worden met éénmalig van alle zeugen een biestmonster te onderzoeken.

1.1.c

Totaal onderzoek

Alle zeugen (na 1ste dekking) en/of alle beren worden gelijktijdig of met een tussenperiode van maximaal 1 maand onderzocht.

1.2

Controle-onderzoek

Het controle-onderzoek wordt uitgevoerd nadat de Aujeszky-vrij status is bereikt. Het aantal te onderzoeken monsters is afhankelijk van de bedrijfsgrootte en is aangegeven in tabel 1.

Met intervallen van 4 maanden wordt een steekproef van de populatie zeugen en beren onderzocht.

Een andere mogelijkheid voor kleinere bedrijven is continue biestbemonstering van de helft van alle kraamzeugen. De monsters worden onderzocht op een Ster-in, of gelijkwaardig systeem, erkend laboratorium.

Tabel 1 Aantal te verzamelen monsters bij (sub)fokbedrijven, vermeerderingsbedrijven en K.I.-stations bij diverse bedrijfsgrootten tijdens screenings- en controle-onderzoeken.

tot 80

alle tot 40

tot. 120 zeugen het

81 tot 150

50

schema volgens tabel 2.

151 tot 1200

60

Daarboven maximaal 12 monsters per 4 maanden

meer dan 1200

5%

Tabel 2 Minimale steekproef hij eerste bemonstering

tot 10

alle dieren tot max. 7

11-30

9

31-120

10

>120

12

2

Het onderzoek op bedrijven met opfokvarkens

2.1

Screeningsonderzoek

Het onderzoek van serum en/of volbloedmonsters dat wordt uitgevoerd nadat het opfokbedrijf, of gecombineerde (sub)fok-/opfokbedrijf heeft kenbaar gemaakt in aanmerking te willen komen voor het Aujeczky-vrij (overgangs-)certificaat ten behoeve van de af te leveren fokvarkens.

2.1.1

Het screeningsonderzoek van opfokvarkens afkomstig van bedrijven welke bij de start nog niet deelnemen aan een Aujeszky-vrij certificaat-regeling (=overgangsregeling ).

Gedurende een tijdvak van tenminste 8 maanden doch maximaal 1 jaar worden elke maand opeenvolgende leeftijdsgroepen opfokvarkens aan het eind van de opfok onderzocht. Het onderzoek vindt plaats minimaal 2 weken en maximaal 6 weken voor afleveren.

Bij toepassing van bedrijfs all in - all out dient het onderzoek minimaal 3 keer uitgevoerd te worden. Per monstername dient 20% van de opfokvarkens in de betreffende leeftijdsklasse bemonsterd te worden, doch minimaal 20 en maximaal 60 varkens. De monsters worden onderzocht op de aanwezigheid van antilichamen tegen gE.

2.1.2

Het screeningsonderzoek van opfokvarkens afkomstig van bedrijven welke deel nemen aan een Aujeszky-vrij certificaat-regeling.

a

Screeningsonderzoek steekproefsgewijs

Binnen een tijdvak van maximaal een jaar, volgend op de acceptatie van de aanvraag, wordt in elk van 3 perioden van 4 maanden een steekproef van de totale groep opfokvarkens genomen. Van elke afdeling worden 5 dieren bemonsterd. De monsters worden onderzocht op de aanwezigheid van antilichamen tegen gE.

Het minimum aantal monsters wordt bepaald volgens tabel 3.

Tabel 3 Minimale steekproefgrootte

tot.10

alle dieren tot max. 7

11-30

9

31-120

10

>120

12

b

Screeningsonderzoek van alle opfokdieren gelijktijdig

Op kleinere bedrijven met opfokvarkens kunnen alle dieren gelijktijdig onderzocht worden.

2.1.3

Het screeningsonderzoek van opfokvarkens van bedrijven die bedrijfs all-in/all-out toepassen en daarbij dieren ontvangen van bedrijven die in het bezit zijn van een Aujeszky-vrij certificaat.

Het onderzoek vermeld onder 2.1.2. wordt uitgevoerd met dien verstande dat na de eerste bemonstering (alle monsters gE-negatief) een Aujeszky-vrij certificaat toegekend kan worden.

2.2

Controle-onderzoek

2.2.1

Het controle-onderzoek van opfokvarkens afkomstig van bedrijven die aanvoeren van die niet in het bezit zijn van een Aujezsky-vrij certificaat (overgangsregeling).

Het controle-onderzoek vindt elke maand plaats zoals vermeld onder 2.1.1.

2.2.2

Het controle-onderzoek van opfokvarkens afkomstig van bedrijven die aanvoeren van fokbedrijven die in het bezit zijn van een Aujezky-vrij certificaat.

Het controle-onderzoek vindt éénmaal per periode van 4 maanden plaats. Van elke afdeling worden 5 varkens bemonsterd, met een maximum van 4 afdelingen. De afdelingen met de oudste dieren worden bemonsterd.

Het onderzoek op bedrijven met vleesvarkens

Deelname aan een Aujeszky-vrij certificaatregeling is alleen mogelijk voor bedrijven die uitsluitend biggen opleggen afkomstig van bedrijven die beschikken over een Aujeszky-vrij certificaat.

3.1

Screeningsonderzoek.

  • a.

    Het screeningsonderzoek wordt uitgevoerd nadat het bedrijf kenbaar heeft gemaakt in aanmerking te willen komen voor een Aujeszky-vrij certificaat. Gedurende een periode van maximaal 12 maanden worden een drietal onderzoeken uitgevoerd.

    Het aantal serum en/of volbloedmonsters komt overeen met het aantal monsters volgens het schema van tabel 4. Het eerste en tweede onderzoek moet indien mogelijk in meerdere afdelingen worden uitgevoerd. De tussentijd tussen het tweede en derde onderzoek is minimaal 1 maand. Het derde onderzoek wordt uitgevoerd in alle afdelingen met vleesvarkens ouder dan 15 weken. Van iedere afdeling worden 5 dieren bemonsterd (met een minimum volgens tabel 4, indien sprake is van slechts 1 afdeling). Alle monsters worden onderzocht op antilichamen tegen gE.

    Indien bedrijfs all-in/all-out uitgevoerd wordt kan na éénmalige bemonstering van 5 dieren per afdeling dieren (ouder dan 15 weken) met een minimum aantal dieren volgens tabel 4, het bedrijf in aanmerking komen voor een Aujeszky-vrij certificaat.

    Tabel 4. Minimale steekproefgrootte

    aantal dieren

    aantal bloedmonsters

    tot 10

    alle dieren tot max. 7

    11-30

    9

    31-120

    10

    >120

    12

  • b.

    Voor bedrijven die gedurende ten minste 12 maanden uitsluitend dieren hebben aangevoerd afkomstig van gecertificeerd-vrije bedrijven, en dit ten genoege van de beheerder van het certificeringssysteem aantonen, kan direct worden uitgegaan van de bemonstering zoals hierna vermeld onder 3.2, op voorwaarde dat het Aujeszky onderzoek op de laatste 2 series RBD monsters van het vleesvarkens bedrijf negatief was.

3.2

Controle-onderzoek

Het controle-onderzoek vindt één maal per 4 maanden volgens de systematiek van tabel 5 plaats.

Tabel 5 Steekproefgrootte

tot 10

all dieren tot max. 7

11-30

9

31-120

10

>120

12

4

Het onderzoek op bedrijven met meerdere categorieën varkens.

4.1

Screeningsonderzoek

Voor bedrijven waar zeugen, opfokdieren en vleesvarkens dan wel een combinatie van deze categorieën worden gehouden geldt dat alle categorieën in de bemonstering worden betrokken. Voor bedrijven met zeugen en opfokdieren of voor bedrijven met zeugen en vleesvarkens, en voor bedrijven met alle drie de categorieën geldt dat de aantallen monsters in het screeningsonderzoek worden opgeteld.

4.2

Controle-onderzoek

Voor bedrijven met zeugen en opfokdieren danwel met zeugen en vleesvarkens gelden bij het controle-onderzoek in principe de bemonsteringsschema’s voor de individuele diercategorieën tot een maximum van 20 monsters per bedrijf. Indien het gestelde maximum dient te worden bemonsterd, is het bemonsteringsschema voor de vleesvarkens danwel dat van de opfokvarkens leidend tot een maximum van 12 monsters voor de betreffende diercategorie, hetgeen verder wordt aangevuld met monsters van de zeugen.

Voor bedrijven met alle drie de diercategorieën gelden bij het controle-onderzoek in principe de bemonsteringsschema’s voor de individuele diercategorieën tot een maximum van 24 monsters per bedrijf. Indien het gestelde maximum dient te worden bemonsterd, is het bemonsteringsschema voor de vleesvarkens leidend tot een maximum van 12 monsters voor deze diercategorie, waarbij het resterend aantal monsters naar rato wordt verdeeld over de zeugen en opfokdieren.

5

Overtesten

Het opnieuw testen van bepaalde monsters. Dit dient plaats te vinden indien bij controle-onderzoek positieve uitslagen worden vastgesteld. De uitslag hiervan wordt als einduitslag genomen.

6

Verificatie-onderzoek

Het onderzoeken van een steekproef van de varkenspopulatie nadat twijfel is gerezen ten aanzien van de Aujeszky-vrij status van het bedrijf.

Van twijfel is sprake als:

  • a.

    één of meer varkens bij screenings- resp. controle-onderzoek en bij overtesten gE-seropositief zijn bevonden;

  • b.

    wildvirus van de ziekte van Aujeszky is geïsoleerd uit sectiemateriaal afkomstig van een deelnemend bedrijf;

De steekproefgrootte is gelijk aan die bij het screeningsonderzoek, zoals vermeld in de punten 1 en 2 van deze bijlage. Het onderzoek vindt steeds plaats op serummonsters.

7

Het borgingsonderzoek

In het kader van de borging dient bij aanmelding ter verkrijging van het certificaat, bij de formele afgifte van het certificaat, steekproefsgewijs een bedrijfsbezoek plaatsvinden, Hierbij vindt een controle plaats van de technische administratie. Verder vindt op alle bedrijven genoemd onder punt 1 van deze bijlage een controle plaats van de gE-status van 12 varkens.

Tevens vindt controle van de ingestuurde monsters op de correctheid van de monstername plaats door middel van aanvullende werkvoorschriften.

8

Bewaken van de gE-status van een toeleverend bedrijf naar een opfokbedrijf dat aan de overgangsregeling deelneemt.

Het, in het kader van het uitvoeren van een Aujeszky-bedrijfssaneringsprogramma, regelmatig bepalen van de gE-status van een bedrijf door middel van het gelijktijdig met de RBD-onderzoeken uitvoeren van het Aujeszky onderzoek. Het aantal te onderzoeken monsters is afhankelijk van de grootte van de zeugenpopulatie en is aangegeven in tabel 2.

III

Voorschriften met betrekking tot de administratie

Het certificeringssysteem schrijft voor dat een deelnemer een deugdelijke administratie dient bij te houden waarin de volgende gegevens zijn opgenomen:

  • 1.

    vaststelling van identificatienummers, werpdata, data monstername en uitslagen gE-onderzoek;

  • 2.

    per varken: de oplegdatum, leeftijd bij opleg, data waarop is geënt tegen de Ziekte van Aujeszky en de ligplaats op het bedrijf;

  • 3.

    de overeenkomst of bevestiging van de erkenning en/of het certificaat van deelname aan het certificeringssysteem;

  • 4.

    de geldige verklaring bedoeld in artikel 2 van de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993 en de geldige verklaring als bedoeld in artikel 7 van de Verordening bestrijding Ziekte van Aujeszky 2002.