Artikel
1
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen;
het bevoegd gezag van een instelling als bedoeld in de artikelen 1.3.1- met uitzondering van een AOC, 12.3.8 en 12.3.9 van de wet;
-
een functie waarvoor een bewijs van bekwaamheid als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onderdeel b, ten eerste, van de wet vereist is;
-
een functie als onderwijsassistent-BVE;
-
een functie als instructeur-BVE;
door het bevoegd gezag als docent, onderwijsassistent BVE of instructeur BVE benoemd personeel;
de BVE Raad genoemd in de Kaderregeling subsidiëring BVE Raad;
het eigen onderwijspersoneelslid dat een duale opleiding volgt;
economische vakken, beroepsgerichte vakken in de techniek alsmede vakken waarvan het bevoegd gezag aannemelijk maakt dat zij haar vacatures in deze vakken moeilijk kan vervullen;
een cursus gericht op het behalen van een bewijs van voldoende didactische bekwaamheid als bedoeld in de Regeling aanwijzing bewijzen van voldoende didactische bekwaamheid in de bve-sector;
de feitelijke loonkosten van het bevoegd gezag voor de student-werknemer voor het deel van de werktijd dat hij in het kader van een duale opleiding, als bedoeld in artikel 3, is vrijgesteld om een opleiding te volgen tot een maximum van 8 uur per week, bij een normjaartaak van 1659 uur.