Regeling van 17 december 2002 houdende regels voor lozingen van afvalwater afkomstig van de reiniging van rookgassen

Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Gelet op richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332), de artikelen 2a, 2c, tweede lid, en 2d van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de artikelen 8.44, 8.45 en 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer;

Besluiten:

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    afvalverbrandingsinstallatie: technische eenheid waarin bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater wordt gezuiverd en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor:

    • 1°.

      de verbranding door oxidatie van afvalstoffen,

    • 2°.

      een andere thermische behandeling van afvalstoffen dan bedoeld onder 1° ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand, of

    • 3°.

      de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling van afvalstoffen;

  • b.

    meeverbrandingsinstallatie: technische eenheid waarin bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater wordt gezuiverd en die in hoofdzaak is bestemd voor de opwekking van energie of de vervaardiging van producten en waarin afvalstoffen of de producten van thermische behandeling als brandstof worden gebruikt of afvalstoffen thermisch worden behandeld ten behoeve van verwijdering;

  • c.

    verbrandingsinstallatie: afvalverbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie;

  • d.

    afvalwaterzuiveringsinrichting: afvalwaterzuiveringsinrichting waarin bij de reiniging van rookgassen ontstaan afvalwater wordt gezuiverd en welke geen deel uitmaakt van een verbrandingsinstallatie;

  • e.

    beheerder: degene die een inrichting drijft waarbinnen zich een verbrandingsinstallatie bevindt dan wel degene die een afvalwaterzuiveringsinrichting beheert;

  • f.

    Wtw-bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet;

  • g.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen;

  • h.

    verlener van een vergunning: Wtw-bevoegd gezag of bevoegd gezag;

  • i.

    lozen: brengen van:

    • 1°.

      stoffen in een oppervlaktewaterlichaam;

    • 2°.

      afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel, een openbaar ontwateringstelsel, een openbaar vuilwaterriool of een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, of

    • 3°.

      stoffen op een zuiveringtechnisch werk met behulp van een werk niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Artikel

2

Deze regeling is niet van toepassing op:

  • a.

    verbrandingsinstallaties voor het thermisch behandelen onderscheidenlijk het verbranden van producten van thermische behandeling, van uitsluitend:

    • 1°.

      plantaardige afvalstoffen die ontstaan zijn bij de uitoefening van land- of bosbouw;

    • 2°.

      plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van de levensmiddelenindustrie indien de als gevolg van de thermische behandeling van zodanige afvalstoffen opgewekte warmte wordt teruggewonnen;

    • 3°.

      vezelachtig afvalstoffen die ontstaan zijn bij de vervaardiging van ruwe pulp of de vervaardiging van papier uit pulp, indien zodanige afvalstoffen op de plaats waar zij zijn ontstaan, thermisch worden behandeld en de als gevolg daarvan opgewekte warmte wordt teruggewonnen;

    • 4°.

      afvalstoffen bestaande uit hout dat niet als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of aanbrenging van een beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten;

    • 5°.

      afvalstoffen bestaande uit kurk;

    • 6°.

      radioactieve afvalstoffen;

    • 7°.

      geslachte dieren als bedoeld in richtlijn nr. 90/667/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1990 betreffende de vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de verwijdering en verwerking van dierlijke afvallen en ter voorkoming van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders van dierlijke oorsprong (vissen daaronder begrepen) en tot wijziging van richtlijn nr. 90/445/EEG (PbEG L 363), en

    • 8°.

      afvalstoffen die ontstaan zijn bij de exploratie en exploitatie van olie- en gasbronnen vanaf een installatie in zee en die aan boord van die installatie worden verbrand;

  • b.

    experimentele verbrandingsinstallaties voor onderzoek, ontwikkeling en tests ter verbetering van het verbrandingsproces waarin per jaar minder dan 50.000 kilogram afvalstoffen wordt verwerkt;

  • c.

    het verbranden van gasvormige afvalstoffen, met uitzondering van gasvormige afvalstoffen die het resultaat zijn van een thermische behandeling van afvalstoffen;

  • d.

    afvalwaterzuiveringsinrichtingen waarin afvalwater wordt gezuiverd afkomstig van de onder a, b en c bedoelde verbrandingsinstallaties.

§

2

Instructie aan de verlener van een vergunning

Artikel

3

Vervallen

Artikel

4

Artikel

5

Het Wtw-bevoegd gezag stelt in de vergunning voor het lozen operationele parameters vast voor ten minste pH, temperatuur en debiet.

Artikel

6

§

3

Algemene regels

Artikel

8

Afvalwater wordt niet verdund om aan de in artikel 4 bedoelde grenswaarden te voldoen.

Artikel

9

Artikel

10

Aan de in artikel 4 bedoelde grenswaarden wordt voldaan indien:

  • a.

    bij metingen van de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen 95% en 100% van de meetwaarden de daarvoor in de vergunning gestelde respectieve grenswaarden niet overschrijden;

  • b.

    bij metingen van zware metalen niet meer dan eenmaal per jaar de daarvoor in de vergunning gestelde grenswaarden overschreden worden, en

  • c.

    bij de halfjaarlijkse metingen van dioxinen en furanen de daarvoor in de vergunning gestelde grenswaarden niet overschreden worden.

Artikel

11

Indien uit de verrichte metingen blijkt dat de in de vergunning gestelde grenswaarden zijn overschreden stelt de beheerder de verlener van de vergunning daarvan onverwijld in kennis.

Artikel

12

De beheerder controleert ten minste een maal per kalenderjaar door middel van een verificatietest of de automatische apparatuur voor de bewaking van de emissies in het water goed functioneert en draagt er zorg voor dat deze apparatuur ten minste een maal per drie kalenderjaren wordt gekalibreerd overeenkomstig artikel 10, derde lid, en bijlage III, onderdeel 2, van richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332) door een instantie die blijkens accreditatie aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025:2000.

Artikel

13

§

4

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

14

Een wijziging van richtlijn nr. 90/667/EEG, genoemd in artikel 2, tweede lid, onder 7°, en richtlijn 2000/76/EG, genoemd in artikel 12, gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel

15

Wijzigt de Regeling verbranden gevaarlijke afvalstoffen.

Artikel

16

Deze regeling treedt in werking met ingang van 28 december 2002.

Artikel

17

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; M.H. Schultz van Haegen.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. van Geel.

Bijlage

1

A. Grenswaarden voor lozingen van afvalwater afkomstig van de reiniging van rookgassen als bedoeld in artikel 4 van de Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging.

1

Totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen

95%

30 mg/l

100%

45 mg/l

2

Kwik en de verbindingen daarvan, uitgedrukt in kwik (Hg)

0,03 mg/l

3

Cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt in cadmium (Cd)

0,05 mg/l

4

Thallium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt in thallium (Tl)

0,05 mg/l

5

Arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt in arseen (As)

0,15 mg/l

6

Lood en de verbindingen daarvan, uitgedrukt in lood (Pb)

0,2 mg/l

7

Chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt in chroom (Cr)

0,5 mg/l

8

Koper en de verbindingen daarvan, uitgedrukt in koper (Cu)

0,5 mg/l

9

Nikkel en de verbindingen daarvan, uitgedrukt in nikkel (Ni)

0,5 mg/l

10

Zink en de verbindingen daarvan, uitgedrukt in zink (Zn)

1,5 mg/l

11

Dioxinen en furanen, gedefinieerd als de som van de afzonderlijke dioxinen en furanen, gewogen overeenkomstig onderdeel B van deze bijlage

0,3 ng/l

B

Equivalentiefactoren voor dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen

Bij de bepaling van de totale concentratie (TE) van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van de volgende dioxinen en dibenzofuranen vóór het optellen met de daarnaast genoemde equivalentiefactoren vermenigvuldigd:

2, 3, 7, 8

Tetrachloordibenzodioxine (TCDD)

1

1, 2, 3, 7, 8

Pentachloordibenzodioxine (PeCDD)

0,5

1, 2, 3, 4, 7, 8

Hexachloordibenzodioxine (HxCDD)

0,1

1, 2, 3, 6, 7, 8

Hexachloordibenzodioxine (HxCDD)

0,1

1, 2, 3, 7, 8, 9

Hexachloordibenzodioxine (HxCDD)

0,1

1, 2, 3, 4, 6, 7, 8

Heptachloordibenzodioxine (HpCDD)

0,01

Octachloordibenzodioxine (OCDD)

0,001

2, 3, 7, 8

Tetrachloordibenzofuraan (TCDF)

0,1

2, 3, 4, 7, 8

Pentachloordibenzofuraan (PeCDF)

0,5

1, 2, 3, 7, 8

Pentachloordibenzofuraan (PeCDF)

0,05

1, 2, 3, 4, 7, 8

Hexachloordibenzofuraan (HxCDF)

0,1

1, 2, 3, 6, 7, 8

Hexachloordibenzofuraan (HxCDF)

0,1

1, 2, 3, 7, 8, 9

Hexachloordibenzofuraan (HxCDF)

0,1

2, 3, 4, 6, 7, 8

Hexachloordibenzofuraan (HxCDF)

0,1

1, 2, 3, 4, 6, 7, 8

Heptachloordibenzofuraan (HpCDF)

0,01

1, 2, 3, 4, 7, 8, 9

Heptachloordibenzofuraan (HpCDF)

0,01

Octachloordibenzofuraan (OCDF)

0,001

Bijlage

2

Te hanteren normen voor de bemonstering en analyse van verontreinigende stoffen als bedoeld in artikel 6 van de Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging.

1.

Op de bemonstering van verontreinigende stoffen is het door het Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven normblad NEN 6600-1 van toepassing.

2.

Opsomming per parameter van de van toepassing zijnde analysemethoden, opgenomen in de hieronder genoemde, door het Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven normbladen.

onopgeloste bestanddelen

NEN 6621

kwik

NEN-EN 1483

cadmium

NEN 6452, NEN 6458

thallium

NEN 6426; ontsluiting NEN 6961

arseen

NEN 6426, NEN 6432; ontsluiting NEN 6961

lood

NEN 6426, NEN 6429; ontsluiting NEN 6961

chroom

NEN 6426, NEN 6444; ontsluiting NEN 6961

koper

NEN 6426, NEN 6454; ontsluiting NEN 6961

nikkel

NEN 6426, NEN 6430; ontsluiting NEN 6961

zink

NEN 6426, NEN 6443; ontsluiting NEN 6961

3.

De analyse van dioxinen en furanen wordt uitgevoerd door middel van dubbelkoloms gaschromatografie (GC) gekoppeld aan massaspectrometrie (MS).

Zowel de waterfase als het zwevende stof worden op dioxinen en furanen geanalyseerd. Voor het bepalen van de recovery van de analysetechniek wordt gebruik gemaakt van gelabelde interne standaards.

De onder 1 en 2 opgenomen verwijzingen naar een NEN-norm hebben betrekking op de laatst uitgegeven NEN-norm met de daarop uitgegeven aanvullingen en correctiebladen. Een uitgegeven norm, aanvulling respectievelijk correctieblad, wordt eerst van toepassing één jaar na de datum van uitgifte ervan.