Verordening van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten van 6 februari 2003 houdende regels ter zake van snijkoek (Verordening GZP snijkoek 2003)

Verordening GZP snijkoek 2003

Het bestuur van het Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten;

Besluit:

§

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.

productschap

:

Productschap Granen, Zaden en Peulvruchten;

b.

snijkoek

:

een bakkerswaar die de kenmerken heeft van bekend zijnde snijkoeksoorten zoals ontbijtkoek, peperkoek, kandijkoek, honingkoek, gemberkoek, vruchtenkoek, Groningerkoek, Friese koek, oude wijvenkoek, alsmede die bakkerswaren die zijn aangeduid met de naam snijkoek;

c.

%

:

massapercentage.

§

2

Productbepalingen

Artikel

2

Het is degene die een onderneming drijft waarvoor het productschap is ingesteld, slechts toegestaan snijkoek te verhandelen, ter verzending of ten verkoop in voorraad te hebben of af te leveren indien wordt voldaan aan de in de verordening gestelde eisen.

Artikel

3

Artikel

4

De snijkoek als bedoeld in artikel 3 lid 1, moet bereid zijn uit een deeg dat naar gewicht is samengesteld met tenminste evenveel zoetende bestanddelen met 20% vocht als zetmeel houdende bestanddelen met 15% vocht.

Artikel

5

De zetmeel houdende bestanddelen als bedoeld in artikel 4, moeten voor tenminste 50% van roggebloem afkomstig zijn.

Artikel

6

Artikel

7

Indien de snijkoek als bedoeld in artikel 3 lid 1 wordt voorzien van de benaming "kandijkoek" moet de waar voor tenminste 6½% bestaan uit kandij en/of gekristalliseerde suikers in de vorm van grein, nibs en/of chips.

Artikel

8

Indien de snijkoek als bedoeld in artikel 3 lid 1 wordt voorzien van de benaming "honingkoek", moet de waar voor tenminste 25% uit honing bestaan.

Artikel

9

Indien de snijkoek als bedoeld in artikel 3 lid 1 wordt voorzien van de benaming "gemberkoek", moet de waar tenminste 15% gember bevatten, waarvan tenminste de helft bij analyse duidelijk met het oog waarneembaar is.

Artikel

10

Indien de snijkoek als bedoeld in artikel 3 lid 1 wordt voorzien van de benaming "vruchtenkoek", moet de waar tenminste 20% vruchten bevatten. Ingeval uitsluitend citrusvruchten zijn verwerkt, moet de waar tenminste 10% citrusvruchten bevatten.

Artikel

11

Het vochtgehalte van de snijkoek als bedoeld in artikel 3 lid 1 moet minimaal 19% af- productiebedrijf bedragen.

Voor de bepaling van het vochtgehalte moet gebruik worden gemaakt van de methode van onderzoek zoals deze in bijlage II is aangegeven.

§

3

Aanduidingen

Artikel

12

§

4

Slotbepalingen

Artikel

13

Deze verordening is mede verbindend voor andere natuurlijke en rechtspersonen dan de in artikel 102, eerste lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie bedoelde natuurlijke en rechtspersonen, voor zover deze handelingen verrichten, die bedrijfsmatig in ondernemingen waarvoor het productschap is ingesteld plegen te worden verricht.

Artikel

15

Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

16

De Verordening GZP snijkoek 1983 wordt ingetrokken.

Artikel

17

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening GZP snijkoek 2003.

Den Haag
J.H.M. Kienhuis voorzitter
M. Elema secretaris

Goedgekeurd door de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad bij besluit van 4 december 2003 en door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij beschikking van 6 november 2003, nr. TRCJZ/2003/2621.

De verordening is op 24 juni 2003 ingevolge artikel 8, eerste lid, van de richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217), voorgelegd aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

Bijlage

I

Bepaling van het gehalte aan fructose na zwakke inversie van de in snijkoek aanwezige saccharose (artikel 6, lid 2)

1

Onderwerp en toepassingsgebied

Dit voorschrift beschrijft een methode voor de bepaling van het gehalte aan fructose in snijkoek na zwakke inversie van de aanwezige saccharose.

2

Definitie

Gehalte aan fructose: de hoeveelheid reducerende suikers berekend als fructose, bepaald na hydrolyse met zwak zuur volgens de in dit voorschrift beschreven methode.

3

Beginsel

Andere reducerende suikers dan fructose aanwezig na zwakke hydrolyse worden met natriumhypojodiet geoxideerd, waarna het fructosegehalte wordt bepaald volgens Luff-Schoorl.

4

Reagentia

Alle reagentia dienen van p.a. kwaliteit te zijn. In dit voorschrift wordt onder water verstaan gedestilleerd water of water van gelijkwaardige kwaliteit.

  • 4.1.

    Zoutzuur 30% (m/m) (soortelijke massa bij 20 graden Celsius 1152 kg/m).

    Meng 760 ml zoutzuur 38% (m/m) (soortelijke massa bij 20 graden Celsius 1190 kg/m3) met 240 ml water.

  • 4.2.

    Jodiumoplossing 1 N

    Los 13 gram jodium en 15 gram kaliumjodide op in water en vul aan tot 100 ml.

  • 4.3.

    Zwavelzuur 6 N

    Meng 190 ml zwavelzuur 96% (m/m) (soortelijke massa bij 20 graden Celsius 1837 kg/m3) voorzichtig met 1 liter water.

  • 4.4.

    Natronloog 4 N

    Los 160 g natriumhydroxyde op in 1 liter water.

  • 4.5.

    Zetmeeloplossing 5 g per liter

    Bereid deze oplossing volgens NEN 3102 onder 7.3.

  • 4.6.

    Kaliumjodide-oplossing 1,8 N

    Los 300 g droog kaliumjodide op in water en vul aan tot 1 liter.

  • 4.7.

    Carrez I oplossing, kaliumhexacyanoferraat (II) oplossing 0,25 M

  • Los 106 g K 4Fe(CN)6.3H20 op in water en vul aan tot 1 liter.

  • 4.8.

    Carrez II oplossing, zinkacetaatoplossing 1 M in 0,5 N azijnzuur

    Los 220 g Zn (C2H302)2.2H2Oen 30 g ijsazijn op in water en vul aan tot 1 liter.

  • 4.9.

    Reagens van Luff-SchoorI

    Weeg af:

    86,2 g watervrij natriumcarbonaat (Na2CO3),

    31,3 g natriumwaterstofcarbonaat (NaHCO3),

    70,0 g natriumcitraat (Na3C6H5O7.2H2O), en

    25,0 g koper(ll)sulfaat, fijn poeder (CuSo4.5H2O).

    Meng de droge zouten goed en los het mengsel onder voortdurend roeren op in 800 ml koud water. Vul aan in een maatkolf tot 1 liter. Het reagens moet na vijftigvoudige verdunning een pH hebben een 10 ± 0,2.

    Opmerking 1

    Het te gebruiken natriumcarbonaat moet van te voren op gehalte worden gecontroleerd.

    Opmerking 2

    Voor het snel in oplossing brengen van de zouten kan het gebruik van een trilroerder nuttig zijn.

    Opmerking 3

    Het reagens van Luff-Schoorl kan als volgt worden gecontroleerd. Los 9,500 g zuivere saccharose op in een maatkolf van 500 ml, vul aan en meng.

    Pipetteer hiervan 50 ml in een maatkolf van 500 ml. Voeg toe 15 ml zoutzuur 0,1 N (4.2.). Breng de kolf met inhoud in een kokend waterbad (5.1.) en houd hem gedurende 30 min., gerekend vanaf het ogenblik dat het water weer kookt, half ondergedompeld in het water. Koel daarna in het waterbad (5.3.) snel af tot ongeveer 20 graden Celsius. Neutraliseer met 15 ml natronloog 0,1 N (4.5.).

    Vul aan en meng. Bepaal in 25 ml van deze oplossing de reducerende suikers volgens 6.6. t.e.m.

    6.8. De reductie moet overeenkomen met 19 ± 0,1 ml natriumthiosulfaatoplossing 0,1 N.

  • 4.10.

    Natriumthiosulfaat 0,1 N

    Bereid deze oplossing volgens NEN 3102 onder 10, en stel haar volgens NEN 3103.

  • 4.11.

    Kooksteentjes

    Puimsteenkorrels met een diameter van ongeveer 3 mm of carborundumkorrels met een diameter van ongeveer 1,5 mm.

  • 4.12.

    Methyloranje-oplossing 0,5 per liter

    Bereid deze oplossing volgens NEN 3102 onder 7.1.

  • 4.13.

    Natriurnsulfietoplossing 20%

    Los 20 gram Na2S03.7H2O op in water en vul aan tot 100 ml. Deze oplossing is enige dagen houdbaar.

  • 4.14.

    Natriumsulfietoplossing 2%

    Verdun oplossing 4.1 3. tien maal. Deze oplossing is slechts enkele uren houdbaar. Het is noodzakelijk voor elke bepaling de oplossing vers te bereiden.

5

Apparatuur

Normale laboratoriumapparatuur en de volgende benodigdheden:

  • 5.1.

    Waterbad met kokend water.

  • 5.2.

    Waterbad met thermostaat, instelbaar op 70 ± 1 graad Celsius.

  • 5.3.

    Waterbad waar leidingwater doorheen gevoerd kan worden, teneinde kolven snel af te kunnen koelen.

  • 5.4.

    Terugvloeikoeler, passend op een konische kolf van 300 ml.

  • 5.5.

    Draadgas met asbestring, zodanig dat, indien er een 300 ml konische kolf op geplaatst wordt, en een brander eronder, de kolf alleen aan de onderzijde verhit wordt.

  • 5.6.

    Thermometer 0-110 graden Celsius, schaalverdeling in 1/1 graad Celsius.

  • 5.7.

    Balans met een nauwkeurigheid van 1 mg of beter.

6

Werkwijze

  • 6.1.

    Monstervoorbereiding

    Snij uit het midden van de koek een stuk van ongeveer 100 gram.

    Verwijder de korst1Bij kandijkoek wordt ook de korst met kandij in de analyse betrokken. en snijd de rest in kubusjes met een zijde van ongeveer 1 cm. Droog gedurende tenminste 6 uur bij 60 graden Celsius. Vermaal het materiaal tot een zodanige fijnheid dat alles zeef Imm - NEN 2560 passeert. Bewaar het goed gemengde analysemonster in een luchtdicht afgesloten monsterpot.

    Bepaal het vochtgehalte van het analysemonster in duplo door 5 gram monster te drogen bij 103 graden Celsius tot constant gewicht. Volg hiertoe de werkwijze beschreven in de "Bepaling van het vochtgehalte van snijkoek", te beginnen bij punt 5.5.

    Verricht de bepaling van het fructosegehalte in tweevoud.

  • 6.2.

    Extractie

    Weeg ongeveer 10g van het analysemonster met een precisie van 1 mg.

    Breng deze inweeg in een maatkolf van 250 ml. Voeg ongeveer 175 ml water van ongeveer 50 graden Celsius toe. Laat ongeveer 30 min. staan bij kamertemperatuur; schud af en toe.

  • 6.3.

    Klaring

    Voeg na afkoeling tot ongeveer 20 graden Celsius aan de maatkolf toe

    5 ml Carrez I oplossing (4.7.), schud om, voeg toe 5 ml Carrez II oplossing (4.8.), schud opnieuw flink om en laat bezinken. Voeg enkele druppels methyloranje (4.12.) toe, schud, en voeg vervolgens onder schudden natronloog 4 N (4.4.) toe, tot de kleur oranje is. Vul de maatkolf aan en filtreer.

  • 6.4.

    Hydrolyse

    Pipetteer 10 ml van het filtraat in een maatkolf van 200 ml, pipetteer 1

    ml zoutzuur 30% (4.1.) hierbij, plaats een thermometer (5.6.) in de maatkolf, en plaats de maatkolf in het waterbad van 70 graden Celsius (5.2.). Houd de maatkolf gedurende 10 ± 0,1 min in het waterbad, gere

    kend vanaf het tijdstip, dat de thermometer in de maatkolf 68 graden Celsius aanwijst. Koel de maatkolf af in het bad met stromend water (5.3.). Neem, als de vloeistof afgekoeld is. de thermometer uit de maatkolf, spoel hem af met water en vang dit water op in de maatkolf.

  • 6.5.

    Oxydatie

    Voeg natronloog 4 N (4.4.) druppelsgewijs toe tot de kleur oranje is;

    voeg daarna met een meetpipet nog 5 ml natronloog 4 N toe en zoveel water tot het totale volume aan vloeistof ca 50 ml bedraagt. Voeg onmiddellijk daarna 16 ml jodiumoplossing (4.2.) of zoveel meer als nodig is om een blijvende bruine kleur van het jodium te behouden. Er ontstaat nu soms een neerslag, dat echter geen invloed heeft op het resultaat en niet behoeft te worden afgefiltreerd. Voeg na 5 tot 7 minuten staan met een meetpipet 2 ml zwavelzuur (4.3.) toe. Neem de overmaat jodium weg met natriumsulfietoplossing (4.13.) tot de kleur nog geel is (gewoonlijk is hiervoor 6 tot 10 ml nodig). Voeg 4 à 5 druppels zetmeeloplossing (4.5.) toe en neem de rest van het jodium weg, eerst met 20% natriumsulfiet (4.13.), daarna met 2% natriumsulfiet (4.14.). Spuit vóór het einde van deze bewerking de binnenwand van het kolfje met weinig water af. Als er teveel natriumsulfiet is toegevoegd, kan de overmaat worden weggenomen met hetzij 1 N jodium (4.1.4.) of 0,1 N Jodium. Deze ontkleuring moet de scherpte hebben van een titratie, wat heel gemakkelijk gaat. Voeg vervolgens een paar druppels methyloranje (4.12.) toe en neutraliseer nauwkeurig met natronloog 4 N (4.4.). Koel het kolfje af en vul aan tot 200 ml.

  • 6.6.

    Reductie van reagens van Luff-Schoorl

    Pipetteer uit de maatkolf 25 ml in een konische kolf van 300 ml.

    Pipetteer erbij 25 ml van het reagens van Luff-Schoorl (4.9.).

    Voeg een paar kooksteentjes (4.11.) toe, en verhit de kolf boven een vrije vlam van matige hoogte in ongeveer 2 min tot koken.

    Plaats daarna de kolf op een gereedstaand draadgaas met asbestring (5.5.) waaronder tevoren een vlam is aangestoken, en sluit een terugvloeikoeler (5.4.) aan. Kook, vanaf dit ogenblik gerekend, precies 10 min. Koel direct daana, zonder schudden, af in het bad met stromend water (5.3.).

  • 6.7.

    Titratie

    Voeg aan de vloeistof toe 10 ml kaliumjodide-oplossing (4.6.) en

    terstond daarna voorzichtig 25 ml zwavelzuur (4.3.) Titreer het vrijgekomen jodium met natriumthiosulfaatoplossing (4.10.), op het einde met zetmeeloplossing (4.5.) als indicator, tot roomgeel.

  • 6.8.

    Blanco bepaling

    Voer een blanco bepaling uit volgens 6.6. en 6.7. met water in plaats van het gehydrolyseerde extract.

7

Weergave van de resultaten

  • 7.1.

    Bereken het netto verbruik van natriumthiosulfaat met de formule

    a = 10 x (V1 -V2 ) x T

    waarin:

    a is het netto verbruik in ml van thiosulfaat 0,1 N;

    V 1 is het verbruik in ml van thiosulfaat bij de blanco bepaling (6.8.);

    V 2 is het verbruik in ml van thiosulfaat bij de bepaling met het gehydroliseerde extract (6.7.);

    T is de titer van de natriumthiosulfaatoplossing (4.10).

    Zoek in de tabel de hoeveelheid fructose op, die behoort bij a ml

    thiosulfaat 0,1 N. Noem deze hoeveelheid, in mg, b.

    1

    2,4

    2,4

    12

    30,3

    2,7

    2

    4,8

    2,4

    13

    33,0

    2,7

    3

    7,2

    2,5

    14

    35,7

    2,8

    4

    9,7

    2,5

    15

    38,5

    2,8

    5

    12,2

    2,5

    16

    41,3

    2,9

    6

    14,7

    2,5

    17

    44,2

    2,9

    7

    17,2

    2,6

    18

    47,1

    2,9

    8

    19,8

    2,6

    19

    50,0

    3,0

    9

    22,4

    2,6

    20

    53,0

    3,0

    10

    25,0

    2,6

    21

    56,0

    3,1

    11

    27,6

    2,7

    22

    59,1

    3,1

    12

    30,3

    23

    62,2

  • 7.2.

    Bereken het gehalte aan fructose in de drogestof van het product met de formule:

  • 7.3.

    s = 200 x

    b x

    100

    c

    100 - v

    waarin:

    • s is het gehalte aan fructose in het product, in massaprocenten van de drogestof;

    • b is de hoeveelheid fructose, in mg, afgelezen in de tabel (7.1.);

    • c is de inweeg in grammen (6.2.);

    • v is het vochtgehalte van het product in massaprocenten.

  • 7.3.

    Het verschil tussen de resultaten van een bepaling in tweevoud mag niet meer bedragen dan 0,2% absoluut + 1% van de gemiddelde waarde.

  • 7.4.

    Geef het resultaat op, afgerond op 0,1%.

8

Toetsing aan de els die gesteld is in artikel 6, tweede lid

Indien het fructosegehalte van de snijkoek evenveel of meer bedraagt dan 14,5% van de droge stof van de snijkoek, is voldaan aan de eis die gesteld is in artikel 6, tweede lid. Indien het fructosegehalte van de snijkoek minder bedraagt dan 14,5% van de droge stof van de snijkoek, moet via de receptuur nagegaan worden of toch aan de eis die gesteld is in artikel 6, tweede lid, is voldaan.

Bijlage

II

Bepaling van het vochtgehalte van snijkoek (artikel 11)

1

Onderwerp en toepassingsgebied

Dit voorschrift beschrijft een methode voor de bepaling van het vochtgehalte van snijkoek.

2

Definitie

Vochtgehalte: het massaverlies, in massaprocenten van het product, dat optreedt bij drogen onder de in dit voorschrift beschreven omstandigheden.

3

Beginsel

Bepaling van het massaverlies bij drogen bij 103 graden Celsius tot constant gewicht.

4

Apparatuur

  • 4.1.

    Thermostatisch gecontroleerde droogstoof instelbaar op 60 en 103 graden Celsius, voorzien van een ventilatiesysteem.

  • 4.2.

    Droogschalen van roestbestendig metaal of van glas, voorzien van een deksel. Het nuttige oppervlak moet een verdeling van de inweeg tot maximaal 0,3 g/cm2 mogelijk maken.

  • 4.3.

    Exsiccator voorzien van droog silicagel met vochtindicator of een gelijkwaardig droogmiddel.

  • 4.4.

    Balans met een nauwkeurigheid van 1 mg of beter.

5

Werkwijze

Voer de bepaling in duplo uit.1Het dient aanbeveling om het analysemonster in viervoud in te wegen en twee droogschalen achter te houden. Als de resultaten van de vochtbepaling niet blijken te voldoen aan de eisen van herhaalbaarheid (6.2) kan de bepaling opnieuw worden ingezet. Men hoeft op deze manier niet de restanten van de koek te bewaren.

Verricht alle hieronder aangegeven wegingen met een precisie van 1 mg.

  • 5.1.

    Snij uit het midden van de koek enige sneetjes met een dikte van ca 1 cm.

  • 5.2.

    Weeg de droogschaal (a g), leg er zoveel sneetjes in als overeenkomt met minstens 25 g koek, en weeg opnieuw (b g).

  • 5.3.

    Haal de sneetjes uit de droogschaal en snijd ze in blokjes van ongeveer 1 cm3. Breng de blokjes en kruimels kwantitatief over in de droogschaal.

  • 5.4.

    Plaats de droogschaal met het deksel eronder of ernaast in de op 60 graden Celsius ingestelde droogstoof (4.1.). Droog gedurende ten minste 6 uur.

  • 5.5.

    Stel de droogstoof in op 103 graden Celsius en droog gedurende ca 16 uur, bij voorkeur overnacht. Plaats daarna de droogschaal met het deksel erop in een exsiccator (4.3.), laat hem afkoelen, en weeg.

  • 5.6.

    Plaats de droogschaal opnieuw met het deksel eronder of ernaast in de droogstoof (4.1.), droog gedurende een uur, gerekend vanaf het tijdstip dat de temperatuur van 103 graden Celsius weer bereikt is, laat afkoelen met het deksel erop in de exsiccator (4.3.), en weeg. Herhaal deze bewerkingen, tot het verschil tussen twee opeenvolgende wegingen minder dan 0,001 deel van de inweeg bedraagt.

6

Weergave van de resultaten

  • 6.1.

    Bereken het vochtgehalte met de formule

    v =

    b - c

    x 100

    b - a

    waarin:

    • v is het vochtgehalte in massaprocenten van het product;

    • a is de massa in grammen van de lege en droge droogschaal (5.2.);

    • b is de massa in grammen van de droogschaal met de inweeg (5.2.);

    • c is de massa in grammen van de droogschaal met het gedroogde product; gebruik hiervoor de laagste van de laatste twee wegingen (5.4.).

  • 6.2.

    Het maximaal toelaatbare duploverschil is 0,2 %.

  • 6.3.

    Geef het resultaat op, afgerond op 0,1 %.

Bijlage

III

Toegelaten fout bedoeld in artikel 12, lid 6

Tabel 1

van 100 tot 200

15

-

van 200 tot 300

-

30

van 300 tot 500

10

-

van 500 tot 1.000

-

48

van 1.000 to 10.000

5

-

Tabel 2

van 100 tot 200

12

-

van 200 tot 300

-

24

van 300 tot 500

8

-

van 500 tot 1.000

-

36

van 1.000 to 10.000

4

-

Bijlage

IV

Criteria waaraan een systeem voor controles door de producent op de inhoud van in serie voorverpakte snijkoek moet voldoen, indien de hoeveelheidsaanduiding voorafgegaan wordt door "circa" of "ca". (artikel 12, lid 6)

  • 1.

    Definities

    1.1.

    Gemiddelde (x)

    :

    som der waarnemingen gedeeld door het aantal waarnemingen, waarbij een waarneming een gemeten gewicht is.

    1.2.

    Mediaan

    :

    de waarnemingsuitkomst die qua volgorde precies in het midden staat, wanneer men de waarnemingsuitkomsten in volgorde van afdalende of opklimmende grootte heeft gerangschikt.

    1.3.

    Spreidingsbreedte

    :

    het verschil tussen de hoogste en laagste waarde van de waarnemingen uit de steekproef.

    1.4.

    Standaarddeviatie(s)

    :

    PLAATJE TOEVOEGEN

    waarbij n de steekproefgrootte is en x de waarde van de waarneming.

    1.5.

    Streefgewicht

    :

    het gewicht van de snijkoek, waarbij rekening is gehouden met het noodzakelijke overwicht, dat de producent in acht moet nemen om te voldoen aan de eisen in de Verordening GZP Snijkoek 1982.

    1.6.

    Processtandaarddeviatie (s)

    :

    schatting voor de standaarddeviatie van het proces welke is berekend uit de waarnemingen van tenminste 20 steekproeven van tenminste 5 snijkoeken die op tenminste 5 verschillende dagen zijn genomen m.b.v. de formule

    PLAATJE TOEVOEGEN

    waarbij n is het totaal van de waarnemingen.

    1.7.

    Qn

    :

    nominale hoeveelheid, gewicht dat op de verpakking is aangegeven.

  • 2.

    Per verpakkingslijn en per snijkoeksoort moeten steekproeven genomen worden.

    De steekproefgrootte dient 11 stuks te bedragen.

    De steekproef dient bij een verpakkingssnelheid van de verpakkingsmachine van 2.000 stuks per uur of minder, eenmaal per uur genomen te worden. Bij een verpakkingssnelheid van meer dan 2.000 stuks per uur dient de steekproef twee maal per uur genomen te worden. De gewichten van de snijkoeken uit de steekproef moeten gemeten en genoteerd worden. Tevens dient per steekproef de mediaan en de spreidingsbreedte genoteerd te worden.

    Per productiecharge, die ten hoogste de productie van een dag mag bedragen, moeten het gemiddelde van de medianen en de gemiddelde spreidingsbreedte genoteerd worden.

  • 3.

    Indien de standaardafwijking van het gewicht van de verpakking kleiner is dan 1/16 maal de toegelaten fout (f max) als genoemd in de bijlage III mag het gemiddelde gewicht van de verpakking van het gewicht van de snijkoek die gewogen is in de verpakking, worden afgetrokken. Indien dit niet het geval is dan moet de snijkoek zonder de verpakking worden gewogen.

  • 4.

    De genoteerde gegevens moeten tenminste 1 jaar bewaard worden.

  • 5.

    Per snijkoeksoort dient een streefgewicht bepaald te worden.

    Het streefgewicht dient tenminste de hoogste waarde die verkregen is uit één van de twee volgende formules te bedragen.

    Deze formules zijn

    PLAATJE TOEVOEGEN: BESTAANDE UIT TWEE FORMULES

    N is het aantal snijkoeken dat met steekproeven in één productiecharge is getrokken als monster.

  • 6.

    Er dienen actiegrenzen te worden vastgesteld voor de mediaan van de steekproef. Indien de mediaan van de steekproef beneden de actiegrens komt moeten zodanige maatregelen getroffen worden dat de partij die gevormd is vanaf de vorige steekproef, niet als zodanig in de handel komt. Deze maatregelen dienen genoteerd te worden. De actiegrens bij de mediaan ligt op 0,97 maal de processtandaarddeviatie beneden het streefgewicht dat bepaald is volgens punt 5.

  • 7.

    Het gemiddelde van de medianen van de steekproeven van één productiecharge moet tenminste het nominale gewicht bedragen.

  • 8.

    Er dienen actiegrenzen te worden vastgelegd voor de spreidingsbreedte van een steekproef.

    Indien de spreidingsbreedte van een steekproef boven de actiegrens komt dienen zodanige maatregelen genomen te worden dat de partij die gevormd is vanaf de vorige steekproef niet als zodanig in de handel komt.

    Deze maatregelen dienen genoteerd te worden. De actiegrens voor de spreidingsbreedte ligt op 6,1 maal de processtandaarddeviatie.

  • 9.

    Van de eisen die in de punten 1 t/m 8 gesteld zijn, mag worden afgeweken indien aangetoond kan worden aan de controlerende instanties dat een bedrijfscontrole-systeem gehanteerd wordt waarbij tenminste even doeltreffend als volgens het bedrijfscontrolesvsteem dat beschreven is in de punten 1 t/m 8.