De waarden van een gekozen bron en doel bedraagt minimaal € 50,00.
7
De waarden van de gekozen bronnen en doelen komen zoveel mogelijk overeen. Een aanvraag wordt afgewezen indien het verschil tussen de waarde van de bronnen en de doelen meer dan 5% bedraagt.
8
Voor de bestedingsmogelijkheid bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling bestedingsmogelijkheden kunnen, in afwijking van het vorige lid, aanspraken op bronnen die in de twee kalenderjaren volgende op het jaar van de aanvraag zullen ontstaan worden ingezet.
9
In afwijking van het eerste lid kan de medewerker, aan wie een toeslag op grond van artikel 22a of artikel 22c van het BBRA 1984 of een vergoeding op grond van artikel 23 van het BBRA 1984 is toegekend, binnen twee weken na ontvangst van het besluit een extra aanvraag indienen om deze aanspraken in te zetten voor een nieuw doel.
Artikel
3
1
Het hoofd van dienst beslist op een aanvraag, bedoeld in artikel 2, eerste lid, binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag.
2
Op aanvragen betreffende meer of minder uren werken of afkoop vakantie-uren die zijn ingediend voor 1 februari beslist het hoofd van dienst binnen vier weken na die datum en op aanvragen die zijn ingediend na 1 februari telkens binnen vier weken na afloop van de kalendermaand van indiening, met inachtneming van artikel 21e, vierde lid, respectievelijk artikel 22, dertiende lid, van het ARAR.
3
Het hoofd van dienst beslist op een aanvraag bedoeld in artikel 2, negende lid, binnen twee weken na de datum van het indienen van de aanvraag.
4
Indien het hoofd van dienst voornemens is een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen, vindt hierover overleg plaats met de medewerker.
De inhouding, bedoeld in artikel 21d, derde lid, van het ARAR, vindt maandelijks plaats in gelijke delen over de nog resterende periode van het betrokken kalenderjaar.
Artikel
6
Voor zover in specifieke regelingen niet anders is bepaald, dienen de in de aanvraag opgenomen doelen voor 1 december van het betrokken kalenderjaar te zijn gerealiseerd door inlevering van de desbetreffende betalingsbewijzen bij de daarvoor aangewezen functionarissen.
Artikel
7
1
Aan het eind van een kalenderjaar vindt per medewerker een eindafrekening plaats, waarbij een verschil in waarde van de ingezette bronnen en de gerealiseerde doelen wordt verrekend met het salaris van de medewerker.
2
In afwijking van het eerste lid wordt in het geval dat een medewerker wegens ziekte niet staat is geweest om in het betrokken kalenderjaar meer uren werken zoals op grond van de aanvraag is overeengekomen, de niet gerealiseerde meer uren werken in de eerste maand van ziekte beschouwd alsof zij wel zijn gerealiseerd.
3
In afwijking van het eerste lid vindt bij ontslag van de medewerker de eindafrekening plaats per de datum van ontslag.
4
In afwijking van het eerste lid vindt bij overlijden van de medewerker de eindafrekening plaats per de datum van overlijden, waarbij terugvordering van te veel betaalde vergoedingen achterwege blijft.
Artikel
8
Indien de belastinginspecteur bij controle van oordeel is dat er een bedrag ten onrechte belastingvrij is uitbetaald, wordt de ter zake verschuldigde loonheffing alsnog op de medewerker verhaald en verrekend met een eerstvolgende salarisbetaling.
Artikel
9
Ingeval deze regeling in een individueel geval niet of niet naar redelijkheid voorziet kan, voor zover nodig, het hoofd van dienst bij de beslissing op een aanvraag daarvan afwijken, met instemming van de directeur Personeel, Organisatie en Informatiemanagement.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot 1 januari 2003.
Artikel
12
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling IKAP medewerkers EZ.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage
De Minister van Economische Zaken, J.F.Hoogervorst