Regeling indicatiecriteria leerlinggebonden financiering

De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,
Gelet op:
  • artikel IX en XV, van de Wet houdende de Wijziging van de Wet op de expertisecentra,

  • de Wet op het primair onderwijs en

  • de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van een leerlinggebonden financiering en de vorming van regionale expertisecentra (regeling leerlinggebonden financiering) (Stb. 2002, nr. 631);

Besluit

Hoofdstuk

1

Algemeen

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • Commissie voor de indicatiestelling:

    een commissie als bedoeld in artikel 28b, zesde lid, onder a, van de Wet op de expertisecentra;

  • Regionaal expertisecentrum:

    een expertisecentrum als bedoeld in artikel 28b, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra;

  • Wet:

    Wet op de expertisecentra;

  • Cluster:

    een cluster als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de wet;

  • Landelijke commissie toezicht indicatiestelling:

    de commissie, bedoeld in artikel 28e, eerste lid, van de wet;

  • Onze minister:

    onze minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen;

  • DSM-IV:

    Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders 4th Edition (American Psychiatric Association, 1997), classificatiesysteem voor psychische stoornissen;

  • ICD-10:

    classificatie van ziekten en met gezondheid verbandhoudende problemen; tiende revisie (WHO, Genève, 1992);

  • ICF:

    Internationale classificatie van het menselijk functioneren (WHO, Genève, 2001).

Artikel

2

Leerlinggebonden budget en toelaatbaarheid

Een leerling komt in aanmerking voor een leerlinggebonden budget en is toelaatbaar tot een van de onderwijssoorten in cluster 2 of 3, dan wel tot cluster 4, in de zin van artikel 28c, eerste lid, van de wet indien wordt voldaan aan de criteria, bedoeld in de artikelen 3 tot en met 11.

Hoofdstuk

2

Indicatiecriteria

Paragraaf

1

Cluster 2

Artikel

3

Indicatiecriteria dove kinderen

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan dove kinderen, onverminderd artikel 6, indien op basis van audiologisch onderzoek zo nodig aangevuld met logopedisch en psychodiagnostisch onderzoek, is vastgesteld:

  • a.

    een gehoorstoornis van 80 decibel of meer bij het beste oor zonder gehoortoestel of

  • b.

    een gehoorstoornis tussen 70 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel waarbij de leerling kennelijk dooffunctionerend is.

Artikel

4

Indicatiecriteria slechthorende kinderen

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan slechthorende kinderen, onverminderd artikel 6, indien:

  • a.

    op basis van audiologisch, logopedisch en psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld een gehoorstoornis tussen 35 decibel en 80 decibel bij het beste oor zonder gehoortoestel, niet zijnde een gehoorstoornis als bedoeld in artikel 3, onder b.;

  • b.

    sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:

    • een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a.;

    • het ontbreken van algemene leervoorwaarden, bedoeld in artikel 12, onder b. 1°, of

    • een zeer geringe communicatieve redzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder c. en

  • c.

    de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

Artikel

5

Indicatiecriteria kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden

Artikel

6

Indicatiecriteria meervoudig gehandicapte kinderen cluster 2

Paragraaf

2

Cluster 3

Artikel

7

Indicatiecriteria zeer moeilijk lerende kinderen

Artikel

8

Indicatiecriteria lichamelijk gehandicapte kinderen

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan lichamelijk gehandicapte kinderen, onverminderd artikel 10, indien:

  • a.

    op basis van medisch en psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld een of meer stoornissen in structuur of in functie die gepaard gaan met stoornissen in de motorische functies;

  • b.

    sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:

    • een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a.;

    • het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°;

    • schoolverzuim als bedoeld in artikel 12, onder f., of

    • een zeer geringe zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder e., en

  • c.

    de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

Artikel

9

Indicatiecriteria langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap

Een leerling is toelaatbaar tot het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap indien:

  • a.

    op basis van psychodiagnostisch en medisch onderzoek is vastgesteld:

    • een chronische somatische stoornis;

    • een chronische centrale of chronische perifere neurologische stoornis of

    • een chronische psychosomatische stoornis; die niet in hoofdzaak leiden tot een stoornis in motorische functies;

  • b.

    sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:

    • een leerachterstand als bedoeld in artikel 12, onder a.;

    • het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 1°;

    • structureel schoolverzuim als bedoeld in artikel 12, onder f., of

    • een zeer geringe zelfredzaamheid als bedoeld in artikel 12, onder e., en

  • c.

    de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

Artikel

10

Indicatiecriteria meervoudig gehandicapte kinderen cluster 3

Paragraaf

3

Indicatiecriteria cluster 4

Artikel

11

Indicatiecriteria cluster 4

Een leerling is toelaatbaar tot cluster 4 indien:

  • a.

    op basis van psychodiagnostisch, orthopedagogisch of psychiatrisch onderzoek in combinatie met onderzoekgegevens van het maatschappelijk werk is vastgesteld een ernstige psychische stoornis of een ontwikkelingspsychopathologie volgens het classificatiesysteem DSM-IV of ICD-10 voor zover het betreft:

    • een emotionele stoornis;

    • een gedragsstoornis of

    • een ontwikkelingsstoornis, die zich manifesteert op school, en hetzij thuis hetzij bij vrije tijdsbesteding;

  • b.

    sprake is van een ernstige structurele beperking in de onderwijsparticipatie die blijkt uit:

    • het ontbreken van algemene leervoorwaarden als bedoeld in artikel 12, onder b. 2°, of

    • de leerling een gevaar is voor zichzelf of voor anderen als bedoeld in artikel 12, onder g.;

  • c.

    gerichte hulpverlening verleend wordt/is door een voorzieningen als Jeugdhulpverlening, Jeugd-GGZ, of hulp van een kinderpsychiatrische voorziening of Jeugdbescherming, en

  • d.

    de zorg vanuit het regulier onderwijs als bedoeld in artikel 13 onvoldoende effect heeft gesorteerd of zal kunnen sorteren, en de ondersteuning als bedoeld in artikel 13 deelname aan het regulier onderwijs niet mogelijk maakt.

Paragraaf

4

Overige bepalingen

Artikel

12

Beperkingen in de onderwijsparticipatie

Onder beperkingen in de onderwijsparticipatie in de zin van deze regeling worden verstaan:

  • a.

    een leerachterstand in het basis- of het voortgezet onderwijs, blijkend uit resultaten zoals gerapporteerd in het onderwijskundig rapport, zodanig dat de prestaties van de leerling

    • in het basisonderwijs in vergelijking met de prestaties van leerlingen van de overeenkomstige didaktische leeftijdsgroep, behoren tot de 10 procent zwakst presterende leerlingen of een discrepantie van meer dan 25 procent is vastgesteld tussen de didaktische leeftijd en didaktische leeftijdsequivalent op twee van de drie volgende terreinen: voor groep 1 en 2 voorbereidend lezen, spellen en rekenen en voor groep 3 en hoger rekenen, technisch lezen of spellen, en begrijpend lezen;

    • in het voortgezet onderwijs in vergelijking met de prestaties van leerlingen in de overeenkomstige didaktische leeftijdsgroep die bij instroom voor de leerling is geadviseerd, een discrepantie van meer dan 25 procent is vastgesteld tussen de didaktische leeftijd en didaktische leeftijdsequivalent op twee van de drie volgende terreinen: spreekvaardigheid op het gebied van de (moderne vreemde) talen, schrijfvaardigheid op het gebied van de (moderne vreemde) talen en vaardigheden op het gebied van de exacte vakken. Indien de vaststelling van het prestatieniveau uit het basisonderwijs niet ouder is dan 6 maanden, dan kan a. ten eerste worden toegepast;

  • b.

    het ontbreken van algemene leervoorwaarden, blijkend uit gegevens van zorg- of hulpverleningsinstanties of het onderwijskundig rapport zodanig dat sprake is van:

    • ernstige tekortkomingen op het gebied van de werkhouding, zelfstandigheid, taakgerichtheid, aandacht, motivatie en instructiegevoeligheid bij de leerling die nog niet eerder het regulier onderwijs volgde, en welke eigenschappen noodzakelijk zijn om te kunnen deelnemen aan dat onderwijs en

    • ernstige tekortkomingen in verband met het gedrag op het gebied van de werkhouding, zelfstandigheid, taakgerichtheid, aandacht, motivatie en instructiegevoeligheid of ernstige problemen in de interactie met het onderwijsgevend personeel of ernstig storend gedrag ten aanzien van het onderwijsleerproces van medeleerlingen, waarbij de genoemde gedragsproblemen manifest zijn gedurende een jaar, zich niet beperken tot een bepaalde situatie, weinig of niet worden beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken, en niet te verklaren zijn uit de omstandigheden van de leerling;

  • c.

    een zeer geringe communicatieve redzaamheid, blijkend uit resultaten zoals gerapporteerd in het onderwijskundig rapport of die op basis van psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld, zodanig dat de leerling een zeer beperkt vermogen heeft om wederkerig te communiceren met behulp van woord en gebaar en dit beperkte vermogen zich manifesteert in gesprekken in alle situaties vanaf de periode dat de leerling leerde spreken en niet is te verklaren uit de omstandigheden van de leerling;

  • d.

    een zeer geringe sociale redzaamheid, die op basis van psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld, waarbij de resultaten van de leerling in verband met een verstandelijke beperking op het gebied van zelfredzaamheid, verbale communicatie en sociale omgang meer dan twee standaarddeviaties onder het gemiddelde ligt;

  • e.

    een zeer geringe zelfredzaamheid, die op basis van psychodiagnostisch onderzoek is vastgesteld, waarbij de leerling ook met gebruikmaking van technische hulpmiddelen voor de algemene dagelijkse levensverrichtingen afhankelijk is van een ander;

  • f.

    structureel verzuim, blijkend uit het onderwijskundig rapport, waarbij de leerling 25 procent van de verplichte onderwijstijd verzuimt door de stoornis of in verband met de benodigde zorg terzake van de stoornis;

  • g.

    extreem gedrag waarbij, op basis van psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat de leerling een gevaar voor zichzelf of voor anderen is, de leerling zelfverwondend of suïcidaal gedrag vertoont, lijdt aan ernstige depressie, extreem fysiek of extreem verbaal agressief gedrag vertoont, waarbij dit gedrag zich niet beperkt tot een bepaalde situatie en weinig of niet worden beïnvloed door op de problemen gerichte aanpak en afspraken.

Artikel

13

Zorg binnen regulier onderwijs en ondersteuning uit de zorgsector

Artikel

14

Samenloop enkelvoudige handicaps

Artikel

15

Beredeneerde afwijking

Artikel

16

Voorschriften voor het vaststellen van stoornis en beperking

Hoofdstuk

3

Slotbepalingen

Artikel

17

Bekendmaking

Deze regeling wordt bekendgemaakt in Uitleg, OCenWRegelingen, onder gelijktijdige overlegging aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel

18

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt niet in werking dan nadat 4 weken zijn verstreken na het overleggen aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en gedurende die termijn niet door of namens de Kamer de wens tot overleg over de regeling te kennen wordt gegeven dan wel met de Tweede Kamer overleg is gevoerd.

Artikel

19

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling indicatiecriteria leerlinggebonden financiering.

De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen M.J.A. van der Hoeven