Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid houdende regels met betrekking tot de verstrekking van regelingen het kader van het programma technologie en samenleving, reïntegratie in arbeid en preventie van arbeidsuitval 2003
SZW-Subsidieregeling preventie van arbeidsuitval 2003
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b.
project: een samenhangend geheel van activiteiten, gericht op haalbaarheid, onderzoek of ontwikkeling, in combinatie met het voor de eerste maal demonstreren van producten of diensten die met gebruikmaking van technologie een voor Nederland vernieuwende bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van een maatschappelijk vraagstuk op het gebied van reïntegratie in arbeid of preventie van arbeidsuitval, bedoeld in bijlage 1 behorende bij deze regeling;
c.
samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee natuurlijke personen of rechtspersonen;
d.
groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn verbonden:
1°.
natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen, die direct of indirect:
-
meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan,
-
volledig aansprakelijk vennoot is van, of
-
overwegende zeggenschap heeft over een of meer rechtspersonen of vennootschappen, en
2°.
rechtspersonen of vennootschappen.
Artikel
2
subsidie voor projectkosten
1
De minister kan, met inachtneming van de artikelen 3 en 4 op aanvraag subsidie verstrekken voor projectkosten aan:
a.
de persoon die voor eigen rekening en risico een project uitvoert, of
b.
een samenwerkingsverband dat voor gezamenlijke rekening en risico een project uitvoert.
2
Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn, wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan de deelnemer die als indiener van de aanvraag is opgetreden.
Artikel
3
subsidiabele activiteiten
1
Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a.
de volgende kosten, die na de indiening van de aanvraag zijn gemaakt en betaald en rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen:
1°.
loonkosten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het bruto jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolommen 3 en 4 van de loonstaat van het betrokken directe personeel en, tot een maximum van 10 procent van de totale loonkosten, van het met projectmanagement belaste personeel, exclusief volledig winstafhankelijke uitkeringen, verhoogd met de wettelijke dan wel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1600 productieve uren per jaar;
2°.
kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
3°.
de kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten, of afschrijvingstermijnen, berekend op basis van de historische aanschafwaarde exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep, tot een maximum van 25 procent van de totale projectkosten;
4°.
aan derden verschuldigde kosten, exclusief winstopslagen bij transacties binnen een groep;
b.
een opslag voor algemene kosten, groot 25 procent van de in onderdeel a, aanhef en onder 1° bedoelde loonkosten.
2
De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
Indien onaannemelijk wordt geacht dat het project binnen twee jaren kan worden uitgevoerd.
Artikel
5
hoogte subsidiebedrag
Het subsidiebedrag bedraagt 50% van de projectkosten, doch ten hoogste € 95000.
Artikel
6
subsidieaanvraag
1
Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat ter inzage ligt bij het agentschap Senter.
2
Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband dient een deelnemer de aanvraag mede namens de andere deelnemers in.
de toepassing van technologie in het project meer vernieuwend is;
b.
het project meer maatschappelijk voordeel oplevert met betrekking tot reïntegratie in arbeid en preventie van arbeidsuitval;
c.
het project een groter economisch voordeel oplevert voor de betrokken ondernemers of de overheid;
met dien verstande dat aan elk van deze criteria een gelijk gewicht wordt toegekend.
Artikel
7
projectgroep
1
Er is een projectgroep die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van deze regeling.
2
De projectgroep rangschikt, naar de mate waarin naar haar oordeel aan de criteria, bedoeld in artikel 6, derde lid, wordt voldaan, de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert.
3
De projectgroep bestaat uit een voorzitter en ten minste vier en ten hoogste acht leden.
4
De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste twee jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
5
De projectgroep stelt haar werkwijze vast.
6
De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de projectgroep bij te wonen.
7
De minister voegt aan de projectgroep voldoende, adequate secretariële ondersteuning toe.
8
De minister draagt er zorg voor dat de projectgroep over alle stukken die zij in verband met de uitoefening van haar taken nodig acht, kan beschikken.
9
De bescheiden betreffende de werkzaamheden van de projectgroep worden na beëindiging van de werkzaamheden van de projectgroep bewaard in het archief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Artikel
8
beslistermijn
De minister geeft een beschikking binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag. Indien de beschikking niet binnen vier maanden kan worden gegeven, stelt de minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking tegemoet kan worden gezien.
het project uit te voeren voor het bij de subsidieverlening bepaalde tijdstip, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de minister voor het vertragen, het essentieel wijzigen, of het stopzetten van het project;
b.
het project in Nederland uit te voeren, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de minister voor gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland;
c.
steeds na afloop van een periode van zes maanden aan de minister schriftelijk verslag uit te brengen omtrent de uitvoering van het project, met inbegrip van een vergelijking van die uitvoering met het projectplan, de effecten van de uitvoering op het eindresultaat en de bij de subsidieverlening vermelde raming van de projectkosten.
Artikel
10
voorschotten
1
Een voorschot wordt slechts verstrekt, indien het voorschotbedrag ten minste € 4500 bedraagt.
2
Een aanvraag voor een voorschot wordt gelijktijdig ingediend met het verslag, bedoeld in artikel 9, onder c, met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat opgenomen is in de bij deze regeling behorende bijlage 3.
3
Een voorschot wordt berekend naar rato van de gemaakte en betaalde projectkosten, voor zover deze nog niet eerder bij de verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen.
4
Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband, dient de deelnemer in het samenwerkingsverband die als indiener van de aanvraag om subsidie is opgetreden, de aanvraag in mede namens de andere deelnemers en gaat de aanvraag, indien het een eerste voorschot betreft, vergezeld van een verklaring van de indiener van de aanvraag waarin hij zich aansprakelijk stelt voor terugbetaling van de subsidie, voorzover de subsidieontvangers daartoe verplicht zijn.
De minister stelt jaarlijks voor de aanvang van een kalenderjaar een subsidieplafond vast voor het verlenen van subsidies, ter uitvoering van deze regeling, op in een periode ontvangen aanvragen.
2
Voor de toepassing van deze regeling is in het kalenderjaar 2003 ten hoogste € 1.100.000,– beschikbaar. Dit bedrag is verdeeld over twee perioden, waarbij voor de eerste periode ten hoogste € 450.000,– beschikbaar is en voor de tweede periode ten hoogste € 650.000,–.
Artikel
13
slotbepaling
1
De minister stelt jaarlijks voor de aanvang van een kalenderjaar perioden vast, na afloop waarvan de aanvragen op grond van deze regeling die in die periode zijn ontvangen worden behandeld.
2
In 2003 worden twee perioden vastgesteld, de eerste periode wordt vastgesteld op 17 maart 2003 tot en met 28 april 2003. De tweede periode wordt vastgesteld op 18 augustus 2003 tot en met 29 september 2003.
Artikel
14
citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: SZW-Subsidieregeling preventie van arbeidsuitval 2003.
Artikel
15
inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2004.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 2, 3 en 4, die ter inzage worden gelegd bij het agentschap Senter, Juliana van Stolberglaan 3, 2509 AC Den Haag.
's-Gravenhage
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M. Rutte
Bijlage
1
A
Reïntegratie van arbeidsgehandicapten
Het doel van dit onderdeel is een bijdrage te leveren aan de verhoging en het behoud van arbeidsparticipatie door mensen die als gevolg van ziekte, een functionele stoornis of hun leeftijd (55+) beperkingen ondervinden in het uitvoeren van hun werk en daardoor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn of dreigen te raken. Om het doel te bereiken is gekozen voor de inzet van vernieuwende materiële werkaanpassingen (persoonlijke hulpmiddelen, speciaal gereedschap, cursussen, aanpassingen aan meubilair, aan machines of aan werkruimten of gebouwen), waarbij gebruik wordt gemaakt van nieuwe of bestaande technologie. Voorstellen voor projecten moeten binnen één van de volgende aandachtsgebieden passen:
•
optimalisering van de werkplek door individuele instelbaarheid of door afwisseling in werkhouding en taken;
•
materiële werkaanpassingen ter ondersteuning van perceptie, cognitie en leren;
•
verbetering van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de werkplek.
De drie aandachtsgebieden zijn ontleend aan het document 'Oplossingsrichtingen voor nieuwe materiële werkaanpassingen' dat op 27 april 1999 is verschenen en wordt uitgegeven in de publicatiereeks van het programma Technologie en Samenleving van het Ministerie van Economische Zaken.
Om voor subsidie in aanmerking te komen dienen voorgestelde projecten te resulteren in een werkend prototype van een innovatieve materiële werkaanpassing. Innovatief houdt daarbij in dat een soortgelijk product (nog) niet verkrijgbaar is en ook (nog) niet in ontwikkeling is. Om een goede afstemming van vraag en aanbod te waarborgen dient een gebruikerstest deel uit te maken van de projectactiviteiten.
Voorgestelde projecten moeten zoveel mogelijk gericht zijn op de arbeids(re)integratie van een relatief grote groep mensen met een (dreigende) arbeidshandicap. In het projectplan dient onder meer een onderbouwde raming van mogelijke besparingen op uitgaven voor sociale zekerheid te zijn opgenomen. Materiële werkaanpassingen die universeel toepasbaar zijn en derhalve ook kunnen worden ingezet voor mensen zonder handicap, hebben een pre ('design for all').
De projectindieners behoeven niet zelf ervaren of betrokken te zijn bij (re)integratieprocessen van arbeidsgehandicapten. In de projectvoorstellen moet op enigerlei wijze enige vorm van samenwerking tot uitdrukking komen met intermediairen als patiëntenverenigingen, de gehandicaptenraad, arbeidsbureaus, sectorraden, werkgeversverenigingen of Arbo-diensten.
B
Preventie van arbeidsuitval van arbeidsuitval
Het doel van dit onderdeel is een bijdrage te leveren aan het voorkomen of verminderen van blijvende schade aan mensen bij het uitvoeren van hun werk. Het gaat om arbeidsrisico's waarmee een groot deel van de beroepsbevolking te maken heeft en die omvangrijke dan wel ernstige gevolgen hebben in termen van gezondheidsklachten, medische consumptie, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid.
Om dit doel te bereiken is in dit onderdeel ervoor gekozen de risico's in het arbeidsproces te verkleinen door middel van technologische vernieuwingen.
Dat kan zijn door a.) de verbetering van bedrijfsmiddelen en b.) de verbetering van arbo-onvriendelijke productieprocessen. In beide gevallen wordt gebruik gemaakt van technologie. Het gaat veelal om technologie die elders reeds beschikbaar is en die met relatief beperkte middelen geschikt kan worden gemaakt voor nieuwe toepassingen. Projecten dienen zich te richten op arbeidsrisico's die veroorzaakt worden door:
•
overbelasting van het menselijke bewegingsapparaat, in het bijzonder bij het tillen;
•
repeterende bewegingen (met uitzondering van RSI);
•
schadelijk geluid;
•
stof (zoals hout-, meel- en kwartsstof);
•
oplosmiddelen (met mogelijk OPS, OrganoPsychoSyndroom, als gevolg).
Oplossingen voor eventuele andere arbeidsrisico's worden niet uitgesloten.
Geschikte projecten dienen te resulteren in een innovatieve oplossing (product- of procesverbetering), die substantieel bijdraagt aan het voorkomen of aanzienlijk verminderen van één van de genoemde arbeidsrisico's. Innovatief houdt daarbij in dat een soortgelijke oplossing (nog) niet verkrijgbaar is en ook (nog) niet in ontwikkeling is. De voorgestelde oplossing moet:
•
effecten op 'langetermijngezondheid' hebben;
•
de schade zoveel mogelijk aan de bron bestrijden (bijvoorbeeld het geluidsarm maken van een machine is beter dan het werken met oorbeschermers);
•
praktisch bruikbaar zijn; de ontwikkelaar dient oog te hebben voor de gebruikssituatie; een gebruikerstest zal in vele gevallen onderdeel van het project uitmaken;
•
economisch rendabel zijn. Maak de kosten en baten (b.v. efficiency) voor de gebruikers zo goed mogelijk inzichtelijk. Hieruit valt af te leiden of de oplossing economisch rendabel is.
•
bij voorkeur overdraagbaar zijn naar andere bedrijven en bedrijfstakken.
De projectaanvrager dient bij het formuleren van een voorstel verder rekening te houden met de volgende aandachtspunten:
•
Klachten. Maak een goede analyse van de klachten en arbo-problemen die worden aangepakt. Een belangrijke randvoorwaarde is dat het probleem erkend wordt door de potentiële eindgebruikers én afnemers.
•
Zichtbaar. De voordelen van een nieuw bedrijfsmiddel moeten zichtbaar zijn voor de gebruikers. Formuleer zoveel mogelijk meetbare doelstellingen aan de hand waarvan de effectiviteit of de haalbaarheid van de oplossing gemeten kan worden.
•
Gebruiksonderzoek wordt gezien als een essentiële stap om een goed, daadwerkelijk arbo-vriendelijk bedrijfsmiddel te maken. Reserveer in een project financiële middelen voor gebruikersonderzoek en verschillende gebruikerstesten in een praktijksituatie.
Bijlage
2
Bijlage ligt ter inzage bij het agentschap Senter, Den Haag.
Bijlage
3
Bijlage ligt ter inzage bij het agentschap Senter, Den Haag.
Bijlage
4
Bijlage ligt ter inzage bij het agentschap Senter, Den Haag.