Verordening van het Hoofdproductschap Akkerbouw van 20 maart 2003 houdende regels over de bestrijding van erosie op landbouwgronden (Verordening HPA erosiebestrijding landbouwgronden 2003)

Verordening HPA erosiebestrijding landbouwgronden 2003

Het bestuur van het Hoofdproductschap Akkerbouw;

Besluit:

§

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

Deze verordening verstaat onder:

a.

hoofdproductschap

:

Hoofdproductschap Akkerbouw;

b.

bestuur

:

bestuur van het hoofdproductschap;

c.

dagelijks bestuur

:

dagelijks bestuur van het hoofdproductschap;

d.

voorzitter

:

voorzitter van het hoofdproductschap;

e.

sectormanager

:

als zodanig door het dagelijks bestuur benoemde functionaris die speciaal belast is met teeltaangelegenheden;

f.

commissie

:

Commissie Teeltaangelegenheden;

g.

onderneming

:

onderneming waarvoor het hoofdproductschap is ingesteld;

h.

ondernemer

:

de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft;

i.

landbouwgrond

:

grond waarop akkerbouw wordt beoefend inclusief tijdelijk braakliggende landbouwgronden;

j.

bodemerosie

:

de versnelde afvoer van bodemmateriaal door oppervlakkig afstromend water met als gevolg sedimentatie van het geërodeerde materiaal op lager gelegen terreinen;

k.

normale bodemerosie

:

bodemerosie waarbij geen geulerosie plaatsvindt dieper dan 30 centimeter;

l.

erosie bevorderend gewas

:

maïs, aardappelen, bieten, cichorei;

m.

directzaaimethode

:

een gewas dat direct na de oogst van een hoofdgewas wordt ingezaaid en waarvan de gewasresten gedurende de opkomst van het nieuwe hoofdgewas blijven gehandhaafd,

n.

strodek

:

laag stro die wordt aangebracht op de landbouwgrond en gedurende de opkomst van het hoofdgewas wordt gehandhaafd, dan wel slechts oppervlakkig wordt ondergewerkt;

o.

perceel

:

een oppervlakte grond, in eigendom of in gebruik bij een onderneming;

p.

gewasperceel

:

een perceel grond, in gebruik bij één bedrijf, waarop één hoofdgewas aanwezig is en waarvan de buitengrenzen zijn bepaald door duidelijk waarneembare kavelgrenzen zoals wegen, graften, heggen, houtwallen, sloten, dan wel doordat op het aangrenzende perceel (mits bij dezelfde ondernemer in gebruik) andere dan wel geen gewassen aanwezig zijn;

q.

lengte van een gewasperceel

:

die zijde van het gewasperceel, die het minst parallel loopt met de hoofdinrichting van de hoogtelijnen;

r.

breedte van een gewasperceel

:

die zijde van het gewasperceel, die het meest parallel loopt met de hoofdinrichting van de hoogtelijnen;

s.

hellingspercentage

:

het quotiënt van het hoogteverschil en de horizontale afstand, uitgedrukt in procenten, volgens de in de bijlage aangegeven meetmethode;

t.

knelpuntgebieden

:

de gebieden, gelegen in een stroomgebied en als zodanig aangeduid op de kaart, die als bijlage 2 bij deze verordening gaat, waar belangrijke wateroverlast kan optreden;

u.

mulchmethode

:

een gewas dat direct na de oogst van een hoofdgewas wordt ingezaaid en waarvan de gewasresten vooraf aan het inzaaien van het nieuwe hoofdgewas oppervlakkig worden ingewerkt;

v.

groenbemester

:

een gewas dat direct na de oogst van een hoofdgewas wordt ingezaaid en waarvan de gewasresten vooraf aan het inzaaien van het nieuwe hoofdgewas worden weggewerkt, gevolgd door een traditionele zaaibedbereiding;

w.

grasondergroei

:

teeltsysteem waarbij gras wordt ingezaaid tijdens de teelt van een hoofdgewas, leidend tot een grasmat die na de oogst van het hoofdgewas in stand wordt gehouden;

x.

bedrijfserosieplan

:

een plan van aanpak voor de erosiebestrijding op bedrijfsniveau.

§

2

Gebied

Artikel

2

§

3

Algemene verplichtingen

Artikel

3

Artikel

4

De ondernemer die landbouwgrond in gebruik heeft, is verplicht:

  • a.

    na elke oogst een op het voorkomen van bodemerosie gerichte grondbewerking uit te voeren met een minimale diepte van 20 centimeter, behoudens bij de toepassing van grasondergroei en bij de aanwezigheid van meerjarige teelten;

  • b.

    de onder a. bedoelde grondbewerking dient zo spoedig mogelijk na de oogst te worden uitgevoerd, doch vóór 1 oktober na de oogst van granen en vóór 1 december na de oogst van de overige gewassen;

  • c.

    bij het inzaaien van bieten of maïs de sporen van de trekkerwielen te wissen, tenzij de directzaaimethode wordt toegepast;

  • d.

    na de teelt van maïs en granen een groenbemester toe te passen, tenzij het korrelmaïs, ccm of mks betreft, dan wel bij de oogst van granen alle stro op het land achterblijft, waarbij de verplichting zoals opgenomen in onderdeel a niet mag leiden tot een verwijdering van de gewasresten;

  • e.

    bij de teelt van een erosie bevorderend gewas aan de onderzijde van het gewasperceel een waterremmende voorziening te realiseren, tenminste in de vorm van een berm, graft, heg, houtwal, sloot, schot, bloemrijke akkerrand of niet-erosie bevorderend gewas met een minimale breedte van 3 meter.

§

4

Verbodsbepalingen

Artikel

5

§

5

Nadere voorschriften knelpuntgebieden

Artikel

6

Artikel

7

De ondernemer die voornemens is om landbouwgronden, in gebruik als grasland en gelegen in een gebied als bedoeld in artikel 6, te scheuren met het doel die gronden weer in te zaaien als grasland (graslandvernieuwing) of met het doel elders binnen het bedrijf een zelfde are-aal landbouwgrond om te zetten in grasland (wisselteelt) meldt dit voornemen tenminste vier weken voorafgaand aan het scheuren aan de Limburgse Land- en Tuinbouwbond. Artikel 6, tweede lid, is niet van toepassing.

§

6

Overige bepalingen

Artikel

8

De sectormanager is, namens het bestuur, bevoegd op schriftelijk verzoek van de ondernemer ontheffing te verlenen van het bepaalde in de artikelen 3, 4, 5 en 7 en kan daarbij nadere voorschriften vaststellen.

Artikel

9

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 4, 5, 6 en 7, waarbij aan ondernemers verplichtingen worden opgelegd, is mede bindend voor andere natuurlijke en rechtspersonen, voor zover deze handelingen verrichten die bedrijfsmatig in ondernemingen plegen te worden verricht.

§

7

Slotbepalingen

Artikel

10

Op overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld. Een door het bevoegde tuchtgerecht op te leggen geldboete mag niet hoger zijn dan € 450,- per overtreding, totdat het op 24 februari 2000 ingediende voorstel van wet "Nieuwe regelen inzake tuchtrechtspraak in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2002)", Kamerstukken II nr. 27025 (1999-2000), tot wet wordt verheven en in werking treedt.

Artikel

11

De Verordening HPA erosiebestrijding landbouwgronden 2001 wordt ingetrokken.

Artikel

12

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2003.

Indien het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin deze verordening wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 juni 2003, treedt zij in werking de tweede dag na publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie en werkt zij terug tot en met 1 juli 2003, met uitzondering van het in artikel 10 bepaalde.

Artikel

13

Deze verordening wordt aangehaald als Verordening HPA erosiebestrijding landbouwgronden 2003.

Den Haag
J .H.M. Kienhuis voorzitter
R.J.M. ten Berge secretaris

Goedgekeurd door de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad bij besluit van 12 juni 2003.

Bijlage

1

Bijlage

2