Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 april 2003, nr. WJZ 3006220, tot uitvoering van het Besluit subsidies energieprogramma's, inhoudende vaststelling van het programma duurzame energie (Uitvoeringsregeling BSE-2003 duurzame energie)

Uitvoeringsregeling BSE-2003 duurzame energie

De Staatssecretaris van Economische Zaken,
Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 3, tweede lid, 5, en 6, eerste lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's;

Besluit:

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder minister: de Minister van Economische Zaken.

Artikel

2

Artikel

3

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, J.G. Wijn

Bijlage

bij de Uitvoeringsregeling BSE-2003 duurzame energie

Programma duurzame energie

A. Doel, afbakening

In het kader van het Besluit subsidies energieprogramma's wordt via diverse energieprogramma's subsidie verleend voor activiteiten op het gebied van energiebesparing en duurzame energie.

Het doel van het energieprogramma duurzame energie (hierna: het programma) is het bevorderen van projecten die een bijdrage leveren aan de doelstellingen van het beleid inzake duurzame energie van de Nederlandse overheid en waarvan de resultaten van betekenis zijn voor de Nederlandse energievoorziening, door middel van:

  • a.

    het bevorderen van innovatie ten behoeve van toepassing van technologieën op het gebied van duurzame energie,

  • b.

    het verbeteren van de prijs-prestatieverhouding van technologieën op het gebied van duurzame energie, of

  • c.

    het wegnemen van knelpunten voor de toepassing van technologieën op het gebied van duurzame energie.

    In het kader van het programma is verstrekking van subsidie mogelijk voor de volgende typen projecten (nadere omschrijving in artikel 1 van het Besluit subsidies energieprogramma's):

    • haalbaarheidsprojecten;

    • kennisoverdrachtprojecten;

    • onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten;

    • praktijkexperimenten;

    • demonstratieprojecten;

    • marktintroductieprojecten.

    Toelichting

    Het programma moet een bijdrage leveren aan de doelstelling van de Nederlandse overheid om in 2020 met behulp van duurzame energiebronnen in 10% van de Nederlandse energiebehoefte te voorzien. Voor 2010 wordt een aandeel duurzame energie in de energievoorziening van 5% nagestreefd. Voor het aandeel uit duurzame bronnen geproduceerde elektriciteit in de elektriciteitsvoorziening zijn de overheidsdoelstellingen: 6% in 2005 en 9% in 2010.

    In het Energierapport 2002 (Kamerstukken II 2001/02, 28 241, nr.2) heeft de overheid kenbaar gemaakt ten behoeve van het aandeel duurzame energie het opwekkingspotentieel in eigen land te willen uitbreiden.

    Onder duurzame energie wordt verstaan (combinaties van) windenergie, fotovoltaïsche zonne-energie, thermische zonne-energie, passieve zonne-energie, omgevingswarmte, thermische energieopslag in de bodem, kleinschalige waterkracht tot een vermogen van 15 MW, aardwarmte, getijdenenergie, energie uit biomassa en energie uit afval voor zover dat afval van organische oorsprong is.

    Waterkracht met een vermogen groter dan 15 MW is een vorm van duurzame energie. Financiële ondersteuning van deze vorm van opwekking van duurzame energie wordt echter, gelet op de kostprijs daarvan, niet wenselijk geacht.

B. Beoordeling

Toelichting

Haalbaarheids- en kennisoverdrachtprojecten worden behandeld in volgorde van ontvangst. Onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten worden in een tenderprocedure met elkaar vergeleken. De Adviescommissie duurzame energie adviseert de minister over de volgorde waarin de aanvragen worden gerangschikt. Voor demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten is artikel 8, eerste lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's van belang. Hierin worden de gevallen genoemd waarin de minister in ieder geval afwijzend dient te beslissen op een aanvraag. Onderdeel c van artikel 8, eerste lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's is ingevoegd naar aanleiding van de nieuwe Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001, C 37). Deze kaderregeling schrijft voor dat voor investeringen die betrekking hebben op de aanpassing aan bepaalde normen, geen subsidie mag worden verleend.

C. Voorwaarden

Geen subsidie wordt verstrekt:

Toelichting

Ad 2. Bij de beoordeling van de haalbaarheid van een project kunnen worden betrokken de belemmeringen en mogelijkheden voortvloeiend uit regelgeving, normen of certificatie. Daarnaast zal een projectuitvoerder moeten beschikken over de noodzakelijke financiële middelen en de benodigde organisatorische en technisch-wetenschappelijke kwaliteiten.

Ad 4. Een kennisoverdrachtproject is een samenhangend geheel van activiteiten gericht op het overdragen van kennis en informatie op het terrein van duurzame energie. Het gaat in het kader van dit programma om projecten waarbij bepaalde doelgroepen met een bijzondere betrokkenheid bij het onderwerp van de kennisoverdracht systematisch worden gewezen op de concrete mogelijkheden van de toepassing van technologieën op het gebied van duurzame energie aan de hand van voorbeelden en methodieken. Het moet gaan om daadwerkelijk en actief overdragen van informatie. Hierbij kan worden gedacht aan het organiseren van voorlichtingsdagen, workshops, presentaties, cursussen en dergelijke. Het enkel genereren van kennis of ter beschikking stellen van informatie is niet voldoende om voor een subsidie in aanmerking te komen.

Ad 5. Alle communautaire ondernemingen dienen, op niet discriminerende basis, van de resultaten van een kennisoverdrachtproject kennis te kunnen nemen. Novem zal in ieder geval de benodigde informatie verstrekken over de resultaten van een op basis van deze regeling gesubsidieerd kennisoverdrachtproject. Aan de hand daarvan zal detailinformatie bij de subsidie-ontvanger kunnen worden opgevraagd.

Ad 7. De aanvrager dient door middel van een meting aan te tonen in welke mate de resultaten van het kennisoverdrachtproject een bijdrage leveren aan de doelstelling van het programma.

Ad 8. Alleen de projectkosten die worden gemaakt na de indiening van de aanvraag komen voor subsidie in aanmerking. De projectkosten die vóór de indiening van de aanvraag worden gemaakt, worden bij de verlening van de subsidie buiten beschouwing gelaten.

Ad 9. Om te voorkomen dat in het kader van dit programma subsidie wordt verstrekt voor investeringen waarvoor een energiepremie beschikbaar is, worden de projectkosten die horen bij deze investeringen uitgesloten.

D. Criteria rangschikking

Toelichting

Ad 1a. De bijdrage van het project aan een toename van de toepassing van duurzame energie wordt beoordeeld in relatie tot de gevraagde subsidie. Hiermee wordt een zo effectief mogelijke inzet van de subsidie gerealiseerd.

Aspecten die daarbij meespelen zijn de indirecte energieverdienste van het project (productie aan duurzame energie door navolging van het project of door gebruikmaking van de resultaten van het project) en de kans dat deze wordt gerealiseerd, de mate van kennisoverdracht en spin off-effecten van het project. De directe energieverdienste van het betrokken project zelf speelt geen rol bij de beoordeling. De directe energieverdienste van duurzame-energieprojecten is reeds de grondslag voor stimulering via het generieke financiële instrumentarium voor duurzame energie.

Ad 1b. Bepalend voor de mate van innovativiteit is in hoeverre de projecten innovatief zijn ten opzichte van de huidige ontwikkeling of toepassing van de technologie op het gebied van duurzame energie in het desbetreffende toepassingsgebied. Voor het belang van de innovativiteit is bepalend de relevantie van de innovatie voor de toename van duurzame energie voor wetenschap, technologieontwikkelaars en marktpartijen.

E. Subsidiepercentages en maximumbedragen

Toelichting

Ad 1c, onder 2°. In dit artikelonderdeel wordt verwezen naar artikel 3, tweede lid, onder a, onder 2°, van het Besluit subsidies energieprogramma's. Laatstgenoemd artikelonderdeel wordt op dit moment aangepast aan de huidige stand van zaken van het Communautaire recht en zal daarom voortaan verwijzen naar verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 januari 2001 (PbEG L 70) betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote bedrijven.

Ad 2. Relevant in dit kader is ook de anticumulatiebepaling in artikel 3, vierde lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's.

F. Subsidieplafonds

De subsidieplafonds voor het in 2003 en 2004 verlenen van subsidies op grond van het programma duurzame energie bedragen:

  • a.

    voor aanvragen inzake haalbaarheidsprojecten, ontvangen in de periode, bedoeld in onderdeel G, onder 1, van dit programma, € 1 200 000;

  • b.

    voor aanvragen inzake kennisoverdrachtsprojecten, ontvangen in de periode, bedoeld in onderdeel G, onder 1 van dit programma, € 800 000;

  • c.

    voor aanvragen inzake onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratie- en marktintroductieprojecten, ontvangen in de periode, bedoeld in:

    • 1°.

      onderdeel G, onder 2a, van dit programma, € 7 000 000;

    • 2°.

      onderdeel G, onder 2b, van dit programma, € 7 000 000.

G. Aanvraagperiodes

De aanvragen moeten worden ingediend bij:

Novem

Catharijnesingel 59,

3511 GG Utrecht

Postbus 8242

3503 RE Utrecht

Voor informatie:

(030) 2393798

www.den.novem.nl