Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 22 april 2003, nr. WJZ 3010434, houdende vormvoorschriften inzake de octrooiaanvrage en de vertaling van Europese octrooien (Uitvoeringsregeling Rijksoctrooiwet 1995)

Uitvoeringsregeling Rijksoctrooiwet 1995

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Besluit:

Artikel

1

In deze regeling wordt onder `wet' verstaan: de Rijksoctrooiwet 1995.

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

De bij een aanvrage om octrooi behorende beschrijving voldoet aan de volgende voorschriften:

  • a.

    de beschrijving is gesteld op één zijde van één of meer bladen buigzaam, sterk, wit, glad, niet-glanzend, ongekreukt, ongescheurd, niet-gevouwen en duurzaam papier van het formaat A4 (29,7 x 21 cm);

  • b.

    de beschrijving is met een donkere onuitwisbare inkt getypt of gedrukt, dit zodanig dat zij in een onbeperkt aantal exemplaren rechtstreeks kan worden gereproduceerd door middel van fotografie, elektrostatische werkwijzen, foto-offset en microfilm;

  • c.

    in getypte of gedrukte tekst wordt 11/2 regelafstand gebruikt;

  • d.

    de gehele tekst is weergegeven in letters waarvan de hoofdletters ten minste 0,21 cm hoog zijn;

  • e.

    grafische symbolen en tekens, en chemische of wiskundige formules zijn nauwkeurig weergegeven en mogen zo nodig met de hand worden geschreven of getekend;

  • f.

    aan het hoofd van de beschrijving is de korte aanduiding, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder d, van de wet, vermeld;

  • g.

    conclusies als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder e, van de wet beginnen op een nieuw blad en zijn doorlopend genummerd;

  • h.

    elke vijfde regel van elk blad van de beschrijving is genummerd, waarbij de nummers worden aangebracht in de rechterhelft van de linkermarge;

  • i.

    de bladen van de beschrijving zijn doorlopend genummerd in Arabische cijfers, waarbij de nummers van de bladen zijn geplaatst boven aan de bladzijden in het midden;

  • j.

    de bladen van de beschrijving hebben rondom onbeschreven randen van ten minste de volgende afmetingen: bovenmarge 2 cm, rechtermarge 2 cm, linkermarge 2,5 cm, benedenmarge 2 cm;

  • k.

    de beschrijving geeft aan welke uitkomst op het gebied van de nijverheid met de uitvinding wordt beoogd, met afbakening van het nieuwe ten opzichte van de stand van de techniek;

  • l.

    de tot de beschrijving behorende conclusies wijzen datgene wat nieuw is en waarvoor het uitsluitend recht verlangd wordt, nauwkeurig aan;

  • m.

    de beschrijving en de conclusies, behorende bij een afzonderlijke aanvrage als bedoeld in artikel 28 van de wet, kunnen worden begrepen zonder raadpleging van de oorspronkelijke aanvrage;

  • n

    de beschrijving is nauwkeurig en juist gesteld, zo kort mogelijk en zonder nutteloze herhalingen, vrij van raderingen en veranderingen en van boven elkaar geschreven en tussengeschreven woorden;

  • o.

    maten en gewichten zijn in de beschrijving aangegeven volgens het metrieke stelsel, temperaturen in graden Celsius, scheikundige elementen, verbindingen en grootheden, met inbegrip van natuurkundige en technische grootheden, op een wijze als in de internationale praktijk is aanvaard;

  • p.

    de beschrijving bevat geen andere figuren dan natuurwetenschappelijke, wiskundige of technische formules en tekens;

  • q.

    de onder p genoemde figuren worden, indien zij bij het drukken te veel ruimte in beslag zouden nemen of andere moeilijkheden zouden opleveren, afzonderlijk als tekening overgelegd;

  • r.

    indien de aanvrage betrekking heeft op een nucleotide- of aminozuur-sequentie:

    • 1°.

      bevat de beschrijving van de uitvinding een sequentie-opsomming die voldoet aan de door de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom opgestelde standaarden;

    • 2°.

      wordt de aanvrage, indien daarvoor een nieuwheidsonderzoek wordt verlangd, vergezeld van een elektronische gegevensdrager die de onder 1° bedoelde sequentie-opsomming bevat in een machine-leesbare vorm die voldoet aan de door het Europees Octrooibureau vastgestelde criteria.

Artikel

5

De bij een aanvrage om octrooi behorende tekeningen voldoen aan de volgende vormvoorschriften:

  • a.

    zij zijn gesteld op één zijde van één of meer bladen buigzaam, sterk, wit, glad, niet-glanzend, ongekreukt, ongescheurd, niet-gevouwen en duurzaam papier van het formaat A4 (29,7 x 21 cm);

  • b.

    zij zijn in al hun onderdelen uitgevoerd in krachtige en gelijkmatig getrokken duurzame lijnen van een enkele donkere kleur, dit zodanig dat zij in een onbeperkt aantal exemplaren rechtstreeks kunnen worden gereproduceerd door middel van fotografie, elektrostatische werkwijzen, foto-offset en microfilm;

  • c.

    de bladen van de tekeningen hebben rondom onbeschreven randen van ten minste de volgende afmetingen: bovenmarge 2 cm, rechtermarge 2 cm, linkermarge 2,5 cm, benedenmarge 2 cm;

  • d.

    de afzonderlijke figuren zijn duidelijk van elkaar gescheiden en doorlopend genummerd;

  • e.

    de tekeningen zijn duidelijk en bevatten niet meer dan voor een juist begrip van de uitvinding nodig is;

  • f.

    dwarsdoorsneden zijn voorzien van schuine arceringen, zonder dat hierdoor het duidelijk onderscheiden van verwijzingstekens en lijnen wordt verhinderd;

  • g.

    bij het bepalen van de schaal van de tekeningen wordt rekening gehouden met de graad van ingewikkeldheid van de figuren, waarbij de schaal als voldoende wordt aangemerkt indien bij een fotografische reproductie op tweederde van de grootte de bijzonderheden van de tekening zonder moeite gezien kunnen worden;

  • h.

    verwijzingstekens ter aanduiding van de figuren of onderdelen van figuren worden alleen gebruikt voor zover een goed begrip van de beschrijving dit vereist, en komen overeen met de verwijzingstekens die in de beschrijving voorkomen, waarbij dezelfde onderdelen in verschillende figuren worden aangegeven met dezelfde verwijzingstekens;

  • i.

    ingeval in de beschrijving varianten van de uitvinding worden beschreven, wordt in de met deze varianten overeenkomende figuren gebruik gemaakt van een systeem, waarbij dezelfde kenmerken in verschillende figuren worden aangeduid door samenhangende verwijzingscijfers, zodat bij voorbeeld algemeen kenmerk “15” in varianten wordt aangeduid met “115”, “215”, enzovoorts;

  • j.

    een verwijzingsteken wordt niet voor verschillende onderdelen gebezigd, ook niet in verschillende figuren, en het bijvoegen van accenten of cijfers bij de verwijzingstekens wordt zoveel mogelijk vermeden;

  • k.

    de tekeningen bevatten geen verklarende tekst met uitzondering van in het Nederlands gestelde aanduidingen als water, stoom, II-II (voor een doorsnede), open, dicht en, wat elektrische blokschema's of fabricageschema's betreft, de aanduidingen nodig voor een goed begrip daarvan.

Artikel

6

Het bij een aanvrage om octrooi behorende uittreksel voldoet aan de volgende vereisten:

  • a.

    het is met een donkere, onuitwisbare inkt getypt of gedrukt op duurzaam wit papier van het formaat A4 (29,7 x 21 cm);

  • b.

    het is in de Nederlandse taal gesteld en bevat ten minste 50 en ten hoogste 250 woorden dan wel ten hoogste 150, indien het uittreksel een figuur bevat;

  • c.

    het bevat in beginsel slechts één figuur die op een afzonderlijk blad A4 wordt ingediend.

Artikel

7

Artikel

8

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2003.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage
De Staatssecretaris van Economische Zaken, J.G. Wijn