Artikel
1
Er is een commissie vervolgonderzoek rekenschap, hierna te noemen de commissie.
Besluiten:
Er is een commissie vervolgonderzoek rekenschap, hierna te noemen de commissie.
De commissie heeft tot taak:
met gebruikmaking van de uitkomsten per instelling van het zogenaamde zelfreinigend onderzoek naar de omgang met de bekostigingsregeling, dat in 2002 bij alle instellingen in de sectoren WO, HBO en BVE is uitgevoerd, te onderzoeken of bij die instelling één of meer van de in het rapport Ruimte voor Rekenschap (Kamerstukken II 2002-2003, 28 248, nr. 22) in de categorie rood I tot en met V ingedeelde handelwijzen zijn toegepast;
per instelling voor elk van de onder a bedoelde handelwijzen te beschrijven waaruit deze bestaat, hoeveel studenten of deelnemers dit betreft en welke opleiding en opleidingsvorm het betreft;
in die gevallen waarin sprake is van een handelwijze in de categorie rood V bij de beschrijving van de onder b bedoelde gegevens uit te gaan van het feit dat op basis daarvan een terugvorderingsactie zal worden gestart en een berekening te maken van het bedrag dat de instelling op grond van die handelwijze heeft ontvangen alsmede op basis van de berekeningen van alle desbetreffende handelwijzen het totaalbedrag dat per sector daarmee gemoeid is vast te stellen;
voor die instellingen waarbij handelwijzen in de categorie rood IV en V zijn aangetroffen, de feitelijke toedracht van die handelwijzen te beschrijven;
na bespreking van de voorlopige bevindingen met de instelling ten behoeve van de rapportage bedoeld onder h per instelling een eindrapport op te stellen over de bevindingen van het in dit artikel omschreven onderzoek;
bij vermoedens van strafbare feiten daarvan aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen hierover tegelijkertijd te informeren;
voor 1 september 2003 een tussenrapportage uit te brengen aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen waarin het proces en de voortgang van het tot dan toe uitgevoerde onderzoek zijn beschreven;
voor 1 januari 2004 aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een eindrapportage uit te brengen over de bevindingen voortvloeiend uit het in dit artikel omschreven onderzoek.
De commissie heeft tevens tot taak:
op basis van het rapport Ruimte voor Rekenschap per instelling de oranje handelwijzen te kwalificeren als behorend tot de categorie rood of groen;
aanbevelingen te doen over de interpretatie van de wet- en regelgeving, over aanpassing van de wet- en regelgeving of over andere vormen van communicatie waarmee helderheid kan worden geschapen over ervaren onduidelijkheden in de wet- en regelgeving, die aan het ontstaan van de desbetreffende oranje handelwijzen ten grondslag liggen;
voor 15 juni 2003 aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een rapport te verstrekken waarin de onder a bedoelde kwalificatie en de onder b bedoelde aanbevelingen zijn vastgelegd.
Indien de commissie de in deze regeling gestelde rapportagetermijnen dreigt te overschrijden dan wel wanneer zij knelpunten ontmoet tijdens de uitvoering van het onderzoek, stelt zij de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen daarvan direct in kennis. De Commissie vermeldt hierbij welke knelpunten zich voordoen. Bij dreigende overschrijding van de rapportagetermijnen meldt de Commissie de oorzaak van de overschrijding en geeft zij een indicatie van de termijn waarop de rapportage wel zal zijn afgerond.
De commissie maakt voor het in artikel 2 onder a bedoelde onderzoek gebruik van accountants die werkzaam zijn bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en accountants die werkzaam zijn bij accountantsbureaus waarmee door dat ministerie een mantelcontract is afgesloten.
De commissie ziet erop toe dat een externe accountant die in het verleden werkzaam is geweest voor een bepaalde instelling niet betrokken wordt bij het onderzoek aan dezelfde instelling.
De commissie bepaalt op welke periode het onderzoek betrekking zal hebben, met dien verstande dat zo mogelijk wordt gekozen voor de inschrijfgegevens vanaf 1 oktober 1996 tot en met 1 oktober 2002, maar dat in elk geval wordt uitgegaan van de inschrijfgegevens vanaf 1 oktober 1998 tot en met 1 oktober 2002.
Zij kan desgewenst voor haar werkzaamheden een beroep doen op alle kennis die in welke vorm dan ook op het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen respectievelijk het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aanwezig is omtrent haar werkterrein. De medewerking wordt niet dan op grond van wettelijke belemmeringen geweigerd.
De secretaris is voor zijn werkzaamheden voor de commissie uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen benoemt, bevordert, schorst en ontslaat, na overleg met de voorzitter van de commissie, de secretaris en de andere medewerkers.
Indien ambtenaren, in dienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen tot secretaris of medewerker zouden worden benoemd, zijn zij tegenover anderen dan de commissie verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen in het verband van de werkzaamheden van de commissie bekend is geworden.
De commissie brengt geen andere rapportages uit dan die genoemd in artikel 2, onder g en h, en artikel 3, onder c, tenzij de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen daarom verzoekt.
De commissie bestaat uit een voorzitter en vier andere leden.
De leden van de commissie ontvangen een vergoeding voor hun werkzaamheden conform het Vergoedingenbesluit adviescolleges (Stb. 1996, 583) alsmede een vergoeding voor de reis- en verblijfkosten volgens de bestaande rijksregelingen.
De commissie wordt opgeheven met ingang van de eerste dag van de derde maand nadat zij de eindrapportage bedoeld in artikel 2, onder h, heeft uitgebracht.
De archiefbescheiden van de commissie worden na haar opheffing of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder als aangewezen is, overgebracht naar het archief van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling vervalt met ingang van de eerste dag van de zesde maand nadat de commissie de eindrapportage bedoeld in artikel 2, onder h, heeft uitgebracht.
Deze regeling kan worden aangehaald als de Regeling instelling commissie vervolgonderzoek rekenschap.
Deze regeling zal met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.