Artikel
1
1
In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de artikelen 1 en 2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw.
Besluit:
In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de artikelen 1 en 2 van het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw.
De exporteur van groenten en fruit is over de door hem naar Japan en Taiwan uitgevoerde groenten en fruit aan het productschap een heffing verschuldigd .
Ter uitvoering van artikel 2 doet de exporteur van groenten en fruit aangifte bij het productschap van de tijd gedurende welke de door hem naar Japan en Taiwan uitgevoerde hoeveelheden groenten en fruit zijn gecontroleerd.
Het bedrag van de heffing wordt vastgesteld op basis van de tijd gedurende welke de uit te voeren groenten en fruit onderworpen zijn geweest aan een controle als bedoeld in artikel 3, eerste lid.
De tijd, welke is gemoeid met de controle, wordt afgerond op de tijdseenheid van een kwartier. Per kwartier is maximaal een heffing van € 45,= verschuldigd.
De hoogte van de heffing als bedoeld in het tweede lid, wordt door middel van een besluit van het bestuur vastgesteld.
De exporteur en de keurmeester ondertekenen allebei de verklaring waaruit blijkt gedurende hoeveel tijd de keurmeester één of meerdere partijen groenten en fruit heeft gekeurd, uitgedrukt in eenheden van een kwartier.
Indien een exporteur één of meer verklaringen niet heeft ondertekend, is artikel 5 van overeenkomstige toepassing.
Indien een heffingsplichtige gegevens die hem krachtens deze verordening of de Verordening PT algemene bepalingen, ten behoeve van de onderhavige verordening zijn gevraagd niet, niet tijdig of niet volledig verstrekt, wordt de heffing berekend over de dan te ramen omvang van de grondslag die op de heffingsplichtige ingevolge deze verordening van toepassing is, in welk geval de heffing wordt verhoogd met € 40,= in verband met administratiekosten.
De oplegging van de krachtens deze verordening verschuldigde heffing vindt plaats na afloop van het kalenderjaar waarover de heffing verschuldigd is en geschiedt door toezending of uitreiking aan de heffingsplichtige van een heffingsnota.
Indien uit de ter beschikking gekomen gegevens blijkt dat de verstrekking van de gegevens of een raming als bedoeld in artikel 5, niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, kan een opgelegde heffing aan de hand van deze gegevens worden herzien en opnieuw worden opgelegd.
In afwijking van het eerste lid is de nota terstond invorderbaar:
zodra het faillissement van de heffingsplichtige is aangevraagd;
zodra de heffingsplichtige het drijven van de onderneming beëindigt of van het voornemen daartoe blijkt, of
zodra de heffingsplichtige zich metterwoon in het buitenland heeft gevestigd of van het voornemen daartoe blijkt.
Aan de heffingsplichtige, die niet of niet geheel binnen de in artikel 8 bedoelde termijn heeft betaald, kunnen de daaruit voortvloeiende extra kosten van € 22,50 in rekening worden gebracht, alsmede de wettelijke interest over het niet betaalde bedrag, te berekenen vanaf de dag waarop de betaling diende te zijn verricht ingevolge de aanmaning als bedoeld in artikel 127, tweede lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie.
De invorderingskosten voortvloeiend uit het niet betalen binnen de gestelde termijn als bedoeld in artikel 8 en 9, zijn voor rekening en risico van de ondernemer.
De voorzitter is belast met de oplegging en inning van de heffing en de daarmee samenhangende kosten als bedoeld in de artikelen 5 tot en met 10.
Indien het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin deze verordening wordt geplaatst wordt uitgegeven na 31 december 2003 treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2004.
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening PT heffing export groenten en fruit Japan en Taiwan 2004.
De verordening en de daarbij behorende toelichting worden gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie.
Goedgekeurd door de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad bij besluit van 4 december 2004 en door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij beschikking van 13 december 2004, nr. TRCJZ/2003/6240.