Regeling tijdelijke vrijstelling gewasbeschermingsmiddelen met cis-dichloorpropeen 2003

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
In overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Besluit:

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt op 1 oktober 2003.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.P. Veerman

Bijlage

als bedoeld in artikel 4, tweede lid

De voorschriften, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Regeling tijdelijke vrijstelling gewasbeschermingsmiddelen met cis-dichloorpropeen luiden als volgt:

A Gebruiksvoorschrift

In het kader van de Regeling tijdelijke vrijstelling gewasbeschermingsmiddelen met cis-dichloorpropeen is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met cis-dichloorpropeen uitsluitend toegestaan als grondontsmettingsmiddel in de volle grond ter bestrijding van het stengelaaltje Ditylenchus dipsaci in de teelt van bloembollen van Allium, Camassia, Chionodoxa, Crocus flavus Weston `Golden Yellow', Galtonia, Hyacinthus, Muscari, Ornithogalum, Puschkinia, Scilla, Triteleia, Tulipa, alsmede alle soorten behorende tot de familie der Amaryllidaceae of narcisachtigen, met dien verstande dat toepassing slechts is toegestaan tot 1 oktober 2003.

Het is verboden dit middel te gebruiken in grondwaterbeschermingsgebieden, zoals aangewezen op basis van de Wet milieubeheer, daaronder niet begrepen de gebieden waarbinnen uitsluitend fysische bodemaantastingen zoals grondboringen zijn verboden.

De doseringen, zoals aangegeven onder B. Gebruiksaanwijzing mogen niet worden overschreden.

Bij alle werkzaamheden ten behoeve van de grondontsmetting moet degene die de werkzaamheden uitvoert, een volgelaatsmasker met A2P3-filter dragen, bij voorkeur voorzien van een aanblaaseenheid. Het filter tijdig maar niet later dan 1 maand na ingebruikname vervangen. Indien het filter als gevolg van een calamiteit aan hoge concentraties van het middel in de lucht heeft blootgestaan, deze dan direct vervangen.

Bij verblijf in een afgesloten cabine, voorzien van filterinstallatie en airconditioning, hoeft het volgelaatsmasker niet gedragen te worden, nadat is vastgesteld dat in de cabinelucht de concentratie van 2,5 mg dichloorpropeen per m3 niet wordt overschreden.

Het middel alleen toepassen met daartoe bestemde injectie-apparatuur.

De injectie-apparatuur moet voorzien zijn van lekvrije doppen, b.v. roestvrijstalen antidrupdoppen of een systeem dat het nadruppen van spuitdoppen voorkomt door middel van het met perslucht doorblazen van vloeistofleidingen voor het lichten van de scharen.

De injectie-apparatuur laden met een lekvrij systeem (overdrukpomp).

Het middel op tenminste 15 cm diepte inbrengen.

Bij het begin van een werkgang dienen eerst de injectie-doppen op werkingsdiepte gebracht te worden; pas daarna mag de afgifte worden ingeschakeld.

De afgifte dient tenminste 1 meter voordat de injectiedoppen uit de grond worden gelicht, gestopt te worden.

Na injectie van het middel de grond afdekken met plastic of aanrollen.

Tijdens alle werkzaamheden ten behoeve van de grondontsmetting waarbij huidcontact met het middel kan optreden doelmatige beschermende kleding, handschoenen met een lange schacht en rubberen laarzen dragen.

Verontreinigde kledingstukken onmiddellijk uittrekken.

Handschoenen en laarzen die in contact zijn geweest met het middel altijd direct met veel water wassen. Handschoenen buiten de cabine opbergen.

Het gereedmaken van de injectie-apparatuur, het verhelpen van storingen en het inwendig schoonmaken van de apparatuur dient in de buitenlucht plaats te vinden.

Het verhelpen van storingen en het schoonmaken van de apparatuur mag niet plaatsvinden zolang er middel aanwezig is op zodanige wijze dat vloeistof bij deze handelingen vrijkomt. Bij het verhelpen van storingen mogen de onderdelen waaraan deze handelingen moeten worden verricht niet onder druk staan, tenzij hierin de aard van de storing gelegen is.

Bij het gereedmaken van de injectieapparatuur, het verhelpen van storingen en het schoonmaken van de apparatuur een volgelaatsmasker met A2P3-filter dragen.

B Gebruiksaanwijzing

Algemeen:

Grondontsmettingsmiddel ter bestrijding van aaltjes.

Toepassing:

Bloembollenteelt, ter bestrijding van stengelaaltjes ten behoeve van de teelt van Allium, Camassia, Chionodoxa, Crocus flavus Weston `Golden Yellow', Galtonia, Hyacinthus, Muscari, Ornithogalum, Puschkinia, Scilla, Triteleia, Tulipa, alsmede alle soorten behorende tot de familie der Amaryllidaceae of narcisachtigen

Dosering:

1,2-1,6 liter per are, afhankelijk van de mate van besmetting, grondsoort en de bodemomstandigheden ten tijde van de ontsmetting.

Aanwijzingen voor de toepassing

Het middel onverdund toepassen.

De grond moet voor of tijdens de behandeling zaai- of plantklaar worden gemaakt en moet de daarvoor geschikte vochtigheid bezitten, maar moet vooral niet te nat zijn.

Het middel bij voorkeur toepassen bij een bodemtemperatuur (gemeten op 15 cm diepte) tussen ongeveer 7 en 16oC. Hoe lager de bodemtemperatuur des te langer blijft het middel in de grond aanwezig en des te groter is de kans op schadelijke nevenwerking van het middel.

Bij tandinjectie moet de afstand tussen twee opeenvolgende tanden niet meer bedragen dan 15 cm.

Hoe te handelen na de grondontsmetting

De grond 1 tot 3 weken ongestoord laten liggen.

Om de resten van het middel sneller te laten verdwijnen de grond vervolgens met behulp van een frees, cultivator e.d. losmaken.

Wachtperiode

Alvorens weer te planten of te zaaien na de ontsmetting een wachtperiode in acht nemen van 3 tot 6 weken.

Onder ongunstige omstandigheden (bijv. hoog vochtgehalte van de grond, lage temperatuur, sterk adsorberende grondsoort) kan deze periode veel langer zijn.

Het einde van de wachttijd kan worden vastgesteld met behulp van de tuinkersproef of eventueel door het uitzetten van enige testplantjes.

Na een grondontsmetting en vooral na een daarop volgende natte winter is in veel gevallen meer stikstof voor het gewas beschikbaar, omdat de omzetting in nitraat en daarmee de uitspoeling van stikstof tijdelijk wordt geremd. Het verdient aanbeveling vooral op zand- en dalgrond bij de bemesting van granen hiermede rekening te houden.

C Overige voorschriften

1. De in artikel 3, eerste lid, van de Regeling tijdelijke vrijstelling gewasbeschermingsmiddelen met cis-dichloorpropeen genoemde gewasbeschermingsmiddelen mogen door een handelaar slechts worden afgeleverd, indien de ontvanger van de middelen aan de handelaar een gewaarmerkte afschrift verstrekt van de beschikking, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Regeling tijdelijke vrijstelling gewasbeschermingsmiddelen met cis-dichloorpropeen, voor het perceel waarvoor de hoeveelheid is bestemd. De handelaar bewaart het gewaarmerkte afschrift van de beschikking tot 1 januari 2004.

2. Tijdens het gebruik en de opslag ten behoeve van het gebruik van de in artikel 3, eerste lid, genoemde gewasbeschermingsmiddelen dient desgevraagd het origineel of een gewaarmerkt afschrift van de beschikking, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Regeling tijdelijke vrijstelling gewasbeschermingsmiddelen met cis-dichloorpropeen, voor het perceel waarvoor de hoeveelheid is bestemd, te worden overlegd aan de met de handhaving belaste ambtenaren. Het origineel dan wel het gewaarmerkte afschrift van de beschikking wordt door de houder bewaard tot 1 januari 2004.

3. De hoeveelheid, bedoeld in bovenstaande punten 1 en 2, mag de verhouding van 1,6 liter per are waarop de betrokken beschikking betrekking heeft, niet overschrijden.

4. Het gebruik van de in artikel 3, eerste lid, van de Regeling tijdelijke vrijstelling gewasbeschermingsmiddelen met cis-dichloorpropeen genoemde gewasbeschermingsmiddelen wordt uiterlijk 48 uur van te voren gemeld aan de Plantenziektenkundige Dienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

5. Bij het gebruik van de in artikel 3, eerste lid, van de Regeling tijdelijke vrijstelling gewasbeschermingsmiddelen met cis-dichloorpropeen genoemde gewasbeschermingsmiddelen worden de aanwijzingen, zoals verstrekt bij de beschikking, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van vorenbedoelde regeling, nageleefd.