Artikel
1
Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over.
Besluit:
Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999, over.
Het programma volgens welke de ondernemer, die een kuikenbroederij uitoefent, hygiëne- onderzoeken moet laten uitvoeren is opgenomen in het in bijlage I opgenomen Protocol.
leder bedrijf dat hygiëne-onderzoeken op kuikenbroederijen verricht en is aangewezen door de Voorzitter, dient te werken volgens de voorschriften van het in bijlage I opgenomen Protocol.
De voorwaarden waaronder een ondernemer, die een kuikenbroederij uitoefent, zelf een deel van het programma mag uitvoeren zijn opgenomen in bijlage II.
Een hygiëne-onderzoek dient te voldoen aan de normen die zijn opgenomen in het in bijlage I opgenomen Protocol.
Eendagskuikens dienen door de kuikenbroederij bemonsterd te worden volgens de werkvoorschriften als opgenomen in het in bijlage III opgenomen Protocol.
Naast de reguliere door de broederijen uitte voeren bemonstering van dons, meconium of liggenblijvers dient, tenminste eens in de acht weken, de monstername van dons, van meconium of van liggenblijvers ook door het Controle Bureau Dierlijke Sector (hierna te noemen CBD), of een andere door het PPE aangewezen instantie/persoon of door een bevoegd dierenarts te geschieden. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD.
De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters, bedoeld in artikel 3, dient schriftelijk te worden vastgelegd.
De informatie betreffende de status, zoals omschreven in bijlage IV, van een partij eendagskuikens die bestemd zijn voor de productie van consumptie-eieren dient direct bij aflevering schriftelijk te worden doorgegeven aan de afnemer.
Broedeieren dienen te worden ingelegd volgens de indeling zoals opgenomen in bijlage V, teneinde kruisbesmetting te voorkomen.
De kuikenbroederij van ondernemers die een kuikenbroederij uitoefenen die alleen worden gebruikt voor het inleggen en uitbroeden van eendagskuikens-moederdier-legrassen of eendagskuikens-leghennen te voldoen aan de volgende inrichtingseisen:
de broedeierenstroom dient te lopen in één richting;
de stroomrichting van de lucht, de kuikens, het bedrijfsafval en het destructiemateriaal mag niet tegengesteld zijn aan de stroomrichting van de broedeieren;
de ventilatiesystemen van de voorbroed- en uitkomstlokalen zijn zodanig van elkaar gescheiden dat geen lucht van de uitkomstlokalen in de voorbroedlokalen kan komen;
er mag geen onderdruk in de voorbroedlokalen ten opzicht van de uitkomstlokalen ontstaan;
de uit- en inlaatopeningen zijn zover van elkaar verwijderd dat in de voorbroedlokalen geen instroom van lucht van het uitkomst- en kuikenlokaal kan plaatsvinden;
de aan- en afvoer van broedeieren, de afvoer van eendagskuikens en de afvoer van destructiemateriaal gebeurt fysiek gescheiden van elkaar.
Ondernemers die een kuikenbroederij uitoefenen die alleen worden gebruikt voor het inleggen en uitbroeden van eendagskuikens-moederdier-legrassen of eendagskuikens- leghennen dienen een reinigings- en ontsmettingsplan op te stellen, waarin wordt vastgelegd op welke wijze de kuikenbroederij wordt gereinigd en ontsmet na vaststelling van een besmetting.
Indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 3, tweede lid, blijkt dat de eendagskuikens die bestemd zijn voor de productie van consumptie-eieren besmet zijn met Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium dan dient de betreffende ondernemer de kuikenbroederij overeenkomstig het in de vorige lid bedoelde plan te reinigen en te ontsmetten.
Indien uit verificatieonderzoek bij dieren op fok- of vermeerderingsbedrijven blijkt dat deze S.e./S.t. besmet zijn dienen alle broedeieren, die door de betreffende besmette koppels zijn geproduceerd en reeds in de broederij zijn ingelegd, te worden behandeld als categorie 2-materiaal in de zin van EU- verordening 1774/2002. Eieren die door bovengenoemde koppels zijn geproduceerd en nog niet zijn ingelegd mogen worden afgezet naar de eiproductenindustrie of moeten een andere effectieve en behandeling ondergaan. De eigenaar van de S.e. of S.t. besmette broedeieren kan er te allen tijde voor kiezen deze te laten vernietigen.
Indien hetzij donsuitslagen, hetzij meconiumuitslagen hetzij uitslagen van onderzoek op liggenblijvers S.e. en/of S.t. positief zijn dienen bij de volgende uitkomst (na bekend worden van de positieve uitslag) van dit betreffende vermeerderingskoppel naast het reguliere onderzoek, 60 liggenblijvers te worden bemonsterd. Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer die de broederij uitoefent, volgens het protocol in Bijlage III. De monsters worden geanalyseerd door een door de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.
De broederijen worden ingedeeld naar grootte: klein, middelgroot en groot. Afhankelijk van de grootte van de broederijen wordt het aantal te onderzoeken locaties bepaald. Indeling van de broederijen wordt gebaseerd op het aantal ingelegde broedeieren per week.
|
kleiner of gelijk aan 500.000 |
klein |
|
groter dan 500.000 en kleiner of gelijk aan 1.000.000 |
middelgroot |
|
groter dan 1.000.000 |
groot |
De broederijen dienen gecontroleerd te worden op een tijdstip dat de ruimten na het ontsmetten zijn opgedroogd, het desinfectans zijn werk heeft gedaan en het oppervlak nog niet bezoedeld is door de uitvoering van de werkzaamheden.
De ruimten waarin niet routinematig gewerkt wordt, worden op onverwachte tijdstippen gecontroleerd. Dit kortere onderzoek vindt viermaal per jaar plaats en staat beschreven in onderdeel A : "Onderzoek routine".
De gehele broederij wordt twee keer per jaar volledig gecontroleerd. Hiervoor wordt van tevoren een afspraak gemaakt met de betreffende broederij. De controle wordt beschreven in onderdeel B : "Onderzoek speciaal".
De beide type onderzoeken worden door de Stichting Gezondheidszorg voor Dieren (hierna te noemen GD) uitgevoerd. Onder voorwaarden kan een broederij het onderzoek van onderdeel A : "Onderzoek routine" zelf uitvoeren. Deze voorwaarden staan beschreven in bijlage II van dit besluit.
Alle aangegeven onderdelen moeten voor het broederij-gemiddelde worden meegerekend. Indien het onderdeel niet bemonsterd kan worden dient dit vermeld te worden op het uitslagformulier. Van elk lokaal wordt een lokaal gemiddelde berekend. Het totaal gemiddelde wordt berekend door de gemiddelden van alle lokalen- en kasten op te tellen en te delen door de som van het aantal lokalen + kasten (gemiddelde van de gemiddelden).
De monstername, afhankelijk van de bedrijfsgrootte van de broederij, wordt uitgevoerd met een veelvoud van 12 rodacplaatjes met een diameter van 5.5 cm.
De verwerking van de monsters voor het hygiëne-onderzoek bij broederijen dient plaats te vinden volgens het onderzoek zoals beschreven in bijlage III van het 'Besluit Protocollen Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999'.
|
0 |
0 |
|
1 t/m 40 |
1 |
|
41 t/m 120 |
2 |
|
121 t/m 400 |
3 |
|
> 400 |
4 |
|
ontelbaar |
5 |
|
aanvoerlokaal + eiersorteer |
vloer inventaris transportkar |
2 1 1 |
2 |
|
1 |
|||
|
hygiënesluis |
vloer wand |
1 1 |
|
|
afraaplokaal |
vloer inventaris |
2 2 |
|
|
kantine |
vloer tafel |
1 1 |
2 1 |
|
spoelruimte |
vloer inventaris bak |
2 1 |
2 2 2 |
|
kleedlokaal |
vloer |
2 |
|
|
schouwlokaal |
vloer inventaris |
1 1 |
1 2 |
|
gang |
vloer |
2 |
|
|
Marek depot |
vloer tafel |
2 1 |
|
|
afvoergarage |
vloer |
2 |
|
|
1 voorbroedlokaal |
vloer |
2 |
2 |
|
wand |
1 |
||
|
1 uitkomstlokaal |
vloer wand |
2 |
2 1 |
|
2 |
vloer |
2 x 2 |
2 x 2 |
|
voorbroedkasten |
wand |
2 x 1 |
|
|
eieren |
2 x 1 |
2 x 1 |
|
|
1 uitkomstkast |
vloer wand plafond |
1 x 2 |
1 x 2 1 x 2 1 x 2 |
|
negatieve controle |
1 |
||
|
Totaal |
24 |
49 |
|
aanvoerlokaal + |
vloer |
2 |
2 |
|
eiersorteer |
inventaris |
1 |
|
|
transportkar |
1 |
1 |
|
|
hygiënesluis |
vloer |
1 |
|
|
wand |
1 |
||
|
afraaplokaal |
vloer |
2 |
|
|
inventaris |
2 |
||
|
kantine |
vloer |
1 |
2 |
|
tafel |
1 |
1 |
|
|
spoelruimte |
vloer |
2 |
|
|
inventaris |
2 |
2 |
|
|
bak |
1 |
2 |
|
|
kleedlokaal |
vloer |
2 |
|
|
schouwlokaal |
vloer |
1 |
1 |
|
inventaris |
1 |
2 |
|
|
gang |
vloer |
2 |
|
|
Marek depot |
vloer |
2 |
|
|
tafel |
1 |
||
|
afvoergarage |
vloer |
2 |
|
|
voorbroedlokalen |
vloer |
2 x 2 |
2 x 2 |
|
wand |
2 x 1 |
||
|
2 uitkomstlokalen |
vloer |
2 x 2 |
2 x 2 |
|
wand |
2 x 1 |
||
|
4 voorbroedkasten |
vloer |
4 x 2 |
4 x 2 |
|
wand |
4 x 1 |
||
|
eieren |
4 x 1 |
4 x 1 |
|
|
2 of 3 uitkomstkasten |
vloer |
2 x 2 |
3 x 2 |
|
wand |
3 x 1 |
||
|
plafond |
3 x 2 |
||
|
negatieve controle |
1 |
1 |
|
|
Totaal |
36 |
71 |
|
aanvoerlokaal + eiersorteer |
vloer |
2 |
2 |
|
inventaris |
1 |
||
|
transportkar |
1 |
1 |
|
|
hygiënesluis |
vloer |
1 |
|
|
wand |
1 |
||
|
afraaplokaal |
vloer |
2 |
|
|
inventaris |
2 |
||
|
kantine |
vloer |
1 |
2 |
|
tafel |
1 |
1 |
|
|
spoelruimte |
vloer |
2 |
|
|
inventaris |
1 |
2 |
|
|
bak |
1 |
2 |
|
|
kleedlokaal |
vloer |
2 |
|
|
schouwlokaal |
vloer |
1 |
1 |
|
inventaris |
1 |
2 |
|
|
gang |
vloer |
2 |
|
|
Marek depot |
vloer |
2 |
|
|
tafel |
1 |
||
|
afvoergarage |
vloer |
2 |
|
|
4 voorbroedlokalen |
vloer |
4 x 2 |
4 x 2 |
|
wand |
4 x 1 |
||
|
3 uitkomstlokalen |
vloer |
3 x 2 |
3 x 2 |
|
wand |
3 x 1 |
||
|
5 voorbroedkasten |
vloer |
5 x 2 |
6 x 2 |
|
wand |
6 x 1 |
||
|
eieren |
5 x 1 |
6 x 1 |
|
|
4 of 5 uitkomstkasten |
vloer |
4 x 2 |
5 x 2 |
|
wand |
5 x 1 |
||
|
plafond |
5 x 1 |
||
|
negatieve controle |
1 |
1 |
|
|
Totaal |
48 |
96 |
Aan het einde van elke productiedag wordt een monster van broederijafvallen (zoals liggenblijvers) genomen. Er moet een mengmonsters genomen worden met monstername verspreid over de gehele dag. Beide genoemde monsters worden onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella. Indien Salmonella wordt geconstateerd dient de broederij de oorzaak te achterhalen van de besmetting.
In de broederij moet tijdens alle bezoeken voor de hygiënebemonstering tevens een Salmonella onderzoek worden uitgevoerd. Doel van dit onderzoek is het controleren of eventueel, via de eieren, ingesleepte Salmonella in de broederij achterblijven en zich in de broederij verspreiden. Het doel is niet het aantonen van eventueel besmette koppels kuikens.
Het Salmonella onderzoek bestaat uit een monstername van 60 swabs. De swabs worden tijdens de monstername bevochtigd met Pepton/Fysiologisch-zout. Per swab wordt een oppervlakte van 25 cm2 bemonsterd. De swabs worden, per 20 stuks, verzameld in één pot.
De volgende locaties dienen te worden bemonsterd:
|
aanvoertokaal + eiersorteer |
vloer |
5 |
1 |
|
inventaris |
2 |
||
|
containers |
2 |
||
|
kleedlokaal |
vloer |
3 |
1 |
|
inventaris |
2 |
||
|
wc |
1 |
||
|
kantine |
vloer |
3 |
1 |
|
inventaris |
2 |
||
|
voorbroedlokalen |
vloer |
6 |
2 |
|
voorbroedkasten en gereinigde uitkomstkasten |
vloer |
14 |
2 |
|
spoelruimte |
vloer |
3 |
3 |
|
krattenwasser |
1 |
||
|
inventaris |
2 |
||
|
schouwlokaal |
vloer |
3 |
3 |
|
inventaris |
3 |
||
|
afraaplokaal |
vloer |
5 |
3 |
|
inventaris |
3 |
Er wordt geen onderverdeling gemaakt op basis van de grootte van de broederij. Op alle broederijen wordt een zelfde onderzoeks(schema) gehanteerd.
De beoordeling is gebaseerd op het hoogste gemiddelde van de lokalen/kasten en een totaal gemiddelde van de broederij. Op basis van de gemiddelden en de aanwezigheid van Salmonella dient actie te worden ondernomen.
Het gemiddelde per lokaal of kast mag niet hoger zijn dan 3, tenzij de monsternemer aangegeven heeft dat tijdens de monstername dusdanige werkzaamheden werden uitgevoerd dat deze de uitslag beïnvloeden. In dit geval wordt het genoemde gemiddelde niet meegenomen in de totaal beoordeling. In geval een lokaal/kast gemiddelde boven de 3 uitkomt dient de uitslag bij het volgende onderzoek minimaal voldoende te zijn. Indien, het betreffende lokaal of kast, wederom een gemiddelde van 3 of hoger scoort dient binnen een tijdsperiode van 2 maanden een extra "onderzoek speciaal" te worden uitgevoerd.
|
Lokaal of kasten gemiddelde |
Beoordeling |
Actie |
|
kleiner of gelijk aan 1 |
zeer goed |
geen |
|
groter dan 1 en kleiner of gelijk aan 2 |
goed |
geen |
|
groter dan 2 en kleiner of gelijk aan 3 |
voldoende |
geen |
|
groter dan 3 |
onvoldoende |
lokaal - of kastgemiddelde van de volgende bemonstering minimaal voldoende, anders een extra 'onderzoek speciaal' binnen 2 maanden. |
|
0 |
uitstekend |
geen |
|
groter dan 0 0 en kleiner of gelijk aan 0.5 |
zeer goed |
geen |
|
groter dan 0.5 en kleiner of gelijk aan 1.0 |
goed |
geen |
|
groter dan 1.0 en kleiner of gelijk aan 1.5 |
voldoende |
geen |
|
groter dan 1.5 en kleiner of gelijk aan 2.0 |
onvoldoende |
broederij gemiddelde van de volgende bemonstering dient minimaal voldoende te zijn, anders een extra 'onderzoek speciaal' binnen 2 maanden |
|
groter dan 2.0 en kleiner of gelijk aan 3.0 |
slecht |
extra 'onderzoek speciaal' binnen 2 maanden |
|
groter dan 3.0 |
zeer slecht |
extra 'onderzoek speciaal' binnen 1 maand |
Het programma voor hygiëne-onderzoeken zoals beschreven in bijlage I bestaat uit een uitgebreid aangekondigd onderzoek dat tweemaal per jaar zal plaatsvinden en uit vier kortere onderzoeken. Het routine hygiëne-onderzoek (onderdeel A uit bijlage I) kan door de broederijen zelf worden uitgevoerd, dat wil zeggen, mits:
het hygiëne-onderzoek wordt uitgevoerd op de wijze zoals in het protocol van bijlage I beschreven; en
de resultaten van de uitgebreide hygiëne-onderzoeken tenminste voldoende zijn; en
het hygiëne-onderzoek wordt uitgevoerd op het moment dat de broederij niet in bedrijf is, dat wil zeggen nadat het verplicht reinigen en ontsmetten heeft plaatsgevonden en voordat de werkzaamheden weer worden hervat;
de analyse van de monsters uitgevoerd wordt bij een door de voorzitter erkende organisatie.
De resultaten van het onderzoek worden meegenomen in de systeemtoets van de broederijen. Wanneer uit de resultaten van de toetsing blijkt dat de korte hygiëne-onderzoeken niet correct worden uitgevoerd of na de beoordeling niet de juiste actie is genomen dan wordt het korte hygiëne-onderzoek gedurende één jaar weer uitgevoerd door de Stichting Gezondheidszorg voor Dieren (hierna te noemen GD).
Het halfjaarlijkse uitgebreide onderzoek wordt door de GD uitgevoerd. Wanneer de resultaten van het uitgebreide onderzoek onvoldoende zijn of slecht dan voert de GD opnieuw de korte onderzoeken uit, totdat uit twee opeenvolgende uitgebreide onderzoeken blijkt dat de broederij weer tenminste voldoende scoort voor de uitgebreide onderzoeken.
Dit werkvoorschrift beschrijft de donsmonstername, meconiummonstername en monstername bij liggenblijvers in kuikenbroederijen, voor de verplichte monitoring, zoals voorgeschreven in het 'Hygiënebesluit Kuikenbroederijen legsector 2003' en anderzijds voor monitoring van vermeerderingskoppels door middel van donsonderzoek, meconiumondertoek of onderzoek bij liggenblijvers uit de broederij. De monsters worden genomen door een medewerker van de broederij.
In het kader van de S.e./S.t.-bestrijding worden vermeerderingskoppels regelmatig door de GD gescreend op de aanwezigheid van S.e. of S.t. antistoffen in het bloed. Deze screening vindt plaats op het vermeerderingsbedrijf. Vanaf ca. 22 weken kan de serologische monitoring onder bepaalde voorwaarden (zie 'Hygiënebesluit vermeerderingsbedrijven legsector 2003') op het vermeerderingsbedrijf worden vervangen door bemonstering van uitkomstmateriaai (dons, meconium of liggenblijvers) op de broederij.
Daarnaast dienen kuikenbroederijen altijd donsmonsters, meconiumrnonsters of monsters van liggenblijvers te nemen.
De frequentie van de monstername wordt weergegeven in de tabel:
|
type kuikenbroederij |
frequentie |
|
broederijen voor de productie van eendagskuikens van moederdieren vleesrassen of legrassen |
iedere uitkomstkast en iedere uitkomst |
|
broederijen voor de productie van eendagskuikens voor de productie van consumptie-eieren |
iedere vermeerderaar minimaal eenmaal in de twee weken |
|
wanneer donsonderzoek, meconiumonderzoek dan wel onderzoek op liggenblijvers op de broederij, bloedonderzoek van de vermeerderaars vervangt |
iedere uitkomstkast en iedere uitkomst |
Naast de reguliere door de broederijen uit te voeren bemonstering van dons, meconium of liggenblijvers dient, tenminste eens in de acht weken, de monstername van dons, van meconium of van liggenblijvers ook door het Controle Bureau Dierlijke Sector (hierna te noemen CBD), of een andere door het PPE aangewezen instantie/persoon of door een bevoegd dierenarts te geschieden. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD.
De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt verder aangestuurd door de GD. Monsters dienen te worden genomen uit alle uitkomstkasten waar op dat moment redelijkerwijs kan worden bemonsterd op dons, meconium dan wel liggenblijvers. Voor uitkomstkasten, waarin slechts broedeieren aanwezig zijn van fok- of vermeerderingsdieren waarop periodiek bloed- of mestonderzoek wordt uitgevoerd, is dit niet verplicht.
steriele goed afsluitbare plastic zakken of potten
etiketten
inzendformulier
Aantal en locatie te nemen monsters
Per uitkomstkast worden tenminste vijf donsmonsters genomen.
Elk donsmonster moet een monster zijn van minimaal 5 gram natte dons, genomen op de dag dat de kuikens worden afgeraapt, nadat de kast leeg is.
De monsters dienen op verschillende plaatsen in de uitkomstkast genomen te worden waarbij bij voorkeur een monster van de ventilator of grond genomen moet worden en monsters genomen dienen te worden van de linker-, rechter-, boven - en onderkant van de koelbuizen.
De monsters (intotaal 25 gram dons) kunnen in één pot of zak verzameld worden.
Donsmonsters die (mede) bestemd zijn voor monitoring van reproductiekoppels moeten te traceren zijn naar de stal(len) van herkomst.
De verantwoordelijkheid om de uitslagen van de monsters te traceren op stalniveau ligt bij de broederij. Deze moet via een protocol aantonen hoe dit wordt beheerst.
Het monster wordt genomen zonder het dons met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen. Iedere monsterpot of -zak dient direct te worden voorzien van een etiket met de volgende gegevens:
datum van monsterneming
gegevens broederij (naam en/of KIP nummer)
kastnummer
De broederij moet een protocol hebben waarin staat vermeld:
wie verantwoordelijk is voor de monstername
hoe, waar en wanneer de monstername wordt uitgevoerd
hoe de monsters kunnen worden getraceerd naar het bedrijf/de stal(len) van
herkomst.
Elke inzending moet vergezeld gaan van een formulier waarop de gegevens van de monsters van die dag worden geregistreerd. Hierbij dienen tevens te worden vermeld:
naam en/of KIP nummer herkornstbedrijf
bij monitoring koppelnummer(s)/stalnummer(s).
Een afschrift van het formulier moet op de broederij aanwezig blijven t.b.v. controle van het systeem door derden.
De monsters moeten binnen 48 uur aanwezig zijn bij een door de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.
De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.
De broederij dient een registratie bij te houden per broederij, per vermeerderaar, per fokbedrijf en per stal, waarin alle resultaten van het Salmonella-onderzoek (ook de negatieve) worden vastgelegd. Deze dienen minimaal twee jaar na ruimen van het desbetreffende koppel te worden bewaard (i.v.m. traceringconderzoeken en systeemcontrole).
De monsters worden door het erkende laboratorium geanalyseerd op aan- of afwezigheid van Salmonella.
Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de vier hoofdgroepen en S.e./S.t.
Wanneer S.e. en/of S.t . wordt geconstateerd, moet: dit direct worden gemeld aan de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren, met vermelding van het/de (vermoedelijke) bedrijf/bedrijven van herkomst t.b.v. bevestigingsonderzoek.
steriele goed afsluitbare plastic zakken of potten.
etiketten.
steriele plastic handschoenen.
inzendformulier.
Van één leverantie broedeieren dienen tenminste 250 meconiummonsters te worden verzameld.
De monsters dienen op verschillende plaatsen in de uitkomstkasten te worden genomen.
Monstername dient te geschieden zonder de meconiums met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
De monsters kunnen in één plastic pot ofzak worden verzameld.
Doe dit zo dat de monsters niet met iets anders in aanraking komen, om een eventuele besmetting van/vanuit de omgeving te voorkomen.
De verantwoordelijkheid om de uitslagen van de monsters te traceren op stalniveau ligt bij de broederij. Deze moet via een protocol aantonen hoe dit wordt beheerst.
Sluit iedere pot of plastic zak direct na het vullen zorgvuldig.
Voorzie elke pot of plastic zak van een etiket met de volgende gegevens:
monsterdatum
registratie-nummer van de broederij
uitkomstkastnummer(s)
De broederij dient te beschikken over een protocol waarin is vermeld:
wie verantwoordelijk is voor de monstername
hoe, waar en wanneer de monstername wordt uitgevoerd
hoe de monsters kunnen worden getraceerd naar het bedrijf/de stal(len) van herkomst.
Elke inzending moet vergezeld gaan van minimaal de volgende gegevens: de rnonsterdatum, het stalnummer en de afzender (KIP-nummer en naam pluimveehouder).
Een document met daarop deze gegevens dient aanwezig te blijven op de broederij ten behoeve van controle door derden
De monsters moeten binnen 48 uur aanwezig zijn bij een door de voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.
De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.
Er dient een deugdelijke registratie bijgehouden te worden per vermeerderaar, per fokbedrijf en perstal, waarin alle resultaten van het Salmonella-onderzoek (ook wanneer deze negatief uitwijst) worden vastgelegd. Deze dient minimaal twee jaar na ruimen van het desbetreffende koppel te worden bewaard (in verband met traceringsonderzoeken en systeemcontrole).
De monsters worden door het erkende laboratorium geanalyseerd op aan- of afwezigheid van Salmonella.
Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de vier hoofdgroepen en S.e./S.t.
Wanneer S.e. en/of S.t. wordt geconstateerd, moet dit direct worden gemeld aan de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren, met vermelding van het/de (vermoedelijke) bedrijf/bedrijven van herkomst met betrekking tot bevestigingsonderzoek.
Het mengmonster meconium wordt op het lab goed gehomogeniseerd en vervolgens in een verhouding van 1:10 verdund met BPW en geanalyseerd als is voorgeschreven voor mestmonsters in de branchemethode
Steriele goed afsluitbare plastic zakken of potten
Etiketten
Steriele plastic handschoenen Inzendformulier
Van één leverantie broedeieren dienen karkassen van 60 niet aangepikte liggenblijvers (broedeieren) die in de schaal zijn gestorven te worden bemonsterd.
De monsters dienen op verschillende plaatsen in de uitkomstkasten genomen te worden.
Monstername dient te geschieden zonder de dode kuikens met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
De monsters kunnen in één plastic pot of zak worden verzameld.
Doe dit zo dat de monsters niet met iets anders in aanraking komen, om evt. besmetting van/vanuit de omgeving te voorkomen.
De verantwoordelijkheid om de uitslagen van de monsters te traceren op stalniveau ligt bij de broederij. Deze moet via een protocol aantonen hoe dit wordt beheerst.
Sluit iedere pot of plastic zak direct na het vullen zorgvuldig.
Voorzie elke pot of plastic zak van een etiket met de volgende gegevens:
monsterdatum
registratie-nummer van de broederij
uitkomstkastnummer (s)
De broederij dient te beschikken over een protocol waarin is vermeld:
wie verantwoordelijk is voor de monstername
hoe de monstername wordt uitgevoerd
hoe de monsters kunnen worden getraceerd naar het bedrijf/de stal(len) vanherkomst.
Elke inzending moet vergezeld gaan van minimaal de volgende gegevens: de monsterdatum, het stalnummer en de afzender (KIP-nummer en naam pluimveehouder).
Een document met daarop deze gegevens dient aanwezig te blijven op de broederij ten behoeve van controle door derden
De monsters moeten binnen 48 uur aanwezig zijn bij een door de voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.
De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.
Er dient een deugdelijke registratie bijgehouden te worden per vermeerderaar, per fokbedrijf en per stal, waarin alle resultaten van het Salmonella-onderzoek (ook wanneer deze negatief uitwijst) worden vastgelegd. Deze dient minimaal twee jaar na ruimen van het desbetreffende koppel te worden bewaard (in verband met traceringsonderzoeken en systeemcontrole).
De monsters worden door het door de voorzitter van het Productschap erkende laboratorium geanalyseerd op aan- of afwezigheid van Salmonella. Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de vier hoofdgroepen en S.e./S.t.
Wanneer S.e. en/of S.t. wordt geconstateerd, moet dit direct worden gemeld aan de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren, met vermelding van het/de (vermoedelijke) bedrijf/bedrijven van herkomst met betrekking tot bevestigingsonderzoek.
Het monster liggenblijvers van 60 stuks wordt in zijn geheel gehomogeniseerd in een steriele mixer, dan wel worden er enkele deel monsters elk bestaande uit 10 a 15 eieren van gemaakt, die afzonderlijk worden gehomogeniseerd. Uit elk homogenisaat wordt vervolgens een monster genomen van circa 25 g, dat wordt verdund met 1:10 BPW voor Salmonella analyse.
De kuikenbroederij moet bij aflevering van eendagskuikens aan de afnemer de status van de eendagskuikens meegeven volgens onderstaande tabel:
|
vrij |
geen aanwijzing dat de vermeerderingskoppels S.e./S.t. positief zijn |
uitslag hetzij donsonderzoek, hetzij meconiumonderzoek, hetzij onderzoek op liggenblijvers nasturen wanneer koppel toch besmet blijkt |
|
mogelijk besmet |
vermeerderingskoppels S.e./S.t. verdacht |
- afnemer melden dat koppel de status heeft van mogelijk S.e./S.t.-besmet én - uitslag hetzij donsonderzoek, hetzij meconiumonderzoek, hetzij onderzoek op liggenblijvers waaruit blijkt dat koppel besmet of vrij is, nasturen |
Wanneer in de uitkomstkast eieren van meerdere vermeerderaars werden uitgebroed hoeven de andere kuikens van deze vermeerderaars uit andere kasten (meteen negatieve uitslag) niet ais mogelijk verdacht te worden afgeleverd totdat bevestigd is van welke vermeerderaar de besmetting afkomstig is.
Wanneer na maximaal drie uitkomsten na de eerste verdenking nog niet bekend is van welke vermeerderaarde besmetting afkomstig is, moet wel aan de afnemers van eendagskuikens afkomstig uit broedeieren van alle vermeerderaars die in de positieve uitkomstkast(en) aanwezig waren worden gemeld dat de kuikens mogelijk besmet zijn.
De kuikenbroederijen dienen de maximale inspanning te verrichten om de besmetting zo spoedig mogelijk op te sporen.
Een isolatie van een Salmonella enteritidis en/of Salmonella typhimurium zal daarnaast ook leiden tot traceringconderzoek in het kader van de Se/St bestrijding.
De kuikenbroederij dient broedeieren in de kuikenbroederij gescheiden te houden volgens onderstaande categorie-indeling:
broedeieren van onverdachte koppels moederdieren en broedeieren van koppels moederdieren die behandeld zijn geweest (vanaf de derde dag van de behandeling);
broedeieren van verdachte koppels moederdieren:
broedeieren van koppels moederdieren die hetzij verdacht worden van een Salmonella-besmetting, zonder dat deze besmetting is bevestigd of
broedeieren van koppels, waarvan de behandeling net is ingezet (tot de derde dag);
broedeieren van Salmonella-besmette koppels moederdieren.