Besluit van het Productschap Pluimvee en Eieren van 11 december 2003

Hygiënebesluit vermeerderingsbedrijven pluimveevleessector 2003

Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren;

Besluit:

Artikel

2

Artikel

2A

Indien bij het pluimvee op een (opfok-)vermeerderingsbedrijf in de pluimveevleessector op de wijze zoals beschreven in het in Bijlage I opgenomen programma Salmonella is aangetoond, moet het (opfok-)vermeerderingsbedrijf een tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan overeenkomstig het model in Bijlage II opstellen en het betreffende plan uitvoeren.

Artikel

3

Artikel

4

De ondernemer die een opfokbedrijf bestemd voor een vermeerderingsbedrijf uitoefent en zijn pluimvee ent tegen Salmonella enteritidis is verplicht dit schriftelijk door te geven aan het Productschap.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

6a

Artikel

7

Indien tussentijds pluimvee van een vermeerderingsbedrijf wordt afgevoerd is de ondernemer verplicht het betreffende pluimvee af te voeren in bedrijfseigen kratten of containers.

Artikel

8

Zoetermeer
J.J. Ramekers voorzitter
S.B.M. Jongerius secretaris

Bijlage

I

Onderzoeksprogramma (opfok-)vermeerderingsbedrijven

A

Opfokbedrijven waarvan het pluimvee bestemd is voor vermeerderingsbedrijven

A.1

Monstername en analyse

Monsters van opfokdieren dienen te worden geanalyseerd op alle types Salmonella en genomen volgens onderstaande tabel:

eendagskuikens, en

inlegvellen

indien de voorgaande uitslag van het onderzoek op donsmonsters, meconiummonsters of op liggenblijvers (fokkoppel), Salmonella positief is:

dode kuikens, bij aankomst

4 weken

cloacamest: analyse door de GD

maximaal 14 dagen voor overplaatsing

mest: analyse door de GD

De eendagskuikens worden onderzocht door middel van het bemonsteren van inlegvellen. Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer, die een opfokvermeerderingsbedrijf uitoefent, volgens het protocol uit onderdeel D. De monsters worden geanalyseerd door een door de Voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.

Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de hoofdgroepen en S.e./S.t.. Indien er twijfel bestaat ten aanzien van de oorzaak van de besmetting moet een nadere serotypering gedaan worden.

Wanneer de donsmonsters, meconiummonsters of liggenblijvers van het betreffende koppel fokdieren Salmonella positief bleken dienen van de volgende uitkomst op het opfokbedrijf kuikens te worden bemonsterd die bij aankomst dood zijn (maximaal 60).

Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer die het opfokvermeerderingsbedrijf uitoefent, volgens het protocol uit onderdeel E. De monsters dienen te worden geanalyseerd door een door de voorzitter van het productschap erkend laboratorium.

Op een leeftijd van vier weken worden per stal 60 cloacamestmonsters genomen die tot twee monsters van ieder 30 worden gepoold.

Maximaal 21 dagen voor overplaatsing worden per stal 150 cloacamestmonsters genomen die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25 swabs.

De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt verder aangestuurd door de Gezondheidsdienst voor Dieren (hierna te noemen GD ) en wordt uitgevoerd door het Controle Bureau Dierlijke Sector (hierna te noemen CBD) of een andere door het PPE aangewezen instantie/persoon of door een bevoegd dierenarts. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD.

Alle monsters worden geanalyseerd door de GD op de aan- of afwezigheid van Salmonella.

Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt getypeerd naar de vier hoofdgroepen en S.e./S.t.. Indien er twijfel bestaat ten aanzien van de oorzaak van de besmetting moet een nadere serotypering gedaan worden.

A.2

Actie bij positieve bevindingen

Bij verdenking van Salmonella vindt verificatieonderzoek plaats door de GD. Het verificatieonderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verdenking plaats. In principe is dat binnen 24 uur na het vaststellen van de verdenking. Het verificatie onderzoek bestaat uit het nemen van 60 bloedmonsters die tot 10 monsters van ieder 6 worden gepoold en uit het nemen van 150 mestmonsters die tot 6 monsters van ieder 25 worden gepoold. Bij besmetting met S.e., S.t. wordt het betrokken koppel opfokvermeerderingsdieren onverwijld door de ondernemer geruimd. Pluimvee dat vanwege een S.e., S.t. of besmetting is geruimd mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met S.e., S.t. of besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella's af te doden. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen een geruimd koppel pluimvee te laten vernietigen.

Indien een koppel pluimvee besmet is met een Salmonella niet zijnde S.e./S.t. (op basis van het mestonderzoek) dan dient het koppel binnen zeven dagen na vaststelling van de besmetting met een daarop gerichte effectieve antibacteriële behandeling behandeld te worden. Om vast te stellen of het koppel weer vrij is neemt het CBD of een andere door het PPE aangewezen instantielpersoon 150 mestmonsters die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25, tenzij binnen 2 weken na de behandeling reeds een mestonderzoek volgens onder A1 genoemd onderzoeksprogramma wordt uitgevoerd.

Indien een koppel besmet is met Salmonella moet een traceringsonderroek uitgevoerd worden door een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de Gezondheidsdienst voor Dieren of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken van de besmetting. Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de ondernomenlte ondernemen acties worden vastgelegd. Getracht wordt om een volgende besmetting te voorkomen. Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan kan daarbij als handleiding worden gebruikt.

A.3

Resultaten onderzoek

Indien uit de analyse van de inlegvellen blijkt dat het koppel pluimvee verdacht wordt van een Salmonellabesrnetting, dan dient de ondernemer de GD (S.e./S.t.) of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium (overige Salrnonellae) hierover te informeren, waarna het verificatie-onderzoek uitgevoerd zal worden.

De GD (S.e./S.t.) of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium (overige Salmonellae) geeft de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek binnen één maand door aan het productschap en geeft de uitslag van het verificatie onderzoek binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij de GD of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium. De monstername geschiedt binnen 1 dag na melding van de verdenking door de pluimveehouder bij de GD of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium. Als uit de resultaten van het verificatie-onderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e.,S.t. is besmet dan stelt de voorzitter van het productschap de betreffende ondernemer op de hoogte van de geconstateerde besmetting.

De uitslag van het onderzoek op Salmonella dat plaatsvindt op maximaal 14 dagen voor aflevering dient door de ondernemer schriftelijk te worden doorgegeven aan de volgende schakel.

B

Vermeerderingsbedrijven

B.1

Monstername en analyse

Vermeerderingsdieren dienen bemonsterd te worden op alle types Salmonella volgens tabel 1. Wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden onder C, moeten de vermeerderingsdieren bemonsterd worden volgens tabel 1 of volgens tabel 2.

N.B. De onderzoeksschema's zijn verschillend voor koppels pluimvee die al dan niet geënt zijn tegen S.e.

Tabel

in de 22-24ste week en daarna om de twee weken

mestonderzoek: analyse door het erkende laboratorium

Er dient volgens de in de tabel genoemde frequentie een mestonderzoek te worden uitgevoerd. Daarvoor worden per stal 150 monsters genomen die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25 swabs. De ondernemer kan er ook voor kiezen het onderzoek uit te voeren middels het nemen van twee paar overschoentjes of twee dragswabs zie D.

De monsters worden door een door het productschap erkend laboratorium onderzocht op aanwezigheid van Salmonella. De monsters die genomen mogen worden van maximaal drie stallen gezamenlijk in één zak of pot worden aangeleverd bij het erkende laboratorium. Het laboratorium voert één analyse uit op het gepoolde monster. Bij constatering van een Salmonella-besmetting in het gepoolde monster moet in alle betrokken stallen een verificatie-onderzoek worden verricht en moeten de broedeieren van alle stallen logistiek gebroed worden. Zodra via verificatie-onderzoek bekend is uit welke stallen de besmetting afkomstig is, worden alleen de broedeieren uit de na verificatie vastgestelde besmette stallen logistiek gebroed.

Eenmaal per acht weken moet de bemonstering over de overschoentjes of (drag)swabs door het CBD of een andere door het PPE aangewezen persoon/instantie of door een bevoegd dierenarts te geschieden. Terzake moet(en) deze(n) een overeenkomst zijn aangegaan met de GD. Alle monsters worden geanalyseerd door het erkende laboratorium op de aan- of afwezigheid van Salmonella. Wanneer Salmonella aanwezig is, moet geanalyseerd worden om welk serotype het gaat.

Wanneer de vermeerderingsdieren zijn gehuisvest in kooien kan de monstername op de navolgende wijze plaatsvinden. Van minimaal 150 dieren moet een mestmonster worden verkregen. Dit kan worden verzameld via de mestband. De mest moet verzameld worden in twee potten. Verdere analyse vindt plaats conform bijlage D.

B.2

Actie bij positieve bevindingen

Bij verdenking van Salmonella vindt verificatieonderzoek plaats door de GD. Het verificatieonderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verdenking plaats. In principe is dat binnen 24 uur na het vaststellen van de verdenking. Het verificatieonderzoek bestaat uit het nemen uit het nemen van 300 mestmonsters die tot 12 monsters van ieder 25 worden gepoold. Indien de dieren verdacht worden van S. java en daartegen geënt zijn, moeten 450 mestmonsters genomen worden die tot 18 monsters van ieder 25 worden gepoold.

Bij een verdenking naar S.e. moeten 60 bloedmonsters worden genomen die gepoold worden tot 10 monsters van ieder 6 en 150 mestmonsters die gepoold worden tot 6 monsters van 25, tenzij de dieren tegen S.e. geënt zijn. Dan worden 300 mestmonsters genomen die gepoold worden tot 12 monsters van ieder 25.

Bij besmetting met S.e., S.t. moet het betrokken koppel dieren onverwijld door de ondernemer worden geruimd en mogen geen broedeieren meer worden afgeleverd.

Indien door middel van verificatieonderzoek geconstateerd is dat een koppel pluimvee met Salmonella is besmet en er wordt niet geruimd, dan dient het koppel binnen zeven dagen na vaststelling van de besmetting met een daarop gerichte effectieve antibacteriële behandeling behandeld te worden. Om vast te stellen of het koppel weer vrij is neemt het CBD of een andere door het PP€ aangewezen instantie/persoon 150 mestmonsters die gepoold worden tot 6 monsters van ieder 25, tenzij binnen 2 weken na de behandeling reeds een mestonderzoek volgens onder B.1. genoemd onderzoeksprogramma wordt uitgevoerd. De pluimveehouder kan bij een salmonellabesmetting te allen tijde er voor kiezen het koppel te ruimen.

Pluimvee dat vanwege een S.e. of S.t. besmetting is geruimd mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met S.e., S.t. besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella's af te doden. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen een geruimd koppel pluimvee te laten vernietigen. Reeds in de broederij ingelegde broedeieren geproduceerd door S.e., S.t. besmette vermeerderingsdieren dienen te worden behandeld als categorie 2-materiaal conform Verordening (EG) nr. 1774/2002. De nog niet ingelegde broedeieren, die zijn geproduceerd door het besmette koppel, mogen worden afgezet naar de eiproductenindustrie of moeten een andere effectieve behandeling ondergaan.

Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen de met S.e., S.t. besmette broedeieren te laten vernietigen.

Indien een koppel besmet is met Salmonella moet een traceringsonderzoek uitgevoerd worden door een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de Gezondheidsdienst voor Dieren of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken.

Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de ondernomen/te ondernemen acties worden vastgelegd. Getracht wordt om een volgende besmetting te voorkomen. Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan kan daarbij als handleiding worden gebruikt.

B.3

Doorgifte resultaten onderzoek

De GD (S.e./S.t.) of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium (overige Salmonellae) geeft de resultaten van het door haar uitgevoerde onderzoek binnen één maand door aan het productschap en geeft de uitslag van het verificatie onderzoek binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij de GD of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium. De monstername geschiedt binnen 1 dag na melding van de verdenking door de pluimveehouder bij de GD of het door de voorzitter van het productschap erkende laboratorium.

Als uit de resultaten van het verificatieonderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e./S.t. of Salmonella paratyphi B var Java is besmet dan geeft het erkende laboratorium de besmetting, waarbij een identificatienummer van de pluimveehouder is vermeld (KIP-nummer), binnen 48 uur aan het productschap door. De melding moet gedaan worden vanaf de eerste constatering t/m de verificatiestap. De pluimveehouder is ervoor verantwoordelijk dat de uitslag wordt doorgegeven aan het productschap. Hij kan dit laten uitvoeren door het erkende laboratorium.

Als uit de resultaten van het verificatieonderzoek blijkt dat het koppel pluimvee met S.e., S.t. is besmet dan stelt de voorzitter van het productschap de betreffende ondernemer op de hoogte van de geconstateerde besmetting.

De uitslagen van het onderzoek op Salmonella dienen door de ondernemer schriftelijk te worden doorgegeven aan de volgende schakel.

C

Werkvoorschrift voor het nemen van monsters inlegvellen

Doel

Dit werkvoorschrift beschrijft de monstername van inlegvellen zoals voorgeschreven is in het kader van het onderzoek naar Salmonella van opfokvermeerderingsdieren bij aankomst.

De monsters worden genomen op het opfokvermeerderingsbedrijf door of namens de eigenaar.

Benodigdheden

  • Steriele goed afsluitbare plastic zakken of potten.

  • Etiketten.

  • Steriele plastic handschoenen.

  • Inzendformulier.

Werkwijze

Aantal en locatie te nemen monsters

  • Er dient bij elke levering een monster van 40 inlegvellen per vrachtauto en per aanhangwagen genomen te worden. Indien er minder dan 40 inlegvellen voorhanden zijn dienen 40 stukjes van de aanwezige inlegvellen genomen te worden. Indien er minder dan 10 inlegvellen aanwezig zijn dienen er minimaal 4 hele inlegvellen voor onderzoek ingestuurd te worden of wat er voorhanden is.

  • De monsters moeten duidelijk met mest besmeurde (delen van) inlegvellen zijn en zoveel mogelijk (van) de inlegvellen uit de onderste kratten, containers dan wel dozen zijn.

  • De monsters dienen evenredig verspreid over de geleverde kuikens verzameld te worden.

Uitvoering monstername

  • Scheur, indien er voldoende inlegvellen voorhanden zijn, met behulp van steriele plastic handschoenen een duidelijk zichtbaar besmeurd deel (ca. 5 bij 5 cm) van een inlegvel af. Indien er onvoldoende inlegvellen voorhanden rijn dient een heel inlegvel genomen te worden.

  • Doe dit in een plastic pot of zak.

  • Doe dit zo dat de monsters niet met iets anders in aanraking komen, om evt. besmetting van/vanuit de omgeving te voorkomen.

  • Verzamel op deze wijze per vrachtauto en per aanhangwagen 1 pot met alle stukjes inlegvellen.

  • Sluit iedere pot direct na het vullen zorgvuldig.

  • Voorzie elke pot van een etiket met de volgende gegevens: monsterdatum, KIP nummer en stalnummer(s).

Inzendformulier

  • Elke inzending moet vergezeld gaan van minimaal de volgende gegevens: de monsterdatum, het stalnummer en de afzender (KIP-nummer).

Verzending monsters

  • De monsters moeten binnen 48 uur aanwezig zijn bij een door de voorzitter van het productschap erkend laboratorium.

  • De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.

D

Werkvoorschrift voor het nemen van dode kuikenmonsters

Doel

Dit werkvoorschrift beschrijft de monstername van dode kuikens zoals is voorgeschreven in het kader van het onderzoek naar Salmonella bij vermeerderingsdieren bij aankomst op het opfokvermeerderingsbedrijf. De monsters dienen te worden genomen wanneer de donsmonsters, meconiummonsters of liggenblijvers van het betreffende fokkoppel Salmonella positief zijn.

De monsters worden genomen op het opfokvermeerderingsbedrijf door of namens de eigenaar.

Benodigdheden

  • Steriele plastic goed afsluitbare zakken of potten.

  • Etiketten.

  • Steriele plastic handschoenen.

  • Inzendformulier.

Werkwijze

Aantal en locatie te nemen monsters

  • Alle dode kuikens dienen bij aankomst op het opfokvermeerderingcbedrijf te worden bemonsterd (met een maximum van 60).

Uitvoering monstername

  • Verzamel de dode kuikens met behulp van steriele plastic handschoenen.

  • Doe dit in een plastic pot of zak.

  • Doe dit zo dat de monsters niet met iets anders in aanraking komen, om een eventuele besmetting van/vanuit de omgeving te voorkomen.

  • Sluit iedere pot of plastic zak direct na het vullen zorgvuldig.

  • Voorzie elke pot of plastic zak van een etiket met de volgende gegevens: monsterdatum, KIP-nummer, naam pluimveehouder en stalnummer(s).

Inzendformulier

  • Elke inzending moet vergezeld gaan van minimaal de volgende gegevens: de monsterdatum, het stalnummer en de afzender (KIP-nummer, naam pluimveehouder).

Verzending monsters

  • De monsters moeten binnen 48 uur aanwezig zijn bij een door de voorzitter van het Productschap erkend laboratorium.

  • De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.

Voorbewerking monstermateriaal dode kuikens.

  • Op het laboratorium worden de dode kuikens opengeknipt met steriele schaar en pincet.

  • Lever, dooierrest en darrnpakket worden verwijderd. Na uitwendige desinfectie Omet alcohol worden de delen, dan wel de inhoud ervan in een 10-voudige hoeveelheid BPW gehomogeniseerd.

  • De analyse geschiedt conform de Branchemethode voor het aantonen van Salmonella in dons, faeces, vellen en eindproduct afkomstig van pluimvee.

  • Het is toegestaan een mengmonster te maken van de organen van meerdere kuikens, tot een maximum van 15, waarbij de 1:10 verdunning in acht wordt genomen. Indien er meerdere kuikens moeten worden onderzocht zullen er dus meerdere mengmonsters worden gemaakt.

E

Werkvoorschrift voor het nemen van mestmonsters voor Salmonella

Monstername met wattenstaafjes (swabs)

Benodigdheden

  • Wattenstaafjes/swabs (steriel).

  • Steriele plastic potten zonder binnendeksel of plastic zakken.

  • Etiketten.

  • Inzendformulier.

Werkwijze

Aantal, soort en locatie te nemen mestmonsters

  • Er dienen 150 monsters per stal genomen te worden met behulp van wattenstaafjes. Bijvoorkeur moeten dit verse blindedarm-mestmonsters zijn (dat is bruine, glimmende mest). Indien deze niet of onvoldoende aanwezig zijn moet dit vervangen/aangevuld worden door cloaca-monsters.

  • De monsters dienen evenredig verspreid over de stal verzameld te worden.

  • Op deze wijze kan een Salmonella besmetting bij tenminste 2% van de dieren met 95% zekerheid worden aangetoond.

Uitvoering monstername

  • Was voor de monstername altijd uw handen.

  • Neem met behulp van een wattenstaafje het blindedarm-mestmonster (ca. 1 gram mest) of cloaca monster (daarbij dient het wattenstaafje duidelijk zichtbaar besmeurd te worden).

  • Zet het wattenstaafje in een plastic pot ( per pot 15 wattendragers bij elkaar).

  • Breek het met de handen aangeraakte eind van het staafje af zonder het deel in de pot aan te raken. Verzamel op deze wijze 2 potten à 15 monsters.

    Wanneer gebruik wordt gemaakt van individueel in buisjes verpakte swabs, worden deze gewoon teruggeplaatst in de buisjes. Deze dienen in het laboratorium tot twee monsters worden verwerkt.

  • Sluit iedere pot direct na het vullen zorgvuldig.

  • Voorzie de pot van een etiket met de volgende gegevens: monsterdatum, stalnummer en KIP nummer.

Inzendformulier

  • Elke inzending moet vergezeld gaan van minimaal de volgende gegevens: de monsterdaturn, het stalnummer en de afzender (KIP-nummer).

Verzending monsters

  • De monsters moeten binnen 48 uur aanwezig zijn bij het erkende laboratoriurn.

  • De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.

Monstername met overschoentjes

Benodigdheden

  • 2 paar overschoentjes (steriel).

  • Steriele plastic zakken.

  • Etiketten.

  • Inzendformulier.

Werkwijze

Aantal, soort en locatie te nemen mestmonsters

  • Er dient per stal tweemaal bemonsterd te worden met een apart paar overschoentjes.

  • Het monster moet evenredig verspreid over de stal verzameld te worden.

Uitvoering monstername

  • Was voor de monstername altijd uw handen.

  • Trek in de stal over het staleigen schoeisel een paar overschoentjes aan.

  • Loop een volledige ronde door de stal.

  • Doe de overschoentjes bij het verlaten van de stal in een steriele plastic zak.

  • Per stal dienen twee paar overschoentjes te worden ingestuurd. De werkwijze moet dus worden herhaald.

  • Sluit iedere zak direct na het vullen zorgvuldig.

  • Voorzie de zak van een etiket met de volgende gegevens: monsterdatum, stalnummer en KIP nummer.

Inzendformulier

  • Elke inzending moet vergezeld gaan van minimaal de volgende gegevens: de monsterdatum, het stalnummer en de afzender (KIP-nummer).

Verzending monsters

  • De monsters moeten binnen 48 uur aanwezig zijn bij het erkende laboratorium .

  • De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.

Monstername met dragswabs

Benodigdheden

  • 2 dragswabs (steriel).

  • Steriele plastic zakken.

  • Etiketten.

  • Inzendformulier.

Werkwijze

Aantal, soort en locatie te nemen mestmonsters

  • Er dient per stal tweemaal bemonsterd te worden met een aparte dragswab.

  • Het monster moet evenredig verspreid over de stal verzameld te worden.

Uitvoering monstername

  • Was voor de monstername altijd uw handen.

  • Sleep de dragswab door de stal.

  • Loop een volledige ronde door de stal.

  • Doe de dragswab bij het verlaten van de stal in een steriele plastic zak.

  • Per stal dienen twee dragswabs te worden ingestuurd. De werkwijze moet dus worden herhaald.

  • Sluit iedere zak direct na het vullen zorgvuldig.

  • Voorzie de zak van een etiket met de volgende gegevens: monsterdatum, stalnummer en KIP nummer.

Inzendformulier

  • Elke inzending moet vergezeld gaan van minimaal de volgende gegevens: de monsterdatum, het stalnummer en de afzender (KIP-nummer).

Verzending monsters

  • De monsters moeten binnen 48 uur aanwezig zijn bij het erkende laboratorium.

  • De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.

Bijlage

II

Tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan in de pluimveevleessector

INHOUDSOPGAVE

2

1 INLEIDING

3

2. INTAKE OP HET BEDRIJF

4

2.1 ALGEMENE BEDRIJFSGEGEVENS

4

2.2 HISTORIE ROND HYGIËNE EN SALMONELLA

6

2.3 PLATTEGROND VAN HET BEDRIJF

6

2.4 HET GEBRUIK VAN DE CHECKLIST

7

3 TRACEREN VAN BESMETTINGSBRONNEN OP HET BEDRIJF

8

3.1 OMGEVING EN INRICHTING BEDRIJF

8

3.2 REINIGEN EN ONTSMETTEN

11

3.4 ONGEDIERTEBESTRIJDING

13

4 TRACEREN VAN BESMETTINGSBRONNEN BIJ DE DIEREN

15

4.1 PLUIMVEE

15

4.2 VOER

16

4.3 WATER

17

4.4 EIEREN

19

4.5 MEST

20

5 MONITORING

20

5.1 SALMONELLA - ONDERZOEK

20

5.2 INFORMATIE - OVERDRACHT

21

5.3 MAATREGELEN BIJ EEN BESMETTING

21

6 BESTRIJDINGSPLAN

23

6.1 OP KORTE TERMIJN

23

6.2 OP LANGERE TERMIJN

23

1

Inleiding

Door de Productschappen Vee, Vlees en Eieren is sinds 1997 het Plan van Aanpak Salmonella en Campylobacter in de pluimveevleessector van kracht. In het najaar van 2000 is, nadat de tot dan toe geformuleerde doelstellingen nog niet gehaald waren een verscherpt plan opgesteld. In het nieuwe plan, het Actieplan Salmonella en Campylobacter pluimveevlees 2000+ omvat een aantal verscherpingen waarbij tracering van de besmetting een belangrijk onderdeel zijn geworden. Daarom is ook het hierna beschreven protocol voor tracering-, monitoring- en bestrijding opgesteld.

Wanneer op een (op)fokbedrijf, (opfok)vermeerderingsbedrijf of een vleeskuikenbedrijf bij twee koppels achtereen een Salmonella besmetting wordt geconstateerd, moet samen met een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de Gezondheidsdienst voor Dieren of een andere deskundige een uitgebreid tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan voor het bedrijf worden opgesteld om de besmetting op het bedrijf te bestrijden en een herbesmetting te voorkomen. Dit plan dient te worden opgesteld in de periode tussen de uitslag van de monstername en het plaatsen van het volgende koppel dieren. De vleeskuikenhouder is van de verplichting om het plan in de periode tussen de uitslag van de monstername en het plaatsen van het volgende koppel dieren gereed te hebben uitgezonderd.

Wanneer het tracerings-, monitorings- en bestrijdingcplan niet succesvol blijkt te zijn, kan het PPE aanvullende eisen aan het bedrijf stellen wat betreft inrichting, bestrijdings- en beheersingsmaatregelen en de logistiek en bestemming van de dieren of eieren.

Dit handboek biedt een handleiding voor het traceren, monitoren en bestrijden van Salmonella op de bedrijven middels een op maat geschreven plan. Het plan zal per specifiek (besmet) bedrijf richting geven aan een nieuwe opzet waarbij de kans op (her)besmetting zoveel mogelijk wordt vermeden. Bedrijfsspecifieke aandachtspunten worden systematisch verzameld en als actiepunten naarde ondernemer toe vertaald.

Het handboek is een opstap tot het plan. De huidige situatie m.b.t. de werkwijze, werkvolgorde, goederenstroom, hygiëne, gedrag en denkwijze van de ondernemer wordt in kaart gebracht. Uitgangspunt bij de screening is de "Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999". Hierin staan een aantal productievoorwaarden zoals die sinds 1 november 1997 voor pluimveehouders gelden. De screening van het (besmette) bedrijf vindt plaats aan de hand van de checklist in het handboek. Door met de pluimveehouder de aandachtspunten van de checklist na te lopen, de ogen tijdens de rondgang op het bedrijf goed de kostte geven en aan de hand van de bedrijfsplattegrond na te gaan of de werkwijze en/of bedrijfsopzet voor verbetering vatbaar is, resulteert het plan in een aantal concrete actiepunten (bestrijdingsplan).

Met het uitvoeren van de actiepunten (en aanbevelingen) wordt een zo hoog mogelijke drempel voor (her)besmetting opgeworpen.

Voor de screening kan het pluimveebedrijf het beste de hulp van een extern deskundige inroepen. Hij/zij is niet bedrijfsblind en kan daardoor de valkuilen en besmettingsrisico's beter aangeven dan de ondernemer zelf.

2

Intake op het bedrijf

Door middel van open vragen met: "Wat, waarom, en vooral hoe?", wordt er een audit gehouden bij de veehouder. Doel van dit gesprek is o.a. het gedrag van de pluimveehouderte leren kennen. Daartoe wordt het volgende geïnventariseerd:

2.1

Algemene bedrijfsgegevens

Naam:

Adres:

Postcode :

Woonplaats:

Telefoon:

Fax:

Mobiel:

IKB-deelname

Deelnemer

J/N

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

Huisdieren

Aantal

Honden

Katten

Vogels

Overige

OMVANG BEDRIJF

Werknemers

Naam

Woont op bedrijf

Ja/nee

Ja/nee

Ja/nee

Ja/nee

Ten noorden

Ten oosten

Ten zuiden

Ten westen

2.2

Historie rond hygiëne en Salmonella.

Rondje zetten om wat van toepassing is bij (+/-):

Hoe denkt de pluimveehouder dat hij een besmetting met Salmonella heeft gekregen?

.........................................

.........................................

.........................................

.........................................

2.3

Plattegrond van het bedrijf

Teken een plattegrond waarop de bedrijfsgebouwen staan aangegeven. Eventueel met cijfer daarbij vermelden:

-

Stal 1, zie paragraaf 2.1

-

Sloten op de deuren

-

Stal 2

-

Erfverharding

-

Stal 3

-

Erfbeplanting

-

Stal 4

-

Hekwerken

-

Stal 5

-

Voerruimtes in de stal

-

Stal 6

-

Hygiënesluis, plankje/bankje

-

Stal 7

-

Parkeerplaats

-

Stal 8

-

Gereedschap

-

Stal 9

-

Spoelwateropslag

-

Stal 10

-

Het Noorden

-

Plaats van deuren in de stallen

Bij het doorlopen van de checklisten dient de route van het voer en de eieren op de plattegrond te worden aangegeven.

2.4

Het gebruik van de checklist

Door middel van een checklist worden alle mogelijke risicobronnen met betrekking tot (her)besmetting van Salmonella systematisch doorgelopen. Daarbij wordt de bedrijfsplattegrond gebruikt om de route of plek van bepaalde dingen te bepalen.

Lees voordat u de checklist van het handboek toepast, eerst de "Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999" door, zodat de artikelen waaraan niet voldaan wordt, voldoende aandacht krijgen. De eisen zoals die in de "Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij 1999" zijn gesteld, zijn in dit handboek cursief gedrukt. De daarbij bijbehorende vragen zijn met een sterretje aangegeven. Het bedrijf wordt verondersteld al aan deze productievoorwaarden te voldoen. Als dat inderdaad zo is, wordt "voldoet" omcirkeld. Als het bedrijf nog niet aan deze voorwaarden voldoet, is het per definitie een actiepunt.

De checklist is als volgt opgebouwd:

Goed

Normaal

Slecht

Omgeving van het bedrijf:

A

1. Hoeveel pluimveebedrijven liggen er in een straal van 1 km van uw bedrijf?

0

1-2

>3

Bij de checklist is de volgende kolomindeling aangehouden:

1e kolom

Nummer van desbetreffende artikel uit de "Verordening Hygiëne- voorschriften Pluimveehouderij 1999". Een sterretje (*) betekent dat de vraag betrekking heeft op dit artikel en dat het bedrijf daar aan moet voldoen.

2e kolom

De letter geeft aan op welke bedrijven de vraag betrekking heeft:

A = alle bedrijven

B = vleeskuikenbedrijven

C = (opfok)vermeerderingsbedrijven

D= (Op)fokbedrijven

3e kolom

Omschrijving van de vraag. Als het een artikel betreft is het cursief gedrukt.

4e -6e kolom

Geeft antwoord op betreffende vraag: "Goed", "Normaal" of "Slecht". De punten die omcirkeld zijn in de kolom "Slecht", vormen een actiepunt voor het bedrijf en komen terug in het hoofdstuk 6, "Actiepunten voor het bedrijf" (bestrijdingsplan).

3

Traceren van besmettingsbronnen op het bedrijf

Bedrijfshygiëne is de basis voor een goed tegenoffensief. Met de juiste hygiënemaatregelen is het risico op besmetting preventief in te dammen.

In de checklist wordt afgetast of het bedrijf voldoende preventieve maatregelen heeft genomen en/of nog meer drempels kan opwerpen om (her)besmetting te voorkòmen. De in de checklist aangeven onderdelen "Slecht" geven de actiepunten weer waarin het bedrijf zich dient te verbeteren.

3.1

Omgeving en inrichting bedrijf

Goed

Normaal

Slecht

Omgeving van het bedrijf:

A

1. Hoeveel pluimveebedrijven liggen er in een straal van 1 km van uw bedrijf?

0

1-2

>3

A

2. Wordt er pluimveemest van derden op de omliggende percelen gereden?

Nee

Ja

Het bedrijf:

A

3 . Hoeveel andere diersoorten dan pluimvee zijn er op het bedrijf?

0

1

>2

A

4. Is het erf schoon en vrij van zaken waar ongedierte op af komen

Brand- schoon

Schoon

Nee

Schoon/vuil gedeelte:

2.2.a

A

Ondernemers zijn verplicht het perceel waarop het pluimveebedrijf wordt uitgeoefend zodanig in te richten dat de perceelgrenzen herkenbaar zijn en dat voor bezoekers duidelijk is waar zij zich moeten melden.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Kunnen bezoekers door een bel kenbaar maken dat ze er zijn?

Ja

Nee

*

A

2. Zijn de perceelsgrenzen als zodanig herkenbaar? (afrastering, muur, sloot, houtwal, duidelijke wisseling van bouwplan)

Ja

Nee

A

3. Wordt er een bezoekersregistratie

Ja

Nee

2.2.g

A

De looproutes van en naar de bedrijfsgebouwen moeten verhard zijn

Voldoet

Voldoen niet

2.2.h

A

Er moet een deugdelijke afwatering van het perceel zijn

Voldoet

Voldoet niet

Geeft op de plattegrond het schone en vuile gedeelte van het bedrijf aan.

Goed

Normaal

Slecht

Gebouwen:

2.2.b

A

Ondernemers zijn verplicht de bedrijfsgebouwen en inventaris schoon te houden

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Hoe vaak wordt de voerruimte en de daarin staande inventaris gereinigd?

Elke dag

Wekelijks

Maandelijks

*

C

2. Hoe vaak wordt de raap- en sorteerruimte gereinigd?

Elke dag

Om de dag

wekelijks

A

3. Is de dierruimte in de stal(len) stoffig, vol met spinnewebben en/of vochtig?

Vee

Ja

A

4. Is de vloer glad, zonder scheuren/barsten?

Ja

Redelijk

Vee

2.2.c

A

Ondernemers zijn verplicht de bedrijfsgebouwen zodanig in te richten, dat ongehinderde toegang door derden tot de stallen niet mogelijk is.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Zijn de stallen op slot als u afwezig bent?

Altijd

Soms

Nooit

*

A

2. Is er vrij toegang van de stal naar buiten toe (achter de stal)?

Nooit

Soms

Altijd

*

A

3. Is er vrij toegang tot de mestopslag?

Nee

Ja

A

4. Is er vrij toegang van buiten achter de stal naar binnen toe?

Nooit

Soms

Altijd

A

5. Zijn de inlaatopeningen afgeschermd voor vogels/muizen ?

Ja

Nee

Voor alle bedrijven:

2.2.d

A

Ondernemers zijn verplicht in iedere stal een voorruimte te hebben die volledig afgescheiden is van de ruimte waarin het pluimvee gehouden wordt.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Is er een voorruimte aanwezig apart van de dieren?

Ja

Nee

2.2.e

A

Ondernemers zijn verplicht bij iedere stal een fysieke scheiding aan te brengen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1 . Is er een fysieke scheiding tussen het bufferdeel en het schone deel?

Ja

Nee

*

A

2. Is er bij die scheiding voldoende schoon schoeisel aanwezig?

Ja

Nee

*

A

3. Wordt er per stal apart schoeisel gebruikt?

Ja

Nee

A

4. Is dit schoeisel per stal gemerkt?

Ja

Nee

*

A

1. Is er een hygiënesluis aanwezig?

Ja

Nee

Hygiënesluis:

A

1. Maakt u gebruik van een hygiënesluis of van een omkleedruimte?

Hygiëne - sluis

Omkleed- ruimte

Niets

A

2. Er is een duidelijke scheiding tussen het schone en vuile gedeelte door middel van een bank?

Ja

Nee

A

3. Er zijn twee deuren aanwezig, nl 1 voor het schone en 1 voor her. vuile gedeelte?

Ja

Nee

A

4. In de hygiënesluis hangen bordjes 'verboden toegang'?

Ja

Nee

Geeft op de plattegrond aan:

  • schoeisel

  • wasbak

  • kleding

Goed

Normaal

Slecht

2.1.d

A

Ondernemers zijn verplicht alleen bezoekers toegang tot de bedrijfsgebouwen te verschaffen, als dit voor de bedrijfsvoering strikt noodzakelijk is en indien zij handelen overeenkomstig de voorwaarden van de Persoonliike en bedrihfshygiëne.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Hoevaak gaat er iemand (behalve uzelf en gezinsleden) van buiten het bedrijf naar binnen? Schat dit eens in per week. U kunt denken aan personeel; voorlichter; ongediertebestrijder; handelaar; dierenarts, vang/entploegen, chauffeur voer, chauffeureieren, klanten die eieren komen kopen; etc.

0-10

10-50

>50

*

A

2. Hoevaak gaat er iemand (behalve uzelf en gezinsleden) van buiten het bedrijf naar het schone gedeelte?

0

1-2

>2

2.1.e

A

Ondernemers zijn verplicht er op toe te zien dat alle op het bedrijf aanwezige personen de persoonlijke en bedrijfshygiëne volledig in acht nemen.

Voldoet

Voldoet niet

2.1.g

A

Ondernemers zijn verplicht per bedrijf in minstens één van de bedrijfsgebouwen een handen wasgelegenheid te hebben, waarbij' ten minste een wasbak met afvoer, water, zeep en een handdoek aanwezig is.

Voldoet

Voldoet niet

2.1.i

A

1. Voordat bezoekers naar het schone gedeelte gaan moeten ze douchen?

Ja

Nee

*

A

Ondernemers zijn verplicht er op toe te zien dat, voordat de stal wordt betreden, de handen worden gewassen.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Wassen bezoekers hun handen voordat ze de stal in gaan?

Ja

Nee

2.1.h

A

Ondernemers zijn verplicht er voor zorg te dragen dat de faciliteiten voor persoonlijke hygiëne in een goed functionerende staat zijn.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Doet de kraan het?

Ja

Nee

2.1.f

A

Ondernemers zijn verplicht er op toe te zien dat alle personen die het bedrijf willen betreden, vóór het betreden van het schone deel van het bedrijfsgebouw schone bedrijfskleding aantrekken.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Er zijn schone overalls in verschillende maten aanwezig?

Ja

Nee

*

A

2. Er zijn schone laarzen met gladde zolen in verschillende maat aanwezig?

Ja

Nee

*

A

3. Maken bezoekers gebruik van deze voorzieningen?

Altijd

Meestal

Soms

A

4. Is er een ontsmettingsbak of laarzenreiniger met ontsmettingsmiddel aanwezig?

Ja

Nee, n.v.t.

A

5. Wordt de ontsmettingsbak (indien aanwezig) wekelijks gereinigd en opnieuw gevuld?

Ja

Nee

3.2

Reinigen en ontsmetten

Goed

Normaal

Slecht

Afleveren koppel en daarna:

3.1

A

iedere ondernemer is verplicht onmiddellijk na het ontruimen van een stal waarin hij een koppel pluimvee heeft gehouden, de in die stal aanwezige mest en strooisel te verwijderen en na afvoer van de mest en strooisel de betreffende stal grondig te reinigen en te ontsmetten.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Worden mest en destructiematerialen zodanig afgevoerd dat ze niet in contact komen met andere koppels of nieuwe koppel hennen?

Nee

Ja

Reinigen en ontsmetten:

A

2. Hoe wordt er gereinigd?

Nat met reinigings middel

Nat

Droog

A

3. Hoe wordt er ontsmet?

Stomen

M.b.v. fogg/pannen

Niet

B

4. Reiniging van de binnenkant beluchtingskanalen

Ja

Alleen rondom

Nooit

A

5. Hoe wordt het erf gereinigd?

Spuiten

Bezem

Nooit

A

6. Hoe vaak wordt het erf gereinigd?

Wekelijks

Regel - matig

Jaarlijks

A

7. Hoe vaak wordt het erf ontsmet?

Regel- matig

Elk koppel

Nooit

3.4

A

Iedere ondernemer die een pluimveebedrijf uitoefent is verplicht na het reinigen en ontsmetten, een hygiëneonderzoek uit te laten voeren door een erkende instantie, indien er een Salmonella besmetting bij het koppel pluimvee aanwezig was.

Voldoet

Voldoet niet

A

1. Wordt door een professioneel bedrijf ontsmet?

Ja

Zelf

*

A

2. Hoe luidde de uitslag van het laatste hygiëneonderzoek?

< 2,0

2,0 - 3.0

> 3,0

A

3. Hoeveel keer is er ontsmet/gestoomd ?

2

1

0

3.10

A

Iedere ondernemer is verplicht de uitslag van her hygiëneonderzoek, als bedoeld bij artikel 3.3 twee jaar te bewaren.

Voldoet

Voldoet niet

Wijze van reinigen

Welk reinigingsmiddel

Wijze van ontsmetten

Welk ontsmettingsmiddel

Ontsmettingsduur

Temperatuur bij ontsmetten

Naam professioneel bedrijf

Uitslag hygiëne-onderzoek

3.4

Ongediertebestrijding

Goed

Normaal

Slecht

Aanwezigheid van huisdieren en ongedierte:

2.1.a

A

Ondernemers zijn verplicht binnen de bedrifsgebouwen geen huisdieren, landbouwhuisdieren en ander pluimvee, sier- en nutsgevogelte toe te laten.

Voldoet

Voldoet niet

A

1. Komen er katten of honden in de stal?

Nooit

Soms

A

2. Komen er vogels in de stal?

Nee

Ja

2.1.b

A

Ondernemers zijn verplicht indien ander pluimvee, sier- of nutsgevogelte wordt gehouden op het perceel waarop het pluimveebedrijf wordt uitgeoefend, deze dieren achter een afscheiding of in een volière te houden, waardoor deze dieren niet bij de pluimveestallen kunnen komen en de verzorging van deze dieren strikt gescheiden te houden van het pluimvee.

Voldoet

Voldoet niet

Nooit

*

A

1. Komen er andere pluimvee, sier- of nutsvogels bij het bedrijfsmatige uehouden pluimvee ?

Nooit

Soms

2.1.j

A

Ondernemers zijn verplicht een ongediertebestrijdingsplan op te stellen en volgens het plan te werken.

Voldoet

Voldoet niet

A

1. Is er een ongediertebestrijdingsplan?

Ja

Nee

*

A

2. Wordt er volgens het bedrijfseigen ongediertebestrijdingsplan gewerkt?

Ja

Nee

3. Of wordt dit uitbesteed aan een professioneel bestrijdingsbedrijf?

Ja

Nee

Geef op de plattegrond aan:

- plaats waar de ratten en muizen met gif worden gevoerd.

Goed

Normaal

Slecht

2.2.b

A

Ondernemers zijn verplicht het perceel waarop het pluimveebedrijf wordt uitgeoefend en de directe omgeving van de stallen schoon te maken en op te ruimen, zodat geen ongedierte aangetrokken wordt.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Hoeveel muizen signaleert u per week?

0

1 of meer

*

A

2. Hoeveel ratten signaleert u per week?

0

1 of meer

*

A

3. Heeft u op uw bedrijf last van vliegen? (aangeven per stal )

Weinig

Normaal

Veel Veel

A

4. Heeft u op uw bedrijf last van bloedluizen of mijten? (per stal)

Nee

Plaatselijk

Hele stal

A

5. Komen er tempexkevers op u w bedrijf voor? Of spekkevers? (aangeven per stal)

Nooit

Soms

Vaak

*

A

6. Zijn aanvoerplaatsen van voer en dieren en afvoerplaatsen mest en dieren verhard?

Ja

Nee

*

4

7. Zijn deze plaatsen visueel schoon?

Brand - Schoon

Schoon

Vuil

4

8. Is de wand v.d. stal binnen 1 m van de buitenkant vrij van obstakels?

Ja

Nee

4

9. Is het erf rond de stallen dicht begroeid?

Nee

Ja

*

4

10. Zijn er op het schone gedeelte/bedrijfsperceel materialen aanwezig welke niet noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering?

Nee

Ja

*

A

11 . Is er buiten de stallen mest op het bedrijf aanwezig van een vooraaande ronde?

Nee

Ja

*

A

12.Zijn er andere resten van een voorgaande ronde op het bedrijf aanwezig?

Ja

2.1.k

A

Ondernemers zijn verplicht alle acties met betrekking tot wering, signalering en bestrijding van ongedierte vast te leggen en te intensiveren bij een toename van het ongedierte.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Staat in het ongediertebestijdingsplan welke middelen, in welke dosering, wanneer en waar ze tegen gebruikt zijn?

Ja

Nee

A

2. Hoe vaak wordt er van werkzame stof gewisseld bij de bestrijding van ongedierte en vliegen?

Elke keer

Na 2-3

Altijd hetzelfde

4

Traceren van besmettingsbronnen bij de dieren

Bij het traceren dient men te letten op zaken die het bedrijf aan- en afvoert en de manier waarop de pluimveehouder hiermee op z'n bedrijf omgaat. Door bijvoorbeeld voor het voer na te gaan hoe dit het bedrijf binnen komt, hoe het is opgeslagen (en misschien zelfs weer van het bedrijf wordt afgevoerd) zijn mogelijk risicovolle besmettingsbronnen op te sporen.

Bij de checklist zijn de zaken aangetekend in de kolom "Slecht" aanleiding om het betreffende punt te gaan verbeteren.

4.1

Pluimvee

Met de voorkant van de stal wordt gedoeld op die kant waar de voerruimte zich bevindt.

Goed

Normaal

Slecht

Aan- en afvoer pluimvee:

A

1. Wordt de laadploeg voorzien van bedrijfskleding en -schoeisel?

Ja

Nee

A

2. Worden de pluimveecontainers na afloop OD het bedrijf gereinigd?

Ja

Nee

A

3. Zijn de kuikens Salmonella vrij?

Ja

Nee

A

4. Is er informatie betreffende de vooraaande kolom? (alleen bij IKB )

Ja

Nee

A

5. Wanneer wordt er gecontroleerd op Salmonella?

Elke maand

Einde van koppel

Nooit

Gezondheid:

A

1. Hoeveel keer heeft u de huidige koppel(s) behandeld tegen een ziekte? (aangeven per stal)

0

1-2

>2

A

2. En het koppel daarvoor? (aangeven per stal)

0

1-2

>2

A

Kadavers:

1 . Hoe vaak (aantal dagen) worden de dode dieren uit de stal verwijderd?

Min. 2x per dag

Elke dag Open ton,

>1 dag Open

A

2 . Waar worden de kadavers opgeslagen?

Gesloten kadaverton

Open ton, afgesloten ruimte

Open ton

A

3. U heeft een kadaverkoeling op uw bedrijf?

Ja

Nee

A

4 . Worden de kadavers via dezelfde weg als de mest afgevoerd?

Ja

Nee

A

5. Worden de kadavers via de vuile weg afgevoerd?

Ja

Nee

A

6. Met welke regelmaat worden de kadavers van het bedrijf afgevoerd?

1 x per wk

1 x per 2 wk

> 1 x per 2 wk

A

7. Katten, honden en ongedierte kunnen niet bij de kadavers

Ja

Nee

A

8. Bevindt. de opslag zich buiten de stal?

Ja

Nee

A

9. Wordt de opslag van kadavers na afvoer gereinigd?

Ja

Nee

A

10. Wordt de opslag van kadavers na reiniging ontsmet?

Ja

Nee

A

11. Worden de kadavers bij de openbare weg aangeboden?

Ja

Nee

A

12. Is de ondergrond daarbij verhard?

Ja

Nee

A

13. Is deze ondergrond vloeistof dicht?

Ja

Nee

A

14.Wordt deze ondergrond na afvoer gereinigd en ontsmet?

Ja

Nee

4.2

Voer

Geef op de tekening aan:

  • waar voer het bedrijf binnen komt

  • de voersilo's en andere opslagplaatsen van voer

  • de vulpijpen

Goed

Normaal

Slecht

Voer:

2.2.i

A

Ondernemers zijn verplicht voedersilo 's op een verharde ondergrond te plaatsen, schoon te houden, van buiten de stallen te vullen en te voorzien van een bedrijfsuniek nummer

( ingeval er meer silo 's zijn ).

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Gebeurt dit zo?

Ja

Nee

A

2. Hoe komt het voer op het bedrijf binnen?

Achter- kant v.d. stal

Voorkant v.d. stal

2.2.j

A

Ondernemers zijn verplicht gebruik te maken van een bedrijfseigen stofopvangmiddel bij het lossen van het voer.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Gebeurt dit zo?

Ja

Nee

A

2. Is voerleverancier GMP erkend?

A

3. Wordt er voer of enkelvoudige grondstof (van eigen bedrijf of elders aangekocht) bijgemengd?

A

4 . Wordt van iedere partij een monster achtergehouden

Ja

Nee

A

5. Is het voer of de grondstof genoemd in de vorige vraag gegarandeerd salmonella vrij? (aangetoond door monstering en analyse of verzekerd door leverancier?)

Ja

N.v.t.

Nee

A

6. Wordt het voer weleens aangezuurd?

Ja

Nee

A

7. Komt de silo voor elke leverantie geheel leeg?

Ja

Nee

A

8. Hoe vaak worden de voersilo's gereinigd?

Regel- matig

Na elke ronde

Nooit, volgende vraag

A

9. Kan de silo eenvoudig op voerresten worden gecontroleerd?

Ja

Nee

A

10. Worden voerresten (na elke ronde) uit de silo verwijderd?

Ja

Nee

A

11. Wat gebeurt er met het restvoer in het voersysteem nadat het koppel weg is?

Wordt afgevoerd

Gaat naar andere hennen

Blijft tot volgende ronde

Opslag

2.2.k

A

Ondernemers zijn verplicht voeders, aanwezig bodem- en neststrooisel en verpakkingsmateriaal zodanig op te slaan dat deze schoon, droog en schimmelvrij blijven.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Gebeurt dit zo?

Ja

Nee

4.3

Water

Geef op de tekening aan:

  • -

    eventuele waterbron of waterkranen voor drinkwater voor de hennen.

Goed

Normaal

Slecht

Drinkwater:

2.1.l

A

Ondernemers zijn verplicht drinkwater van een eigen bron in combinatie met een gesloten drinkwatersysteem, drinkwater van een eigen bron en drinkwater van het openbare water- leidingnet in combinatie met een open drink- watersysteern jaarlijks door een erkende instantie te laten onderzoeken en de onderzoeksresultaten twee jaar te

Voldoet

Voldoet niet

A

1. Wat voor drinkwatersysteem heeft u?

(Gesloten = rechtstreeks aangesloten of via voorraadvat met goed sluitende deksel)

Gesloten drink- water- systeem

Open drinkwatersysteem of eigen bron

*

A

2. Wordt het drinkwatersysteem gereinigd en ontsmet tijdens de leegstandperiode?

Ja

Nee

*

A

3. Wordt het water jaarlijks onderzocht?

Ja

Nee

2.1.n

A

Indien gebruik wordt gemaakt van drinkwater tan het openbare waterleidingnet i.c.m. een gesloten drinkwatersysteern en drinkwateronderzoek is uitgevoerd overeenkomstig 2.1.I, vervalt de verplichting ot reiniging en ontsmetting, mits de uitslag voldoet aan de door het Bestuur vastgestelde norm.

Voldoet

Vervalt Artikel 2.1.m

Voldoet niet

2.1.m

A

Indien gebruik wordt gemaakt van drinkwater van het openbare waterleidingnet i.c.m. een gesloten drinkwatersysteem, aan te tonen dat het drinkwatersysteem tijdens elke leegstandperiode wordt gereinigd en ontsmet.

Voldoet

Voldoet niet Voldoet aan artikel 2.7.n

voor:

- open drinkwatersysteem

- gesloten drinkwatersyteem welke niet

- eigen bron

*

A

1. Is bij een gesloten drinkwatersysteem in één stal en bij een open drinkwatersysteem in eike stal een bacteriologisch drinkwateronderzoek verricht? (aangeven per stal)

Ja

Nee

*

A

2. Zijn de monsters voor het bacteriologisch drinkwateronderzoek aan het eind van het drinkwatersysteem genomen? (aangeven per stal)

Ja

Nee

*

A

3. Is, indien het drinkwater afkomstig is van een eigen bron jaarlijks, per bron een chemisch drinkwateronderzoek verricht? (aangeven per stal)

Ja

Nee

*

A

4. Is, indien het drinkwater afkomstig is van een eigen bron jaarlijks, per bron een bacteriologisch drinkwateronderzoek verricht? :

- bij gesloten systeem: 1 stal

Ja

Nee

- bij open systeem: alle stallen

Ja

Nee

*

A

5. Is de monstername t.b.v. dit onderzoek door een erkende instantie uitgevoerd? (aangeven per stal)

Ja

Nee

Nee

*

A

6. Is de analyse t.b.v. dit onderzoek door een erkende instantie uitgevoerd? (aangeven per stal)

Ja

Nee

*

A

7. Indien het chemisch drinkwateronderzoek niet aan de normen voldeed, zijn er dan corrigerende acties ondernomen en is het succes hiervan door middel van een nieuw drinkwateronderzoek aangetoond? (aangeven per stal)

Ja

Nee

A

8. Indien het bacteriologisch drinkwateronderzoek niet aan de normen voldeed, is het drinkwatersysteem tijdens de leegstand gereinigd en ontsmet? (aangeven per stal)

Ja

Nee

Voor gesloten drinkwatersysteem welke tijdens leegstand wordt gereinigd en ontsmet:

A

9. Is het drinkwatersysteem tijdens de leegstand gereinigd en ontsmet? aangeven per stal)

Ja

Nee

4.4

Eieren (vermeerdering)

Geef op de tekening aan:

  • raapruimte

  • opslag van de lege containers

  • opslag van de eieren

Goed

Normaal

Slecht

C

1. Raapt u de struifeieren van de eierbandjes voordat u de inpakker aanzet?

Ja

Nee

C

2. Hoe vaak wordt de inpakmachine gereinigd?

Elke dag

Elke week

Elke maand

C

3. Hoe vaak wordt de vloer onder en rond de inpakmachine gereinigd?

Elke dag

Elke week

Maandelijks

Eieren:

C

1. Staan de eieren opgeslagen in een open verbinding met de dieren?

Nee

Buffer- fuimte

Ja

C

2. Worden de eieren geconditioneerd opgeslagen in een aparte bewaarruimte?

Ja

Nee

C

3. Worden de eieren van het Salmonella positieve koppel in aparte containers opgeslagen en apart gehouden?

Ja

Nee

C

4. Kan de chauffeur op het schone deel van het bedrijf komen?

Nee

Ja

C

5. Welke trays worden gebruikt?

Nieuwe

Gedesin- fecteerde trays

Tweedehands

C

6. Worden de containers gereinigd voordat ze op het bedrijf komen?

Ja

trays

Nee

4.5

Mest

Geef op de tekening aan:

- de mestopslag(en)

- de afvoerroute van de mest

- de opslag van strooisel

- de route van het strooisel

Goed

Normaal

Slecht

Mest:

A

1. Hoe lang is de transportroute voor mest van de dieren naar de mestopslag?

0-10 meter

11-50 meter

> 50 meter

A

2 . Wordt de mest afgevoerd via de vuile route?

Ja

Nee

A

3. Hoe frequent wordt de mest afgevoerd?

0-7 dagen

Elke ronde

Gaat in opslag

A

4. Hoe is de mestopslag?

Dicht

Halfopen, loods

Open

A

5. Ligt de opslag beschut en is de wind zo dat ze niet richting de stal gaat?

Ja

Nee

5

Monitoring

Onder monitoring wordt het onderzoek verstaan wat is uitgevoerd bij het betreffende koppel. Dit is niet alleen als ze op het bedrijf komen, maar ook daarvoor en erna.

5.1

Salmonella-onderzoek

Goed

Normaal

Slecht

In-/Uitgangscontrole:

4.1

A

Iedere ondernemer is verplicht elk koppel pluimvee te laten onderzoeken op aanwezigheid van Salmonella

Votdoet

Voldoet niet

4.8

A

De monsters dienen te worden onderzocht door een erkend laboratorium.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Zijn er voldoende monsters genomen? (aangeven per stal)

Ja

Nee

*

A

2. Door wie is de monstername verricht?

Veterinair

Para - veterinair

Derden of zelf

*

A

3. Is de analyse door door een erkend laboratorium of Gezondheidsdienst voor Dieren verricht?

Ja

Nee

*

A

4. Is er een besmetting met Salmonella aangetoond? (aangeven per stal)

Nee

Ja

A

5. Is er onderzoek gedaan bij de verzorgers van het besmette koppel?

Ja

Nee

A

6. De uitslag van het onderzoek luidde:

N.v.t.

Negatief

Positief

A

7. Zijn de huisdieren onderzocht op Salmonella?

Ja

Nee

A

8. De uitslag van het onderzoek luidde:

N.v.t.

Negatief

Poartïef

A

9. Zijn de andere (bedrijfsmatig gehouden) dieren op het bedrijf onderzocht op Salmonella?

Ja

Neo

A

10. De uitslag van het onderzoek luidde:

N.v.t.

Negatief

Positief

5.2

Informatie-overdracht

Goed

Normaal

Slecht

Informatie:

5.1

A

Iedere ondernemer is verplicht de informatie over een koppel pluimvee, die is verkregen d.m.v. het verplichte onderzoek, door te geven aan de afnemer van het koppel pluimvee.

Voldoet

Voldoet niet

*

A

1. Is de ondernemer door zijn voorgaande schakel (opfokker/broederij) ingelicht?

Ja

Nee

*

A

2. Is/wordt bedoelde informatie doorgegeven aan het Productschap? (aangeven per koppel)

Ja

Nee

5.3

Maatregelen bij een besmetting

Goed

Normaal

Slecht

Bij besmetting:

6.1

A

De ondernemer die een pluimveebedrijf uitoefent moet na vaststelling van een besmetting met Salmonella onmiddellijk na het ontruimen van de stal deze grondig reinigen en ontsmetten.

Voldoet

Voldoet niet

B

1. Wordt er de besmette koppels pluimvee bij de vleeskuikenhouder logistiek geladen?

Voldoet

Voldoet niet

6.2

C/D

Wordt, indien een besmetting is geconstateerd bij' een koppel pluimvee, het pluimvee behandeld/geruimd?

Voldoet

Voldoet niet

6.9

A

Indien een bij een bedrijf bij twee opeenvolgende koppels besmet is met Salmonella, dan dient de ondernemer een tracerings, monitorings- en bestrijdingsplan op) te stellen en uit te voeren.

Voldoet

Voldoet niet

6.10

C/ D

Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan dient te worden opgesteld in de periode tussen de uitslag van de monstername en het plaatsen van een volgend koppel pluimvee.

Voidoet

Voldoet

*

A

1. Wordt dit plan opgesteld in samenwerking met een volgens de GVP-code erkende dierenarts, de Gezondheidsdienst voor Dieren of een andere deskundige?

Ja

Nee

*

Onderzoek:

*

A

2. Is er na het reinigen en ontsmetten van de stal een zgn. swabonderzoek uitgevoerd, nu bij de uitgangscontrole een besmetting met Salmonella is vastgesteld?

Ja

Nee

*

A

3. Is er een besmetting aangetoond?

Nee

Ja, volgende vraag

*

A

4. Is de stal opnieuw ontsmet?

Ja

Nee

Naam ontsmettingsbedrijf

Plaats

Telefoon

Naam instantie swabs-onderzoek

Plaats

6

Bestrijdingsplan

De actiepunten kunnen bestaan uit maatregelen zoals ze al volgens de "Verordening Hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1999" als bekend verondersteid mochten zijn, en uit aanvullende maatregelen c.q. aanbevelingen. Dit zijn aandachtspunten en maatregelen met het oog op de "uiterste zorgvuldigheid". Te beschouwen als "aanbevelingen'.

Daarbij kan men o.a. denken aan:

  • Stomen in plaats van normaal ontsmetten

  • Extra buffer (omkleedruimte) na centrale hygiënesluis tussen voer- en sorteerruimte en afdelingen per stal

  • Aanpassen volgorde contrôle kippen

  • Aanpassen volgorde rapen/sorteren eieren

  • Eventueel antibioticakuur volgens protocol o.l.v. GD

  • Aanzuren van het voer, of geëxpandeerd voer i.p.v. meel gebruiken

  • Elke maand controleren op Salmonella middels bloed/mestonderzoek

De volgende zaken gelden ten allen tijde:

  • Extra hygiëne bij betreden en na bezoek besmette stal (verplicht)

  • Handen wassen bij binnenkomen én verlaten van besmette stal (verplicht)

  • Apart schoeisel en kleding voor de ontsmette stal (verplicht)

In onderstaande tabellen wordt als samenvatting een overzicht van de diverse (belangrijkste) actiepunten en aanbevelingen weergegeven. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen handelingen op (zeer) korte termijn en (iets) langere termijn.

6.1

Op korte termijn

Actiepunt

Aanbeveling

Monitoring

6.2

Op langere termijn

Actiepunt

Aanbeveling

Monitoring

Bijlage

III

Protocol voor reinigen en ontsmetten van pluimveestallen en inventaris

Woord vooraf

In dit artikel wordt een protocol beschreven dat algemeen toepasbaar is en dient te worden ingevuld op basis van de specifieke bedrijfssituatie. Hiermee wordt onder meer bedoeld dat de te kiezen middelen en doseringen door de pluimveehouder zelf moeten worden ingevuld. Uiteraard is het raadzaam om deskundig advies in te winnen over de keuze van het materiaal, zodat de verschillende middelen goed op elkaar zijn afgestemd en niet contraproductief werken. Daarnaast hangt de werkwijze af van het type pluimvee en de daarbij horende staltypen.

Inleiding

Over reinigen en ontsmetten bestaan veel verschillende meningen bij mensen die in de pluimveehouderij werkzaam zijn. De meningen lopen uiteen van 'alles moet steriel zijn als in een operatiekamer' tot 'alleen met water reinigen is genoeg'. De verordeningen van de Productschappen Pluimvee en Eieren schrijven echter bepaalde werkwijzen voor die kunnen bijdragen tot de vermindering van de Salmonella- en Campylobacterbesmettingen van het eindproduct: pluimveevlees of eieren. In de bestrijding van deze bacteriën speelt de reiniging en ontsmetting van stallen terecht, een belangrijke rol. Toch is dit niet de enige reden om goed te ontsmetten. Allerlei ongewenste ziektekiemen voor de dieren zelf dienen ook te worden gedood. Bij elke nieuwe koppel dient er met een schone lei te worden begonnen, waarbij ook de insleep vanuit de omgeving van de stallen moet worden voorkomen. Er bestaat geen algemeen geldende "beste" methode waarop een stal dient te worden gereinigd en ontsmet. Wel zijn er tal van specifieke zaken waarmee rekening moet worden gehouden en die in de loop van de jaren verwateren of worden vergeten. In dit artikel staan vele zaken die uiteraard bekend en voor de hand liggend zijn, maar er wordt getracht uw geheugen op te frissen en uzelf scherp te houden.

De werkzaamheden rondom het schoonmaken en ontsmetten van pluimveestallen komt in grote lijnen hierop neer:

  • ♦ Afvoer van losse inventaris uit de stal

  • ♦ Mest verwijderen

  • ♦ Droog reinigen van stal en vaste inventaris (bezemschoon)

  • ♦ Inweken onder toevoeging van inweekmiddel

  • ♦ Reinigen van "vaste" drinknippelsystemen

  • ♦ Schoonmaken stal en vaste inventaris

  • ♦ Droogtrekken vloer

  • ♦ (gedeeltelijk) Herinrichten

  • ♦ Nat ontsmetten

  • ♦ Droog na-ontsmetten

Reinigen en ontsmetten zijn twee afzonderlijke handelingen. De aanwezigheid van organisch vuil, maar vooral van vet staat een goede ontsmetting in de weg. Organisch materiaal inactiveert ontsmettingsmiddelen en vet is een prima beschermer van micro-organismen. Alleen als er loog wordt gebruikt, weliswaar met in achtneming van voldoende inweektijd, zouden ze in één procesgang kunnen worden uitgevoerd.

Algemeen geldt echter, als zowel een reinigings- als een desinfectiemiddel wordt gebruikt, moeten de beide middelen op elkaar zijn afgestemd. Deze informatie is te verkrijgen bij de leverancier van de middelen.

Reinigen

Voor een goede reiniging van de stal en directe omgeving is het van belang dat de werkzaamheden in de juiste volgorde worden uitgevoerd. Het water dat voor de reiniging wordt gebruikt dient minimaal geschikt te zijn als drinkwater voor vee, om te voorkomen dat er stoffen in zitten die de reiniging negatief beïnvloeden.

Werkwijze reiniging stal:

  • 1.

    Direct na het afleveren van de dieren beginnen met bestrijden van piepschuimkevers en larven door het spuiten van een bestrijdingsmiddel op de wand en op de kieren en naden tussen vloer en wand. Hiertoe moeten naden eerst worden vrijgemaakt van mest en strooisel. Ook de kieren tussen staanders en spanten moeten worden behandeld, kevers en larven verdwijnen niet alleen naar boven, maar ook naar beneden!!

  • 2.

    Voerruimten, hygiënesluis en andere ruimten die met de stal in verbinding staan moeten worden ontruimd en goed schoongemaakt.

  • 3.

    Voersysteem volledig leeg draaien, voerresten verwijderen en het voersysteem goed handmatig schoonmaken. De silo en opvoervijzel naar en van de weeginstallatie niet vergeten. Silo's moeten leeggedraaid worden en voerresten onder in de silo en weegapparatuur handmatig worden verwijderd.

  • 4.

    Demonteerbare en niet ter plaatse te reinigen apparatuur uit de stal verwijderen en opslaan op een verharde ondergrond met een goede waterafvoer.

  • 5.

    Mest verwijderen en direct afvoeren van het bedrijf. Bij opslag op het eigen bedrijf zo ver mogelijk van de stal en goed afdekken.

  • 6.

    Uitneembare ventilatoren uit de kokers halen en opslaan op verharde ondergrond. Ventilatieopeningen droog schoonmaken. Bij lengteventilatie de ventilatoren en de kasten goed schoonmaken. Zorg hierbij voor een goede afvoer van vuil water.

  • 7.

    Luchtinlaatkleppen en kasten schoonborstelen zowel aan de binnen- als buitenkant. De moeilijke bereikbaarheid van buitenaf werkt hier vaak belemmerend. Het schoonmaken van de beschermkappen buiten is belangrijk in verband met naar binnen trekken van stof dat daar is opgehoopt. Bovendien zijn ze vaak van hout en afgeschermd met gaas en daardoor lastig schoon te maken. Perslucht kan hier een hulpmiddel zijn.

  • 8.

    Apparatuur die niet met water is te reinigen schoonborstelen en schoonblazen met een luchtcompressor en daarna afdekken met plastic of op een stofvrije plaats opslaan.

  • 9.

    Stal schoonvegen en zo nodig mestresten wegkrabben.

  • 10.

    Drinkwatersysteem leeg laten lopen, doorspelen en volzetten met een specifiek reinigingsmiddel. Na voldoende inwerktijd spoeien.

  • 11.

    Sterk bevuilde vloeren en vloeren van een slechte kwaliteit eerst gedurende minimaal 3 uur tot overnacht laten inweken met water waaraan een inweekmiddel is toegevoegd en daarna onder hoge druk schoonspuiten. Hierbij extra aandacht besteden aan de kieren en naden. Deze dienen goed te worden schoongespoten zodat later het desinfectiemiddel diep in de naden kan doordringen. Soms is het nodig de stal iets langer te laten afkoelen om de naden ver genoeg open te krijgen.

  • 12.

    Plafond, ventilatorkokers en wanden in delen inschuimen met een reinigingsmiddel. Schuimmiddelen rijn te verkiezen boven vloeibare middelen want ze werken langduriger. Vervolgens 30 minuten later deze onderdelen afspuiten met water: - ventilatorkokers en plafond met een rondstraler; - wanden met een vlakstraler. Hierbij van boven naar beneden werken.

  • 13.

    Vloer, voer- en drinkwatersysteem inschuimen met een reinigingsmiddel. Vervolgens 30 minuten later afspuiten met water. Er op letten dat niet het vuil van de vloer weer op de wanden wordt gespoten door (te) hoge druk. Zorg voor een voldoende afvoer van water.

  • 14.

    Kachels dienen van binnen en van buiten te worden gereinigd. Als de stal wordt drooggestookt, droogt de vuillaag aan de binnenkant uit, laat los en wordt in de schone stal geblazen.

  • 15.

    Leidingen en buizen die in een stal lopen worden vaak vergeten, vooral die zich hoog in de stal bevinden. Hetzelfde geldt voor lampen en TL armaturen die soms schuin zijn gemonteerd zodat er een laag stof op ligt.

  • 16.

    Stalvloer droogtrekken.

  • 17.

    Alle in relatie tot de stal staande lokalen en gebouwen droog schoonmaken en daarna nat met een reinigingsmiddel. Ook de ruimte waar kadavers worden bewaard moet goed worden gereinigd.

  • 18.

    Inspecteer de stalruimte en apparatuur op achtergebleven visuele verontreinigingen.

  • 19.

    Opgeslagen inventaris reinigen met een reinigingsmiddel, daarna afspoelen met water.

  • 20.

    Gedemonteerde ventilatoren reinigen met een compressor of een aangepaste borstel.

  • 21.

    Stal inrichten maar geen inventaris op de stalvloer plaatsen. Ventilatoren plaatsen en nadat de stal is opgedroogd, kokers afsluiten.

  • 22.

    Stal zo goed mogelijk afsluiten. Zorg echter voor goede bereikbaarheid van de te behandelen oppervlakken, bijvoorbeeld de luchtinlaatkleppen.

  • 23.

    Kleding wassen. Schoeisel of laarzen schoonmaken.

Reinigen en ontsmetten drinkwatersysteem:

Probeer allereerst vast te stellen wat de aard is van de inwendige vervuiling van het systeem. Dit kan gedaan worden door het systeem op enkele plaatsen te ontkoppelen.

Ruwweg kan dit bestaan uit organisch vuil (bacteriën, algen en schimmels) of anorganisch (kalksteen). Organische aanslag kan worden verwijderd met een alkalisch reinigingsmiddel of waterstofperoxide; anorganische aanslag moet worden bestreden met een zuur reinigingsmiddel (pas op voor corrosie). Tijdens de reiniging dient de stal c.q. de watertemperatuur minimaal 10 OC te bedragen.

Werkwijze reiniging drinkwatersysteem

Nippel- en cupsystemen en centrale leidingen:

  • Systeem voorspoelen met hoge druk.

  • Via doseerapparaat of voorraadvat slangen en systeem vullen met een oplossing van het reinigingsmiddel. Elk tappunt controleren of de vloeistof is doorgedrongen (ruiken of pH papiertjes). Gedurende minimaal 24 uur in laten werken.

  • Systeem leeg laten lopen en goed spoelen met schoon water.

Drinktorens en losse cups:

Onderdompelen in de reinigingcvloeistof (kalkoplossend) en 2 tot 6 uur in laten werken. Daarna onder druk afspuiten met een koude waterstraal. Bij ernstige vervuiling met een harde borstel reinigen.

Daarna de nippelleidingen volzetten met een ontsmettingsmiddel, de benodigde tijd laten staan en met schoon drinkwater naspoelen. Controleer hierbij desgewenst of alle ontsmettingsmiddel weg is.

De drinktorens dompelen of afsproeien met een ontsmettingsmiddel, waarna ze worden nagespoeld met schoon drinkwater.

Ontsmetten

Ontsmetting kan gedaan worden met verschillende ontsmettingsmiddelen, die elk één of meerdere werkzame stoffen bevatten. Om een goede werkzaamheid tegen Salmonella paratyphi B var. Java te verkrijgen wordt ontsmetting met formalinehoudende middelen geadviseerd. Voor de meeste middelen geldt dat de stal zeer goed gereinigd moet zijn, omdat de werkzame stof door vuilresten onwerkzaam wordt gemaakt. Ontsmetting kan uitgevoerd worden met de aanwezige reinigingsapparatuur. Er moet echter geen hoge druk gebruikt worden. De beste resultaten worden behaald door een combinatie van een ontsmetting van de vloer, de opgaande wand en de inlaatkleppen met de hogedrukreiniger gevolgd door een ruimteontsmetting met een hoge druk vernevelaar.

Werkwijze ontsmetting:

  • 1.

    Breng de stal tijdig van tevoren op de gewenste temperatuur. Wanneer deze niet bereikt kan worden, kies dan een ander ontsmettingsmiddel dat wel bij de behaalde temperatuur past of laat het middel langer inwerken.

  • 2.

    Neem maatregelen om insleep tijdens en na de ontsmetting te voorkbmen. Deuren in verband met de eigen veiligheid nog niet op slot.

  • 3.

    Neem de beschermende maatregelen, zoals die op het etiket van het desinfectiemiddel vermeld zijn. Gasmasker met goede filterbus, handschoenen en goed sluitend regenpak. Werk, vanwege de veiligheid, altijd met 2 personen. Neem geen enkel risico!!

  • 4.

    Maak een voorraad van het ontsmettingsmiddel klaar in de juiste voorgeschreven concentratie. Zuig met de hogedrukreiniger vanuit dit bassin de vloeistof aan.

  • 5.

    Spuit onder lage druk het desinfectiemiddel over de vloer, de opgaande wand en de openstaande inlaatkleppen of -ventielen. Werk altijd in de richting van de grote deuren.

  • 6.

    Sluit daarna alle ventilatie inlaatopeningen.

  • 7.

    Plaats alle inventaris en gereedschappen in de stal.

  • 8.

    Maak de oplossing aan voor de ruimteontsmetting.

  • 9.

    Vernevel de desinfectievloeistof in de stal. De hogedruk vernevelaar laten vernevelen via aparte openingen in de zijmuur of in de deuren. Indien de vernevelaar in de stal geplaatst moet worden voorkom dan het aanzuigen van de nevel, door het apparaat op tijd terug te trekken. De laatste hoeveelheid vloeistof via een openstaande deur naar binnen blazen.

  • 10.

    Ook alle in relatie tot de stal staande lokalen en gebouwen ontsmetten, bij voorkeur met behulp van de hogedruk vernevelaar.

  • 11.

    Doe alle deuren op slot en laat formaline minimaal 24 uur inwerken, de overige middelen dienen een minimale inwerkingstijd van 8 uur te hebben.

  • 12.

    Ventileer de restdamp na de inwerkingstijd uit de stal, de stal tevens opwarmen tot 15 °C. Eerst de ventilatiekokers openen daarna de inlaatopeningen. Eventuele restdampen van formaldehyde kunnen geneutraliseerd worden door het versproeien van een 25% ammoniumverbinding (ammoniakwater). Dus niet de stal opengooien, zodat alles en iedereen erin kan.

  • 13.

    Het inwendige van het voersysteem in de stal is niet bereikbaar voor schoonmaken of ontsmetten. Indien er aanleiding voor is, dient het voersysteem in de stal vooral de vijzels, zo nodig te worden ontmanteld of vol gezet met een ontsmettingsmiddel dat is gemengd in een hoeveelheid voer. Bijvoorbeeld 5% formaline of een organisch zuur in wat restvoer gedurende tenminste 24 uur in het systeem laten staan. Het is raadzaam om de silo zelf en de weeginstallatie plus aanvoervijzels buiten de stal van tijd tot tijd ook op een dergelijke manier te behandelen.

  • 14.

    Resten opgedroogd ontsmettingsmiddel, met name formaline, met water verwijderen. Erfverharding, in het bijzonder de laadplaats van de kuikens en de uitblaasruimte bij lengteventilatiestallen, desinfecteren met de hogedrukreiniger met een oplossing van natronloog of chloor (bijvoorbeeld Halamid (3%)).

Bijlage

IV

Protocol voor het nemen van swabmonsters in stallen waar bij het koppel een Salmonella paratyphi B var. Java is geconstateerd

Het doel van de monstername is Salmonella paratyphi B var. Java te vinden, het is derhalve van belang om gericht te zoeken naar zichtbaar vuile oppervlakken. Deze worden bemonsterd, aangezien het niet zinvol is om schone oppervlakken te swabben.

Soms is het zinvol om meer swabs te nemen van andere dan de hier genoemde plaatsen; hierbij geldt steeds weer dat er gericht gezocht dient te worden. Dergelijke plaatsen kunnen in de directe omgeving van de stallen liggen, bijvoorbeeld de voerdistributiel weegplaats.

Het is uiteraard van belang om een visuele beoordeling van de stallen en inventaris uit te voeren. Hierbij moet ook de aanwezigheid van ongedierte, zoals kevers en larven worden meegenomen.

Bij het nemen van swabmonsters in de stallen die met Salmonella paratyphi B var. Java besmet waren, dienen tenminste 50 swabs genomen te worden bijvoorbeeld op de volgende plaatsen (dit laatste is enigszins afhankelijk van de betreffende praktijksituatie).

1.

De vloeren, in het bijzonder de scheuren en de aansluitnaden met de wanden:

25 stuks;

2.

Voerlijnen: voerpannen en de binnenzijde van de vijzelbuizen:

10 stuks;

3.

Voerhoppers en de valpijpen aan de binnenzijde:

2 stuks;

4.

Ventilatoren plus de behuizing ervan:

5 stuks;

5.

De vloer van het voerhok:

1 stuks;

6.

Kachels aan binnen en buitenzijde:

2 stuks;

7.

Inlaatopeningen van luchtinlaatkleppen (met name buitenzijde):

5 stuks.

Voorts monstername van losliggend vuil en schraapsel van risicoplaatsen, zoals de binnenzijde van de voervijzel, bedrijfsschoeisel en kieren van afvoerputten. Het te nemen aantal swabs is afhankelijk van de hoeveelheid aangetroffen materiaal.

Voor de analyse mogen 25 swabs worden gepoold.