Artikel
1
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder de wet: de Wet studiefinanciering 2000.
Besluit:
In deze regeling wordt verstaan onder de wet: de Wet studiefinanciering 2000.
Met ingang van 1 januari 2004 worden de bedragen, genoemd in artikel 3.9, derde lid, van de wet, vastgesteld op € 14.510,48 onderscheidenlijk € 18.656,33.
Met ingang van 1 januari 2004 wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.17, eerste lid, van de wet, vastgesteld op € 10.218,46.
Met ingang van 1 januari 2004 luiden de bedragen, genoemd in artikel 3.18 van de wet, als volgt:
|
Levensonderhoud |
||
|
a. thuiswonend |
€ 336,26 |
€ 336,26 |
|
b. uitwonend |
€ 508,35 |
€ 508,35 |
|
Boeken en leermiddelen |
€ 50,72 |
€ 44,37 |
|
Normbedrag ziektekostenverzekering |
€ 36,70 |
€ 36,70 |
|
Basisbeurs (excl. toeslagen) |
||
|
a. thuiswonend |
€ 74,11 |
€ 55,85 |
|
b. uitwonend |
€ 228,20 |
€ 209,93 |
|
Maximale aanvullende beurs / lening (of veronderstelde ouderlijke bijdrage) |
||
|
a. thuiswonend, particulier verzekerd |
€ 216,72 |
€ 299,29 |
|
b. thuiswonend, ziekenfonds verzekerd |
€ 180,02 |
€ 262,59 |
|
c. uitwonend, particulier verzekerd |
€ 234,72 |
€ 317,30 |
|
d. uitwonend, ziekenfonds verzekerd |
€ 198,02 |
€ 280,60 |
|
Basislening |
€ 253,27 |
€ 138,52 |
|
Toeslag partner |
€ 503,30 |
€ 503,30 |
|
Toeslag één- oudergezin |
€ 402,75 |
€ 402,75 |
Met ingang van 1 januari 2004 wordt het bedrag, genoemd in de artikelen 5.2, derde lid, 5.4, tweede lid en 10.3, derde lid, van de wet, vastgesteld op € 770,53.
Met ingang van 1 januari 2004 wordt het bedrag, bedoeld in artikel 6.1, derde lid, van de Regeling studiefinanciering 2000, vastgesteld op € 133,55.
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004 en vervalt met ingang van 1 januari 2005.
Deze regeling wordt aangehaald als ‘Regeling normbedragen studiefinanciering 2004’.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.