Regeling houdende regels voor de luchtvaart voor het geven en ontvangen van seinen in nood, bij spoed, bij zoek- en reddingsacties en bij onderschepping (Regeling seinen luchtvaart)

Regeling seinen luchtvaart

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;
Gezien aanhangsel 1 en 2 en bijvoegsel A van Bijlage 2 (Rules of the Air) en Bijlage 12 (Search and Rescue) van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart;

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemeen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    grondsein: visueel signaal dat wordt gegeven door middel van een figuur op de grond;

  • b.

    lichtsein: visueel signaal dat wordt gegeven door middel van een kunstmatige lichtbron;

  • c.

    morsesein: signaal dat bestaat uit korte en lange tekens uit het morsealfabet;

  • d.

    noodsein: signaal dat blijk geeft van een ernstige situatie waarbij gevaar dreigt en onmiddellijk hulp is vereist;

  • e.

    spoedsein: signaal dat blijk geeft van een ernstige situatie waarbij mogelijk gevaar dreigt en hulp is gewenst.

Hoofdstuk

2

Nood- en spoedseinen

Artikel

2

Artikel

3

Een luchtvaartuig dat moeilijkheden heeft waardoor het gedwongen wordt te landen zonder dat onmiddellijke hulp nodig is, geeft de volgende spoedseinen, gezamenlijk of afzonderlijk:

  • a.

    het herhaaldelijk in- en uitschakelen van de landingslichten;

  • b.

    het herhaaldelijk in- en uitschakelen van de navigatielichten op zodanige wijze dat er verschil bestaat met knipperende navigatielichten.

Artikel

4

Een luchtvaartuig dat een zeer dringend bericht heeft over te brengen betreffende de veiligheid van een luchtvaartuig, vaartuig of voertuig dan wel over de veiligheid van één of meer personen aan boord of in zicht, geeft de volgende spoedseinen, gezamenlijk of afzonderlijk:

  • a.

    het morsesein -..- , bestaande uit de groep XXX, te geven door middel van radiotelegrafie of enige andere vorm van signaaloverdracht;

  • b.

    de gesproken woorden PAN PAN bij gebruik van radiotelefonie;

  • c.

    een spoedbericht dat de bedoeling van het woord PAN PAN doorgeeft bij gebruik van een gegevensverbinding.

Hoofdstuk

3

Zoek- en reddingsseinen; seinen bij onderschepping

Artikel

5

Ten behoeve van zoek- en reddingsacties worden door de desbetreffende luchtvaartuigen, reddingsvoertuigen, reddingseenheden en overlevenden de seinen gebruikt als in bijlage 1 bij deze regeling is aangegeven. In deze bijlage is tevens aangegeven hoe overeenkomstig deze seinen moet worden gehandeld.

Artikel

6

Bij onderschepping van een luchtvaartuig worden door het onderscheppende en het onderschepte luchtvaartuig de seinen gebruikt als in bijlage 2 bij deze regeling is aangegeven.

Artikel

7

Hoofdstuk

4

Seinen voor het luchtvaartterreinverkeer

Artikel

8

Vast groen

Klaring om te landen

Klaring om op te stijgen

Vast rood

Wijk uit voor andere luchtvaartuigen en blijf cirkelen

Stop

Groen knipperlicht

Keer terug om te landen; klaring om te landen wordt later gegeven

Klaring om te taxiën

Rood knipperlicht

Luchtvaartterrein onveilig, niet landen

Taxi vrij van de in gebruik zijnde landingsbaan

Wit knipperlicht

Land op dit luchtvaartterrein en

ga naar het platform; klaring om

te landen of te taxiën wordt later

gegeven

Keer terug naar de plaats op het terrein waar u begonnen bent

Rode lichtkogels of vuurpijlen

Ongeacht enige voorgaande instructie voorlopig niet landen

Artikel

9

Op een luchtvaartterrein worden de in bijlage 3 bij deze regeling opgenomen grondseinen met de daarachter vermelde betekenis gebruikt.

Artikel

10

Artikel

11

De volgende seinen worden gegeven door de bestuurder van een luchtvaartuig vanuit de cockpit, met zijn handen duidelijk zichtbaar voor de seiner, waarbij de handen zo nodig verlicht worden:

  • a.

    remmen vast: een arm wordt opgeheven met geopende hand, waarna een vuist wordt gemaakt op het moment dat de remmen worden vastgezet;

  • b.

    remmen los: een arm wordt opgeheven met gebalde vuist, waarna de vuist wordt geopend op het moment dat de remmen worden losgelaten;

  • c.

    wielblokken vastzetten: de armen worden, met de handpalm naar buiten, gestrekt en daarna naar binnen bewogen en vóór het gelaat gekruist;

  • d.

    wielblokken wegnemen: de armen worden gekruist vóór het gelaat en daarna gestrekt met de handpalm naar buiten;

  • e. 

    klaar om motor(en) te starten: een hand wordt opgestoken, waarbij met het aantal gestrekte vingers wordt aangegeven welke motor klaar is om te worden gestart; de motoren worden aangeduid door opeenvolgende nummering, te beginnen met de buitenste linkermotor, die als nummer 1 wordt aangeduid.

Hoofdstuk

5

Slotbepalingen

Artikel

14

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

15

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling seinen luchtvaart.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Verkeer en WaterstaatM.H.Schultz van Haegen

Bijlage

1

, behorende bij artikel 5

1. Het luchtvaartuig dat een reddingsvoertuig naar een luchtvaartuig of voertuig wil leiden dat in nood verkeert, geeft dit met de volgende, eventueel herhaalde, bewegingen aan:

  • a.

    minstens één keer cirkelen boven het reddingsvoertuig,

  • b.

    op lage hoogte vlak voor het reddingsvoertuig langs vliegen en

    • 1°.

      schommelen met de vleugels,

    • 2°.

      het openen en sluiten van de gashandel, of

    • 3°.

      het veranderen van de spoed van de propeller,

  • c.

    koers zetten in de richting waarin het reddingsvoertuig wordt gestuurd.

2. De volgende, eventueel herhaalde, bewegingen van een luchtvaartuig betekenen dat de hulp van het reddingsvoertuig waaraan het sein wordt gegeven niet langer nodig is:

op lage hoogte vlak achter het reddingsvoertuig langs vliegen en

  • 1°.

    schommelen met de vleugels,

  • 2°.

    het openen en sluiten van de gashandel, of

  • 3°.

    het veranderen van de spoed van de propeller.

3. Reddingsvoertuigen reageren als volgt op de seinen, bedoeld in onderdeel 1 of 2:

  • a.

    ter bevestiging:

    • 1°.

      het hijsen van een vlag met verticale rode en witte strepen,

    • 2°.

      het met een lamp herhaald seinen van de letter T met het sein – in morse code,

    • 3°.

      het veranderen van koers in de gewenste richting;

  • b.

    om aan te geven dat men niet aan de vraag kan voldoen:

    • 1°.

      het hijsen van een blauw met wit geblokte vlag,

    • 2°.

      het met een lamp herhaald seinen van de letter N met het sein –. in morse code.

4. Overlevenden gebruiken de volgende grondseinen naar luchtvaartuigen:

  • a.

    hulp gevraagd: V

  • b.

    medische hulp gevraagd: X

  • c.

    nee of ontkennend: N

  • d.

    ja of bevestigend: Y

  • e.

    verplaatsend in deze richting: →

5. Reddingseenheden gebruiken de volgende grondseinen naar luchtvaartuigen:

  • a.

    werkzaamheden afgerond: LLL

  • b.

    wij hebben alle inzittenden gevonden: LL

  • c.

    wij hebben sommige inzittenden gevonden: ++

  • d.

    wij zijn niet in staat door te gaan en komen terug naar de basis: XX

  • e.

    zijn opgesplitst in twee groepen; van iedere groep is de richting aangegeven: ←/→

  • f.

    informatie ontvangen dat het luchtvaartuig zich in de volgende richting bevindt: →→

  • g.

    niets gevonden; zullen doorgaan met zoeken: NN.

6. De grondseinen, bedoeld in onderdeel 4 of 5, worden ten minste 2,5 m (8 voet) hoog en zo opvallend mogelijk gemaakt. Aandacht voor deze seinen kan met andere middelen worden verkregen, zoals radio, vuur, rook en reflectie.

7. De volgende seinen van luchtvaartuigen betekenen dat de grondseinen zijn begrepen:

  • a.

    bij dag: schommelen met de vleugels,

  • b.

    bij nacht: twee maal in- en uitschakelen van de landingslichten, of indien niet aanwezig, twee maal aan- en uitzetten van de navigatielichten.

8. Het uitblijven van het sein, bedoeld in onderdeel 7, betekent dat het grondsein niet is begrepen.

9. Wanneer een gezagvoerder bemerkt dat een luchtvaartuig, voertuig of vaartuig in nood verkeert is deze verplicht, tenzij hij hiertoe niet in staat is of de omstandigheden dit onredelijk of onnodig maken:

  • a.

    zicht te houden op het in nood verkerende toestel, totdat zijn aanwezigheid niet langer noodzakelijk is,

  • b.

    zijn positie vast te stellen als daarover geen zekerheid bestaat,

  • c.

    het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeersdienst indien mogelijk de volgende informatie te verstrekken:

    • 1°.

      het type luchtvaartuig, voertuig of vaartuig in nood, diens identificatie en toestand,

    • 2°.

      diens positie, uitgedrukt in geografische coördinaten of in afstand en ware koers gezien vanuit een bepaald landkenmerk of van een radionavigatiehulpmiddel,

    • 3°.

      tijdstip van waarneming, uitgedrukt in uren en minuten gecoördineerde wereldtijd,

    • 4°.

      aantal waargenomen personen,

    • 5°.

      of personen in de omgeving van het in nood verkerende toestel zijn waargenomen,

    • 6°.

      het aantal personen in vlotten,

    • 7°.

      de waarschijnlijke fysieke conditie van overlevenden,

  • d.

    te handelen volgens de opdrachten van het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeerdienst.

10. Wanneer het eerste luchtvaartuig dat de plaats van een ongeval bereikt, niet van een zoek- of reddingsdienst is, is het belast met de leiding van de plaatselijke activiteiten van alle andere luchtvaartuigen totdat het eerste luchtvaartuig van een zoek- of reddingsdienst de locatie bereikt. Als het luchtvaartuig echter in de tussentijd niet in staat is te communiceren met het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeersdienst, draagt het met wederzijdse goedkeuring zijn verantwoordelijkheid over aan een luchtvaartuig dat wel in staat is die communicatie te verzorgen, tot de komst van het eerste luchtvaartuig van de zoek- of reddingsdienst.

11. Wanneer het noodzakelijk is voor een luchtvaartuig om een voertuig of vaartuig te leiden naar de plaats waar een luchtvaartuig, voertuig of vaartuig in nood is, doet de gezagvoerder dat door nauwkeurige aanwijzingen te geven met elk willekeurig middel dat ter beschikking is. Wanneer geen radiocontact tot stand kan worden gebracht, gebruikt het luchtvaartuig de seinen, bedoeld in onderdeel 1 of 2.

12. Wanneer het noodzakelijk is voor een luchtvaartuig om informatie te verstrekken aan overlevenden of reddingseenheden en tweezijdig radiocontact niet mogelijk is, dropt het, indien uitvoerbaar, communicatiemiddelen waarmee wel rechtstreeks radiocontact mogelijk is, of verstrekt het de informatie door deze te droppen.

13. Wanneer een grondsein zichtbaar is, geeft het luchtvaartuig aan of dit sein is begrepen middels de seinen, bedoeld in onderdeel 7 of 8, of via de methode als bedoeld in onderdeel 12.

14. Wanneer een noodsein of -bericht of een soortgelijke boodschap door een luchtvaartuig is opgevangen middels telegrafie of radiotelefonie, is de gezagvoerder verplicht:

  • a.

    de positie van het toestel in nood vast te leggen als deze is gegeven,

  • b.

    indien mogelijk een peiling van de uitzending te verrichten,

  • c.

    het reddingscoördinatiecentrum of de luchtverkeersdienst alle beschikbare informatie te verstrekken, en

  • d.

    te overwegen om in afwachting van instructies koers te zetten naar de positie die in het bericht is vermeld.

Bijlage

2

, behorende bij artikel 6

1.

DAG of NACHT: Schommelen rond de langsas

U bent onder-

DAG of NACHT: Schommelen

Begrepen, voldoe

van het luchtvaartuig en knipperen met de navi-

schept. Volg mij.

rond de langsas van het lucht-

aan opdracht.

gatielichten met onregelmatige tussenpozen (en

vaartuig, knipperen met de

landingslichten bij een helikopter), in een positie

navigatielichten met onregel-

vóór, iets hoger dan en gewoonlijk links van het

matige tussenpozen en volgen.

onderschepte luchtvaartuig (of rechts bij een

helikopter); na bevestiging gevolgd door een

flauwe horizontale bocht, als regel naar links (of

rechts bij een helikopter) naar de gewenste richting.

Opmerking 1: de weersomstandigheden of het

terrein kunnen het onderscheppende luchtvaar-

tuig dwingen de posities en de richting als aan-

gegeven in serie 1 om te keren

Opmerking 2: wanneer het onderschepte lucht-

vaartuig geen gelijke tred kan houden met het

onderscheppende luchtvaartuig, mag van het

laatste worden verwacht dat het een aantal

vliegpatronen zal vliegen, bestaand uit twee hal-

ve cirkels waarvan de uiteinden zijn verbonden

met twee parallelle lijnen in hetzelfde horizontale

vlak en elke keer dat het onderschepte luchtvaar-

tuig wordt gepasseerd het luchtvaartuig schom-

melt.

2.

DAG of NACHT: Plotseling wegdraaien vanaf het

U kunt doorgaan.

DAG of NACHT: Schommelen

Begrepen, voldoe

onderschepte luchtvaartuig met een stijgende

rond de langsas van het lucht-

aan opdracht.

bocht van 90° of meer, zonder de koerslijn van

vaartuig.

het onderschepte luchtvaartuig te kruisen.

3.

DAG of NACHT: Het landingsgestel neerlaten

Land op dit lucht-

DAG of NACHT: Het landings-

Begrepen, voldoe

(indien mogelijk), ononderbroken landingslichten

vaartterrein.

gestel neerlaten (indien mogelijk),

aan opdracht.

tonen, de in gebruik zijnde baan overvliegen of,

ononderbroken landingslichten

als het onderschepte luchtvaartuig een helikopter

tonen terwijl het onderscheppen-

is, over het helikopterlandingsterrein vliegen.

de luchtvaartuig wordt gevolgd

Wanneer helikopters elkaar onderscheppen,

en wanneer, na het overvliegen

maakt de onderscheppende helikopter een

van de in gebruik zijnde baan of

landingsnadering en blijft in de buurt van het

het helikopterlandingsterrein, het

landingsgebied vliegen.

landingsterrein veilig wordt

geacht, doorgaan om te landen.

4.

DAG of NACHT: Het landingsgestel intrekken

Het luchtvaart-

Als het gewenst is dat het onder-

Begrepen, volg

(indien mogelijk) en knipperen met de landings-

terrein dat u

schepte luchtvaartuig het onder-

mij.

lichten tijdens het vliegen over de in gebruik

hebt aangewezen

scheppende luchtvaartuig volgt

zijnde baan of het helikopterlandingsterrein op

is ongeschikt.

naar een uitwijkhaven, trekt het

een hoogte, groter dan 300 m (1000 voet), maar

onderscheppende luchtvaartuig

lager dan 600 m (2000 voet), bij een helikopter

het landingsgestel in (indien

op een hoogte, groter dan 50 m (170 voet), maar

mogelijk) en gebruikt de serie 1

lager dan 100 m (330 voet), boven luchtvaart-

seinen voor onderscheppende

terreinhoogte, en doorgaan met cirkelen boven

luchtvaartuigen.

de in gebruik zijnde baan of boven het landings-

Als besloten is om het onder-

Begrepen, u kunt

terrein. Als het niet mogelijk is met de landings-

schepte luchtvaartuig vrij te laten,

doorgaan.

lichten te knipperen, gebruik dan andere

gebruikt het onderscheppende

beschikbare lichten.

luchtvaartuig de serie 2 seinen

voor onderscheppende luchtvaar-

tuigen.

5.

DAG of NACHT: regelmatig aan- en uitschakelen

van alle beschikbare lichten, maar zo dat het kan

worden onderscheiden van knipperlichten.

Kan niet voldoen aan opdracht.

DAG of NACHT: Gebruik de serie

2 seinen voor onderscheppende

luchtvaartuigen.

Begrepen.

6.

DAG of NACHT: onregelmatig knipperen met

In nood.

DAG of NACHT: Gebruik de serie

Begrepen.

alle beschikbare lichten.

2 seinen voor onderscheppende

luchtvaartuigen.

2. Wanneer radioverbinding met het onderscheppende luchtvaartuig tot stand is gebracht maar communicatie in een gemeenschappelijke taal niet mogelijk is, worden pogingen ondernomen om essentiële informatie en bevestiging van opdrachten over te brengen door gebruikmaking van de volgende bewoordingen en uitspraken, waarbij elke bewoording twee maal wordt uitgezonden en de klemtoon op de onderstreepte delen wordt gelegd:

a. Door onderschepte luchtvaartuigen

CALL SIGN

KOL SA-IN

Mijn roepnaam is

My callsign is

WILCO

VILL-KO

Begrepen

Understood

Voldoe aan opdracht

Will comply

CANNOT

KANN NOTT

Kan niet voldoen aan opdracht

Unable to comply

REPEAT

REE-PEET

Herhaal uw opdracht

Repeat your instruction

AM LOST

AM LOSST

Positie onbekend

Position unknown

MAYDAY

MAY DAY

Ik ben in nood

I am in distress

HIJACK1Het gebruik van de term HIJACK kan in bepaalde omstandigheden onmogelijk of ongewenst zijn.

HI-JACK

Ik ben gekaapt

I have been hijacked

LAND

LAAND

Ik wil landen op

I request to land at

(place name)

(place name)

(plaatsnaam)

(place name)

DESCEND

DEE-SEND

Ik wil dalen

I require descent

b. Door onderscheppende luchtvaartuigen

CALL SIGN

KOL SA-IN

Mijn roepnaam is

My call sign is

FOLLOW

FOL-LO

Volg mij

Follow me

DESCEND

DEE-SEND

Daal voor de landing

Descend for landing

YOU LAND

YOU-LAAND

Land op dit

luchtvaartterrein

Land at this

aerodrome

PROCEED

PRO-SEED

U kunt doorgaan

You may proceed

Bijlage

3

, behorende bij artikel 9

De volgende grondseinen op een luchtvaartterrein hebben de daarachter vermelde betekenis:

a. rood vierkant bord met gele diagonalen in een seinenvierkant: verboden te landen voor onbepaalde tijd;

b. rood vierkant bord met één gele diagonaal in een seinenvierkant: opletten bij het landen;

c. witte halter in een seinenvierkant: landen, opstijgen en taxiën uitsluitend toegestaan op banen en rijbanen;

d. witte halter met zwarte dwarsbalken in een seinenvierkant: landen en opstijgen uitsluitend toegestaan op banen: taxiën toegestaan op en buiten rijbanen;

e. kruisen in een enkelvoudige kleur, liefst geel of wit, op het landingsterrein: het gedeelte binnen de kruisen in onbruikbaar;

f. witte of oranje landings-T: landen en opstijgen in een lijn evenwijdig aan het staande been van de T en in de richting van de voet naar de top van de T. Bij nachtelijk gebruik van het terrein wordt de landings-T verlicht of met witte lampen afgetekend;

g. twee cijfers tegen of in de nabijheid van de verkeerstoren: richting, waarin moet worden opgestegen, uitgedrukt in tientallen graden ten opzichte van het magnetisch Noorden, afgerond op het meest nabijkomende tiental graden;

h. pijl in een sprekende kleur in een seinenvierkant of aan het einde van de in gebruik zijnde baan: vóór het landen en na het opstijgen iedere bocht naar rechts maken (rechterhand-luchtverkeerscircuit);

i. zwarte C op gele achtergrond: luchtverkeersmeldingspost;

j. dubbel wit kruis in het seinenvierkant: zweefvliegen vindt plaats op het luchtvaartterrein.

Bijlage

4

, behorende bij artikel 10

I. De volgende seinenworden door de seiner gegeven door middel van de daarachter vermelde parkeerseinen

a. Ga verder onder aanwijzing van de seiner: De seiner leidt het luchtvaartuig, indien dit noodzakelijk is.

b. Hier parkeren: De armen omhoog gestrekt met de handpalmen naar elkaar toe.

c. Ga verder naar de volgende seiner: Rechter- of linkerarm naar beneden, andere arm gekruist voor het lichaam en gestrekt in de richting van de volgende seiner.

d. Rechtuit rijden: De armen worden een weinig uit elkaar, met de handpalmen achterwaarts, herhaaldelijk vanaf schouderhoogte naar boven en naar achteren bewogen.

e. Draai naar links: De rechterarm wijst naar beneden; de linkerarm wordt herhaaldelijk van recht vooruit naar boven en naar achteren bewogen. Hoe sneller de arm wordt bewogen, hoe sneller moet worden gedraaid.

f. Draai naar rechts: De linkerarm wijst naar beneden; de rechterarm wordt herhaaldelijk van recht vooruit naar boven en naar achteren bewogen. Hoe sneller de arm wordt bewogen, hoe sneller moet worden gedraaid.

g. Stop: De gestrekte armen worden herhaaldelijk boven het hoofd gekruist. Hoe sneller de armen worden gekruist, hoe sneller moet worden gestopt.

h. Remmen vast: De arm en geopende hand worden horizontaal gestrekt voor het lichaam, waarna een vuist wordt gemaakt.

i. Remmen los: De arm en hand met gebalde vuist worden horizontaal gestrekt voor het lichaam, waarna de vuist geopend wordt.

j. Wielblokken worden vastgezet: De gestrekte armen worden met de handpalm naar binnen van zijwaarts naar omlaag bewogen.

k. Wielblokken zijn weggenomen: De gestrekte armen worden met de handpalm naar buiten van omlaag in zijwaartse richting bewogen.

l. Motor(en) starten: De rechterhand beschrijft een cirkel naast het hoofd, terwijl met het aantal opgestoken vingers wordt aangegeven welke motor moet worden gestart; de motoren worden aangeduid door opeenvolgende nummering, te beginnen met de buitenste linker motor, die als nummer 1 wordt aangeduid.

m. Motor(en) afzetten: De rechter- of linkerhand wordt, met de handpalm naar beneden, op schouderhoogte voor de keel heen en weer bewogen, terwijl de arm gebogen blijft.

n. Snelheid verminderen: De armen worden met de handpalmen naar beneden gericht herhaaldelijk naast het lichaam op en neer bewogen.

o. Snelheid van de motoren verminderen aan de aangegeven zijde: De armen worden – met de handpalmen naar de grond gericht – langs het lichaam gestrekt, waarna de linker of rechterhand op en neer wordt bewogen om aan te geven dat de linker of rechter motor(en) snelheid moet(en) minderen.

p. Achteruit: De gestrekte armen worden – met de handpalmen naar voren gericht – herhaaldelijk naar voren en naar boven langs het lichaam bewogen tot aan schouderhoogte.

q. Staart naar rechts, achteruitrijdend: De linkerarm wijst zijwaarts omlaag, terwijl de gestrekte rechterarm – met de handpalm naar voren gericht – herhaaldelijk van omhoog naar voren wordt bewogen.

r. Staart naar links, achteruitrijdend: De rechterarm wijst zijwaarts omlaag, terwijl de gestrekte linkerarm – met de handpalm naar voren gericht – herhaaldelijk van omhoog naar voren wordt bewogen.

s. Alles vrij: De rechterarm wordt opgeheven vanaf de elleboog, terwijl de duim van de rechterhand omhoog wijst.

II. de volgende aanwijzingen voor helikopters worden door de seiner gegeven door middel van de daarachter vermelde manoeuvreertekens

a. Houd positie (‘hover’): Armen horizontaal zijwaarts uitgestrekt.

b. Stijgen: De armen worden horizontaal zijwaarts uitgestrekt en naar boven bewogen, met de handpalmen naar boven gericht. De snelheid van de beweging geeft de stijgsnelheid aan.

c. Dalen: De armen worden horizontaal zijwaarts uitgestrekt en naar beneden bewogen, met de handpalmen naar beneden gericht. De snelheid van de beweging geeft de daalsnelheid aan.

d. Vlieg horizontaal in de aangegeven richting: De ene arm wijst zijwaarts in de vliegrichting, terwijl de andere arm herhaaldelijk in dezelfde richting voor het lichaam wordt bewogen.

e. Landen: De armen gekruist voor het lichaam naar beneden gestrekt.