Besluit van 13 augustus 2004, houdende vaststelling van het begrip liquide middelen, bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en houdende regels betreffende de verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, alsmede tot wijziging van artikel 5 van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994

Besluit vaststelling begrip liquide middelen ex artikel 23, zesde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, enz.

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op voordracht van Onze Minister van Financiën, van 1 juli 2004, FM 2004-858 M;
De Raad van State gehoord, advies van 23 juli 2004, No. W06.04.0327/IV;
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën, van 9 augustus 2004, FM 2004-1012 M;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk

1

Wet toezicht kredietwezen 1992

Artikel

1

Onder liquide middelen als bedoeld in artikel 23, zesde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt verstaan:

  • a.

    aanwezige munten of bankbiljetten;

  • b.

    direct opvorderbare tegoeden;

  • c.

    kortlopende vorderingen, niet zijnde direct opvorderbare tegoeden;

  • d.

    activa, niet zijnde kortlopende vorderingen, die op zeer korte termijn en zonder substantiële verliezen zouden kunnen worden omgezet in munten of bankbiljetten of direct opvorderbare tegoeden.

Artikel

2

Artikel

4

De houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 82, vierde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 neemt in ieder geval de volgende voorschriften in acht:

  • a.

    alvorens een overeenkomst aan te gaan terzake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben dan wel in enigerlei vorm te bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking te verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden, informeert hij de wederpartij duidelijk en volledig over diens rechten en plichten met betrekking tot de overeenkomst;

  • b.

    hij meldt iedere wijziging van de gegevens betreffende het aantal of de identiteit van de in artikel 3 bedoelde personen vooraf aan de Bank. Een wijziging wordt niet doorgevoerd indien de Bank binnen zes weken na ontvangst van de melding, of, indien de Bank om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht, binnen zes weken na de ontvangst van die gegevens of inlichtingen, aan de ontheffinghouder bekend heeft gemaakt niet met het voornemen in te stemmen;

  • c.

    hij stelt de Bank onverwijld schriftelijk in kennis van iedere wijziging in de antecedenten van de in artikel 3 bedoelde personen.

Hoofdstuk

2

Wijziging van artikel 5 van het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994

Artikel

6

Wijzigt het Besluit solvabiliteitsmarge verzekeringsbedrijf 1994.

Hoofdstuk

3

Inwerkingtreding

Artikel

7

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Financiën , G. Zalm
De Minister van Justitie , J. P. H. Donner