Wet van 2 december 2004 tot wijziging van de Wet arbeid vreemdelingen in verband met invoering van bestuursrechtelijke handhaving (Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen)

Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging hebben genomen, dat het omwille van de rechtshandhaving in het kader van de Wet arbeid vreemdelingen wenselijk is te komen tot invoering van bestuursrechtelijke handhaving;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

I

Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel

II

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel

III

Onze Minister zendt, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel

VI

Deze wet wordt aangehaald als: Wet bestuurlijke boete arbeid vreemdelingen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

's-Gravenhage
Beatrix
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid H. A. L. van Hoof
De Minister van Justitie J. P. H. Donner