Regeling houdende vaststelling van eisen ten aanzien van inrichting, uitrusting en technische eigenschappen van de hoofdspoorweginfrastructuur en het onderhoud daarvan (Regeling hoofdspoorweginfrastructuur)

Regeling hoofdspoorweginfrastructuur

§

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    besluit: Besluit spoorweginfrastructuur;

  • b.

    actief beveiligde overweg: overweg die voorzien is van een treinaankondigingsinstallatie;

  • c.

    bewaakte overweg: actief-beveiligde overweg waarbij de toeleidende seinen pas uit de stand ‘stop’ kunnen komen als de overwegbomen gesloten zijn.

  • d.

    BS-hoogte: referentiemaat voor hoogteligging ten opzichte van de bovenkant van de spoorstaaf;

  • e.

    EN: Europese norm;

  • f.

    EIRENE: norm van de European Integrated Railway radio Enhanced Network;

  • g.

    NEN-EN: door het Nederlandse Norminstituut overgenomen Europese EN-norm;

  • h.

    niet-actief beveiligde overweg: overweg voorzien van Andreaskruisen;

  • i.

    openbare overweg: overweg in een voor het openbaar verkeer openstaande weg;

  • j.

    UIC: norm van de Internationale Spoorwegunie.

§

2

Algemene kenmerken

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Hoofdspoorweginfrastructuur is buiten overwegen voorzien van een afscherming waarvan de inrichting wordt vormgegeven op basis van een door de beheerder opgestelde locatiespecifieke risico-analyse.

§

3

De spoorbaan

Artikel

6

Artikel

7

Artikel

8

Artikel

9

De hoofdspoorweginfrastructuur is voorzien van een draadloos communicatiesysteem van het type ‘GSM-Rail’ dat voldoet aan EIRENE FRS versie 6.0 en EIRENE SRS versie 14.0.

§

4

Overwegen

Artikel

10

Artikel

11

Artikel

12

§

5

Veiligheids- en beschermingsinstallaties

Artikel

13

Artikel

14

§

6

Energievoorziening

Artikel

15

Artikel

16

De beschermende maatregelen van de bovenleiding en de tractie-installaties met betrekking tot elektrische veiligheid voldoen aan NEN-EN nr. 50122-1.

Artikel

17

De vrije ruimte tussen bovenleiding en overwegbevloering, waarvan het niveau gelijk is aan de BS-hoogte bedraagt:

  • a.

    minimaal: 5,10 m bij 1500 V gelijkstroom of 5,20 m bij 3000 V of hoger;

  • b.

    nomimaal: 5,50 m.

Artikel

18

De minimale afstand tussen spanningsvoerende geleiders en een kunstwerk voldoet aan NEN-EN nr. 50119.

Artikel

19

De spanning aan een stroomafnemer voldoet aan NEN-EN nr. 50163.

Artikel

20

§

7

Emissie van immuniteit voor elektromagnetische velden

Artikel

21

§

8

Onderhoudseisen voor bestaande hoofdspoorweginfrastructuur

Artikel

22

Hoofdspoorweginfrastructuur, die in overeenstemming met de daarvoor geldende voorschriften die gelden op de dag voorafgaande aan de dag waarop artikel 6 van de Spoorwegwet in werking treedt, wordt gebruikt, voldoet ten aanzien van het onderhoud bij voortduring ten minste aan de volgende eisen:

§

9

Uitzonderingsbepalingen

Artikel

24

Artikel

26

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling hoofdspoorweginfrastructuur.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen, normbladen en fiches die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, K.M.H.Peijs

Bijlage

1

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

2

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

3

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

4

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

5

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

6

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

7

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Bijlage

8

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.