Regeling van de Minister van Economische Zaken van 4 februari 2005, nr. P&O/4080987, houdende de aanwijzing van vertrouwenspersonen en de instelling van een klachtencommissie ongewenste omgangsvormen bij het Ministerie van Economische Zaken en de vaststelling van de Werkwijze ongewenste omgangsvormen (Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen EZ)

Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen EZ

De Minister van Economische Zaken,
Gehoord het Departementaal Georganiseerd Overleg;

Besluit:

§

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a.

    ongewenste omgangsvormen:

    • 1.

      seksuele intimidatie: ongewenste seksuele toenadering, verzoeken om seksuele gunsten of ander verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag van seksuele aard,

      waarbij tevens sprake is van een of meer van de volgende factoren:

      • onderwerping aan een dergelijk gedrag wordt hetzij expliciet hetzij impliciet gehanteerd als voorwaarde voor de tewerkstelling van de betrokken medewerker;

      • onderwerping aan of afwijzing van een dergelijk gedrag door de betrokken medewerker wordt gebruikt of mede gebruikt als basis voor beslissingen die het werk van de betrokken medewerker raken;

      • dergelijk gedrag heeft tot doel de werkprestaties van de betrokken medewerker aan te tasten of een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving te creëren dan wel tot gevolg dat de werkprestaties van de betrokken medewerker worden aangetast of een intimiderende, vijandige of onaangename werkomgeving wordt gecreëerd;

    • 2.

      agressie of geweld: voorvallen waarbij een medewerker psychisch of fysiek wordt lastiggevallen, bedreigd of aangevallen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van arbeid, waaronder begrepen pesten, treiteren, roddelen, geruchtenverspreiding en discriminatie op het werk;

  • b.

    minister: Minister van Economische Zaken;

  • c.

    ministerie: Ministerie van Economische Zaken;

  • d.

    directeur P&O: directeur Personeel en Organisatie;

  • e.

    medewerker: degene die werkzaamheden verricht of heeft verricht bij het ministerie;

  • f.

    vertrouwenspersonen: de in artikel 2 bedoelde, als zodanig door de minister benoemde personen;

  • g.

    commissie: de in artikel 4 bedoelde klachtencommissie ongewenste omgangsvormen EZ;

  • h.

    melding: het zich wenden tot de vertrouwenspersoon in verband met ongewenste omgangsvormen;

  • i.

    melder: de medewerker die zich in verband met ongewenste omgangsvormen tot de vertrouwenspersoon heeft gewend;

  • j.

    klacht: schriftelijke klacht over ongewenste omgangsvormen;

  • k.

    klager: de medewerker die een klacht over ongewenste omgangsvormen heeft ingediend bij de commissie;

  • l.

    aangeklaagde: de medewerker tegen wie een klacht over ongewenste omgangsvormen is ingediend.

§

2

Vertrouwenspersonen ongewenste omgangsvormen EZ

Artikel

2

Artikel

3

De vertrouwenspersoon heeft de volgende taken en bevoegdheden:

  • a.

    het opvangen, begeleiden en van advies dienen van de melder, alsmede het zonodig doorverwijzen naar een professionele hulpverlenende instantie of hulpverlener;

  • b.

    het inwinnen van inlichtingen die noodzakelijk zijn om tot een goed inzicht te komen omtrent de melding en de mogelijkheden om te komen tot een oplossing;

  • c.

    het door middel van het inschakelen van een deskundige, bemiddelaar of mediator trachten tot een oplossing te komen;

  • d.

    het adviseren over en behulpzaam zijn van de melder bij eventueel verder te nemen stappen;

  • e.

    het ondersteunen en begeleiden van de medewerker die is geconfronteerd met ongewenste omgangsvormen bij het indienen van een klacht ter zake bij de commissie en bij het horen door de commissie;

  • f.

    het geven van gevraagd of ongevraagd advies aan de minister op het gebied van de preventie van ongewenste omgangsvormen in de organisatie;

  • g.

    het geven van voorlichting op het gebied van ongewenste omgangsvormen;

  • h.

    het verlenen van nazorg aan de medewerker die is geconfronteerd met ongewenste omgangsvormen.

§

3

Klachtencommissie ongewenste omgangsvormen EZ

Artikel

4

Er is een klachtencommissie ongewenste omgangsvormen EZ.

Artikel

5

Artikel

6

Artikel

7

De commissie is belast met het onderzoek van elke bij haar ingediende klacht van een medewerker en het daarover uitbrengen van een rapport van bevindingen en haar advies aan de secretaris-generaal. Afdeling 9.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing.

Artikel

8

Artikel

9

De commissie is bevoegd:

  • a.

    tot het oproepen van daarvoor in aanmerking komende derden voor het verkrijgen van inlichtingen. Ieder als zodanig opgeroepen medewerker met een dienstverband bij het ministerie is verplicht aan een oproep van de commissie gehoor te geven en desgevraagd alle inlichtingen naar waarheid en zonder voorbehoud te verstrekken;

  • b.

    overlegging te vorderen van ter zake dienende bescheiden;

  • c.

    een onderzoek op de werkplek in te stellen of te doen instellen;

  • d.

    zich door deskundigen van advies en bijstand laten dienen.

§

4

Werkwijze ongewenste omgangsvormen EZ

Artikel

10

De medewerker die met ongewenste omgangsvormen wordt geconfronteerd kan zich wenden tot een vertrouwenspersoon of een klacht indienen bij de commissie.

Artikel

11

Bij het ministerie wordt met klachten over ongewenste omgangsvormen omgegaan op de wijze die is beschreven in de bij dit besluit behorende bijlage Werkwijze ongewenste omgangsvormen EZ.

§

5

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel

12

Voor de eerste maal worden als voorzitter en leden van de commissie respectievelijk als vertrouwenspersonen benoemd de personen die ingevolge het Besluit tot uitvoering van de Klachtenregeling sexuele intimidatie burgerlijk rijkspersoneel bij het Ministerie van Economische Zaken zijn benoemd tot voorzitter en leden van de klachtencommissie respectievelijk tot vertrouwenspersonen. In afwijking van de artikelen 2, tweede lid, en 5, vierde lid, geldt deze benoeming voor de resterende benoemingsperiode ingevolge het hiervoor genoemde besluit.

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

17

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel

18

Deze regeling wordt aangehaald als: Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen EZ.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij de directie Personeel en Organisatie van het ministerie.

Den Haag
De Minister van Economische Zaken,L.J.Brinkhorst

Bijlage

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Economische Zaken.