Regeling militaire steunverlening in het openbaar belang 2004

De Minister van Defensie,
Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de Ministerraad;

Besluit:

Artikel

1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    ‘Militaire steunverlening in het openbaar belang’ (steunverlening)

    Steunverlening door het ministerie van Defensie aan een bestuursorgaan in situaties op het openbaar belang betrekking hebbend, niet zijnde militaire bijstand in de zin van artikel 58 of 59 van de Politiewet 1993 of artikel 18 van de Wet rampen en zware ongevallen.

  • b.

    ‘Openbaar belang’

    Een belang van een bestuursorgaan, dat samenhangt met de wettelijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden van dat orgaan.

  • c.

    ‘Bestuursorgaan’

    Minister, commissaris van de Koningin, burgemeester of dijkgraaf.

  • d.

    ‘Operationeel bevel’

    De bevoegdheid om aan militairen die deel uitmaken van de steunverlenende eenheid ter zake opdrachten te geven.

  • e.

    ‘De minister’

    De minister van Defensie.

  • f.

    ‘NCC’

    Nationaal Coördinatiecentrum van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

  • g.

    ‘DOPS’

    Directie Operaties van het ministerie van Defensie.

  • h.

    ‘CDS’

    Chef Defensiestaf.

  • i.

    ‘Additionele uitgaven’

    Alle noodzakelijke extra uitgaven die een directe relatie hebben met een project of activiteit en derhalve niet zouden zijn gemaakt als de militaire steunverlening niet zou hebben plaatsgevonden.

Artikel

2

Dit voorschrift is uitsluitend van toepassing op steunverlening door onderdelen van Defensie in Nederland. Dit hoofdstuk is derhalve niet van toepassing op steunverlening door onderdelen van Defensie in de Nederlandse Antillen en Aruba of buiten het Koninkrijk.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Militaire steunverlening door Defensie is naar zijn aard tijdelijk. De duur van de militaire steunverlening hangt mede af van de te verlenen steun.

Artikel

6

Het operationeel bevel over de eenheden belast met de uitvoering van de steunverlening berust bij een door de minister aan te wijzen commandant. De commandant handelt op aanwijzing van en onder verantwoordelijkheid van of namens het aanvragende bestuursorgaan.

Artikel

7

Indien de door het aanvragende bestuursorgaan verstrekte opdrachten naar het oordeel van de commandant onduidelijk, onvolledig of in strijd met de geldende voorschriften zijn, dient de commandant zijn bezwaren aan dat bestuursorgaan dan wel de vertegenwoordiger van het bestuursorgaan en zo nodig ook aan zijn directe commandant kenbaar te maken. Indien in het overleg tussen de commandant van de steunverlenende eenheid en het betreffende bestuursorgaan dan wel een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan de bezwaren niet kunnen worden weggenomen, zal de commandant van de steunverlenende eenheid zijn bezwaren voorleggen aan de minister. De minister neemt ter zake een beslissing. Indien het aanvragende bestuursorgaan een minister is, neemt de minister een beslissing na overleg met de aanvragende minister.

Artikel

8

Met inachtneming van de verstrekte opdrachten bepaalt de commandant de wijze van uitvoering. Hij voert overleg ter zake met het aanvragende bestuursorgaan dan wel een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan.

Artikel

9

Artikel

10

Dit voorschrift zal met toelichting in de Ministeriële Publicatieserie 11-10 worden geplaatst. Alle voorgaande publicaties met betrekking tot ‘militaire steunverlening in het openbaar belang’ in de Ministeriële Publicatieserie worden vervallen verklaard.

Artikel

11

Dit voorschrift zal in de Staatscourant worden geplaatst en treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Artikel

12

Deze regeling zal worden aangehaald als de Regeling militaire steunverlening in het openbaar belang 2004.

Den Haag
De Minister van Defensie,H.G.J.Kamp