Artikel
1
De gezagvoerder van een luchtvaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat bij elke vlucht de volgende documenten worden meegevoerd:
-
a.
Het bewijs van inschrijving, als bedoeld in artikel 3.5, eerste of tweede lid, van de Wet luchtvaart;
-
b.
Het bewijs van luchtwaardigheid als bedoeld in artikel 3.13 respectievelijk 3.20 van de Wet luchtvaart, behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 3.21 van de Wet luchtvaart;
-
c.
De op het luchtvaartuig betrekking hebbende gebruiksbeperkingen, gebruiksaanwijzingen en gebruiksgegevens in een vorm van een vlieghandboek dat de instemming heeft van de Minister van Verkeer en Waterstaat;
-
d.
Het bewijs van bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, van de Wet luchtvaart;
-
e.
Het journaal als bedoeld in artikel 98, tweede lid, van de R.T.L.;
-
f.
Indien van toepassing: het geluidscertificaat of de geluidsverklaring als bedoeld in artikel 3.19b respectievelijk artikel 3.19c van de Wet luchtvaart;
-
g.
Indien het luchtvaartuig is uitgerust met radioapparatuur: het bewijs aanwijzing radiostation.