Regeling houdende de Nadere Regeling gedragstoezicht beleggingsinstellingen 2005 (Nadere Regeling gedragstoezicht beleggingsinstellingen 2005)

Nadere Regeling gedragstoezicht beleggingsinstellingen 2005

Paragraaf

1

Inleidende bepalingen

Artikel

1

Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf

2

Nadere regels ter uitvoering van artikel 8, vierde lid van het besluit, inzake de bedrijfsvoering

Artikel

2

Administratieve organisatie en interne controle

De beschrijving van de administratieve organisatie en het systeem van interne controle voorziet in:

  • a.

    algemene beheersmaatregelen in de geautomatiseerde omgeving, de daarbij behorende beheerprocessen en de geprogrammeerde controles die zich richten op de betrouwbare werking van de gebruikte applicaties;

  • b.

    een procedure die waarborgt dat de voor de intrinsieke waardebepaling gebruikte subadministraties ten minste één keer per maand worden aangesloten met de saldibalans en de daaruit voortvloeiende verschillen worden geanalyseerd en gecorrigeerd;

  • c.

    procedures onder welke omstandigheden en op welke wijze een onjuist berekende intrinsieke waarde aan beleggers wordt gecompenseerd;

  • d.

    een procedure die waarborgt dat een systematische vastlegging en archivering van wijzigingen van de voorwaarden plaatsvindt.

Paragraaf

3

Nadere regels ter uitvoering van de artikelen 30, tweede lid, 31, derde lid, en 33 van het besluit, inzake integere bedrijfsvoering

Artikel

3

Tegengaan van belangenverstrengeling

Artikel

4

Deelnemeracceptatie & -⁠bewaking

Artikel

5

Behandeling van incidenten

Artikel

6

De omgang met personeelsleden in integriteitsgevoelige functies

Artikel

7

Toezicht op naleving van maatregelen

Een beheerder, een beleggingsmaatschappij en een bewaarder dragen zorg voor het toezicht op de naleving van de artikelen 3 tot en met 6.

Paragraaf

4

Nadere regels ter uitvoering van artikel 36, vierde lid, van het besluit, inzake reclame

Artikel

8

Waarschuwingszinnen

Artikel

9

Historische rendementen

Indien in een reclame-uiting werkelijke rendementscijfers worden gepresenteerd:

  • a.

    wordt de referentieperiode vermeld;

  • b.

    worden rendementscijfers die betrekking hebben op meerdere jaren teruggebracht tot een gemiddeld jaarrendement of als afzonderlijke jaarrendementen vermeld. Indien een gemiddeld jaarrendement over meer dan één jaar wordt gepresenteerd, wordt een meetperiode van minimaal drie jaar gehanteerd. Indien de beleggingsinstelling nog niet zo lang actief is, kan gerekend worden vanaf het moment van initiële uitgifte van deelnemingsrechten;

  • c.

    kunnen resultaten over kortere perioden dan 12 maanden worden gepresenteerd, mits de presentatie geschiedt op consistente wijze en de resultaten niet worden geëxtrapoleerd naar rendementen op jaarbasis;

  • d.

    wordt bij vergelijking van de resultaten met een vergelijkingsmaatstaf (benchmark) deze benchmark genoemd en is de referentieperiode van de benchmark gelijk aan de genoemde referentieperiode van de beleggingsinstelling;

  • e.

    worden de rendementscijfers gepresenteerd in procenten waardeverandering van ofwel consequent de intrinsieke waarde dan wel consequent de beurswaarde per aandeel of participatie aan het begin van het boekjaar/de periode, rekening houdend met de uitkeringen aan aandeelhouders/participanten in de betreffende periode(s) waarbij die uitkeringen mogen worden opgerent naar het einde van het boekjaar/de periode. Als rendementscijfers worden gepresenteerd aan de hand van veranderingen van de intrinsieke waarde en deze intrinsieke waarde per deelnemingsrecht afwijkt van de verkoopwaarde van dat deelnemingsrecht, dan dient dit laatste expliciet te worden vermeld;

  • f.

    indien wordt uitgegaan van de waardeverandering van de intrinsieke waarde: wordt gerefereerd aan het totale rendement van de beleggingsinstelling. Een en ander is consistent met de betreffende jaarrekeningen. Indien de instelling belastingplichtig is, wordt het rendement na belastingen genoemd;

  • g.

    indien gebruik wordt gemaakt van gesimuleerde rendementscijfers: certificeert een deskundige, als bedoeld in artikel 2:393, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek, dat de simulatie rekenkundig juist, objectief meetbaar en representatief is. In de reclame-uiting wordt melding gemaakt van het feit dat gebruik is gemaakt van een simulatie. De certificering van de deskundige behoeft niet in de reclame-uiting te worden opgenomen; en

  • h.

    indien de rendementscijfers niet in euro’s luiden: wordt de gebruikte valuta vermeld.

Artikel

10

Rendementsprognoses

Wanneer in een reclame-uiting rendementsprognoses worden gepresenteerd:

  • a.

    is het bepaalde in artikel 10, onderdelen a, b, f, g en h van overeenkomstige toepassing op de berekeningswijze van de rendementscijfers;

  • b.

    wordt in de reclame-uiting vermeld dat het prognoses betreft; en

  • c.

    worden de prognoses onderbouwd en wordt het model dat daarbij wordt gebruikt door een deskundige als bedoeld in artikel 2:393, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek getoetst op de elementen die zich daartoe lenen. Het resultaat van deze toetsing wordt schriftelijk vastgelegd.

Paragraaf

5

Nadere regels ter uitvoering van artikel 41, zesde lid, artikel 46, vierde lid en artikel 47, vierde lid van het besluit, inzake informatieverstrekking

Artikel

11

Informatieverstrekking prospectus

Indien de bestaansduur van de beleggingsinstelling dat mogelijk maakt wordt in de kostenparagraaf van het prospectus inzicht verschaft in het niveau van de kosten van de beleggingsinstelling gerelateerd aan haar gemiddelde intrinsieke waarde van het voorgaande boekjaar door middel van de kostenratio overeenkomstig de regels in bijlage I onder A.

Artikel

12

Informatieverstrekking in de toelichting op de balans en de winst- en verliesrekening

Paragraaf

6

Nadere regels ter uitvoering van de artikelen 60, zesde lid en 61, vijfde lid, juncto 8, derde lid, sub i, van het besluit, inzake beleggingen van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s)

Artikel

13

Bij de berekening van het marktrisico bij het gebruik van financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9° van het besluit worden de derivatenposities van de beleggingsinstelling omgezet in de gelijkwaardige positie in de onderliggende activa waarbij onder meer met de volgende aspecten rekening wordt gehouden:

  • a.

    actuele marktwaarde van het derivatencontract;

  • b.

    het totale derivatenrisico van de beleggingsinstelling;

  • c.

    het doel, aantal en frequentie van transacties in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9° van het besluit;

  • d.

    de gehanteerde beheertechnieken;

  • e.

    in het geval van opties, de gevoeligheid van de optieprijs voor marginale veranderingen in de koers van de onderliggende activa; en

  • f.

    in het geval forwards, futures en swaps, de precieze aard van de onderliggende transacties.

Artikel

14

Artikel

16

Bij de berekening van het tegenpartijrisico kan rekening worden gehouden met zekerheden ter dekking, indien deze zekerheden:

  • a.

    dagelijks tegen marktwaarde worden gewaardeerd en de waarde van het risicobedrag overtreffen;

  • b.

    alleen aan verwaarloosbare risico’s zijn blootgesteld en liquide zijn;

  • c.

    in handen zijn van een derde (bewaarnemer) die geen banden heeft met de verstrekker of juridisch afgeschermd zijn van de gevolgen van het in gebreke blijven van een verbonden partij; en

  • d.

    op ieder tijdstip volledig te gelde kunnen worden gemaakt door de beleggingsinstelling.

Artikel

17

Er is geen sprake van een tegenpartijrisico indien:

  • a.

    de transactie in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9° van het besluit plaatsvindt op een gereglementeerde markt of een andere erkende markt;

  • b.

    de clearinginstelling op deze markt gedekt wordt door een uitvoeringsgarantie;

  • c.

    de derivatenposities dagelijks tegen marktwaarde worden gewaardeerd; en

  • d.

    de hoogte van de marginverplichtingen ten minste eenmaal per dag wordt vastgesteld.

Artikel

18

Indien het gebruik van financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9° van het besluit verplicht tot de automatische, of naar keuze van de tegenpartij, levering op de vervaldatum of uitoefendatum van de onderliggende financiële instrumenten, dan wel een ander gelijkwaardig onderliggend instrument dat op ieder tijdstip kan worden aangewend, worden de voor de levering van het te leveren onderliggende financiële instrument ter dekking in portefeuille van beleggingsinstellingen opgenomen.

Artikel

19

Bij het gebruik van financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, onder 6° tot en met 9° van het besluit die automatisch of naar keuze van de beleggingsinstelling in contanten worden afgewikkeld, worden liquide activa in de portefeuille van de beleggingsstelling opgenomen die binnen zeven werkdagen in contanten kunnen worden omgezet tegen een prijs die nauw aansluit bij de actuele waardering van het financiële instrument op zijn markt, of anderszins aan deze waarborgen wordt voldaan.

Paragraaf

7

Slotbepalingen

Artikel

21

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 september 2005.

Artikel

22

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Nadere Regeling gedragstoezicht beleggingsinstellingen 2005.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Amsterdam

Bijlage

I

Kostenratio en ‘Omloopfactor’

A. Kostenratio

De kostenratio, ofwel de Total Expense Ratio wordt afgerond op twee decimalen en wordt berekend door de totale kosten te delen door de gemiddelde intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling.

  • 1.

    De gemiddelde intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling is de som van de intrinsieke waarden gedeeld door het aantal waarnemingen. Hierbij wordt de som van de intrinsieke waarden gebaseerd op de cijfers per 31 december van het voorafgaande boekjaar, 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december van het onderhavige boekjaar of vergelijkbare data bij een afwijkend boekjaar. Het aantal waarnemingen is altijd vijf (tenzij sprake is van een verkort of verlengd boekjaar). De waarnemingen worden als gewogen gemiddelde beschouwd, waarbij de bedoelde tijdstippen worden gewogen in de verhouding 0,5:1:1:1:0,5.

  • 2.

    Onder totale kosten worden begrepen alle kosten die in de verslagperiode ten laste van het resultaat alsmede ten laste van het eigen vermogen worden gebracht. De kosten van beleggingstransacties en de interestkosten worden buiten beschouwing gelaten, evenals de kosten verband houdend met het toe- en uittreden van deelnemers, voor zover deze gedekt worden uit de ontvangen op- en afslagen.

Indien een beleggingsinstelling tien procent of meer van haar netto intrinsieke waarde belegt in beleggingsinstellingen die een kostenratio bekendmaken, wordt een synthetische kostenratio opgesteld. Deze synthetische kostenratio is gelijk aan de totale exploitatiekosten inclusief de in- en uitstapkosten die door de onderliggende beleggingsinstellingen (gewogen op basis van de relatieve omvang van de belegging) worden doorberekend aan de beleggingsinstelling gedeeld door de gemiddelde intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling.

Indien de onderliggende beleggingsinstelling geen kostenratio berekent, wordt in de jaarrekening het volgende vermeld:

  • a.

    dat het onmogelijk is een synthetische kostenratio voor de desbetreffende beleggingsinstelling op te stellen;

  • b.

    het maximale percentage van de aan de onderliggende beleggingsinstellingen aangerekende beheersvergoedingen, performance fees en overige kosten;

  • c.

    een synthetisch cijfer van de totale verwachte kosten dat wordt berekend door een gedeeltelijk synthetische kostenratio, waarin de kostenratio’s zijn opgenomen van de onderliggende beleggingsinstellingen waar wel een kostenratio van beschikbaar is, op te tellen bij de in- en uitstapvergoedingen en de maximale schatting van de voor opneming in de kostenratio op te nemen kosten van de onderliggende beleggingsinstelling waarvan geen kostenratio beschikbaar is.

Naast beleggen in onderliggende beleggingsinstellingen komt het veelvuldig voor dat bijvoorbeeld via Commodity Trading Advisors wordt belegd door de beleggingsinstelling. Ook de kosten die met dit soort indirecte beleggingen gemoeid zijn moeten worden meegenomen in de (synthetische) kostenratio van de bovenliggende beleggingsinstellingen op dezelfde wijze als dat met onderliggende beleggingsinstellingen gebeurt.

B. Omloopfactor

De Omloopfactor, ofwel Portfolio Turnover Rate geeft de omloopsnelheid van de activa weer en wordt als volgt berekend:

[(Totaal 1 – Totaal 2) / X] * 100

Totaal 1: het totaal bedrag aan effectentransacties (effectenaankopen + effectenverkopen) van de beleggingsinstelling

Totaal 2: het totaal bedrag aan transacties (uitgifte + inkopen) van deelnemingsrechten van de beleggingsinstelling

X: de gemiddelde intrinsieke waarde van de beleggingsinstelling

De berekening van de gemiddelde intrinsieke waarde geschiedt zoals bij de kostenratio is omschreven onder A 1.