Beleidsregel ontheffingverlening exceptionele transporten RDW

De Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer,

Besluit:

§

1

Algemeen

Artikel

1

Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    transportbegeleiders: landelijk werkzame verkeersregelaars als bedoeld in artikel 9a van de Regeling verkeersregelaar, nummer CDJZ/WBI/2000-368;

  • b.

    begeleidingsvoertuig: de door de transportbegeleiders gebruikte motorrijtuigen bij de uitvoering van een exceptioneel transport;

  • c.

    konvooi: een samenstel van exceptionele transporten dat als één geheel wordt begeleid door transportbegeleiders;

  • d.

    autonome beslisruimte: de actuele, door de wegbeheerder voor een weg of weggedeelte opgegeven afmetingen en massa's tot welke de RDW zonder toestemming als bedoeld in artikel 149b, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 4 van het Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten ontheffing mag verlenen onder de daarbij van toepassing zijnde beperkingen en voorschriften;

  • e.

    hulpbesturing: inrichting waarmee de besturing van een getrokken voertuig anders dan door verdraaiing van het stuurwiel van het motorrijtuig met de hand kan worden beïnvloed;

  • f.

    hulpbestuurder: degene die de hulpbesturing bij de uitvoering van een exceptioneel transport bedient;

  • g.

    TMM: Toegestane Maximum Massa van een voertuig;

  • h.

    TMMS: Toegestane Maximum Massa van een samenstel van voertuigen;

  • i.

    semi-dieplader: hoogte laadvlak in onbeladen toestand en rijpositie < 1,10 m boven wegdek;

  • j.

    dieplader: hoogte laadvlak in onbeladen toestand en rijpositie < 0,70 m boven wegdek;

  • k.

    voertuigtechnisch document: Door de RDW afgegeven schriftelijk bewijsstuk waaruit de technische geschiktheid voor de uitvoering van exceptionele transporten blijkt van het voertuig, het samenstel van voertuigen of van de voertuigconfiguraties van modulair samengestelde voertuigen. Een door het bevoegde gezag van een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap of andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Ruimte afgegeven voertuigtechnisch document dat gelijkwaardig is, wordt hieraan gelijkgesteld;

  • l.

    gedwongen besturing: besturing waarbij de stuurkrachten worden geleverd door een verandering van richting van het trekkende voertuig en waarbij de beweging van de bestuurde wielen van het getrokken voertuig is gekoppeld aan de onderlinge hoek tussen de lengteas van het trekkende en die van het getrokken voertuig (EG 70/311);

  • m.

    zelfsturende besturing: besturing waarbij de stuurkrachten geleverd worden door een verandering van richting van het trekkende voertuig en waarbij de beweging van de bestuurde wielen van het getrokken voertuig is gekoppeld aan de hoek tussen de lengteas van het aanhangwagenchassis of de last die deze vervangt en de lengteas van het onderstel waaraan de as(sen) bevestigd is (zijn) (EG 70/311);

  • n.

    autonome aanhangwagen, lijnmarkering, ondeelbare lading, oplegger, samenstel van voertuigen, trekker: hetgeen daaronder in artikel 1.1. onderdelen g2, ad2, aq, ar, az respectievelijk bb, van het Voertuigreglement wordt verstaan.

Artikel

3

Soorten en omvang van de ontheffing

§

2

Aanvragen ontheffingen

Artikel

4

Aanvraagformulier Ontheffing

Artikel

5

Wijze van indienen van de aanvraag

Indiening van aanvragen kan uitsluitend schriftelijk plaatsvinden.

Artikel

6

Intrekken van de aanvraag

Artikel

7

Beoordeling route aanvraag

Artikel

8

Beoordeling voorschrift transportbegeleiding

Artikel

9

Beperking bij transportbegeleiding

Artikel

10

Beoordeling geschiktheid voertuig

Artikel

11

Duur van de behandeling van de ontheffingsaanvraag

Artikel

12

Nadere gegevens ontheffingsaanvraag

Artikel

13

Afgifte voertuigtechnisch document

Op aanvraag kan door de RDW na een voertuigtechnisch onderzoek als bedoeld in artikel 12, tweede lid, een voertuigtechnisch document worden afgeven.

§

3

Voorschriften verbonden aan ontheffingen

Artikel

14

Voorschriften verbonden aan de ontheffing

§

4

Slotbepalingen

Artikel

16

Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ontheffingverlening exceptionele transporten RDW.

Deze beleidsregel wordt met toelichting en bijlagen in de Staatcourant bekendgemaakt.

De Algemeen Directeur van de RDW, J.G.Hakkenberg

Bijlage

A

bij artikel 12 Nadere gegevens geschiktheid voertuig of samenstel van voertuigen

Indien naar aanleiding van de aanvraag om een ontheffing door de RDW is beoordeeld dat een nader technisch onderzoek aan het voertuig moet worden uitgevoerd, vindt dit onderzoek plaats aan de hand van de eisen zoals hierna in onderdeel I en onderdeel II zijn aangegeven.

Onderdeel I

Ontheffing onbeladen voertuigen en lange transporten

Oplegger en

dieplader aanhangwagen

HKAZ1 > 12,00 m

Lengte > 12,00 m

≤ 27,00 m

Draaiproeven als bedoeld in onderdeel II van deze bijlage2

≤ 3,00 m

Langlopend

Aanhangwagens en opleggers

HKAZ1 > 12,00 m

Lengte > 12,00 m

> 27,00 m

Gedwongen dan wel zelfsturende besturing

> 3,00 m

Incidenteel

Aanhangwagens overig

≤ 3,00 m

Langlopend

Beladen transporten met ondeelbare lading, waarbij de wettelijke maximum lengte wordt overschreden

Vrachtauto + aanhangwagen1

≤ 22,00 m

Niet van toepassing

Langlopend

Trekker + oplegger en vrachtauto + dieplader aanhangwagen

≤ 27,00 m

Draaiproeven als bedoeld in onderdeel II, bijlage A

Langlopend

Alle soorten samenstellen

> 27,00 m

Gedwongen dan wel zelfsturende besturing

Incidenteel

Toelichting onderdeel I

Indien het een aanvraag voor een ontheffing betreft met voertuigen bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, waarbij in onbeladen toestand niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.18.11 van het Voertuigreglement, geldt het volgende:

  • 1.

    Trekkers en opleggers, waarbij de afstand tussen hart koppeling en achterzijde meer bedraagt dan 12,00 m en de totale lengte van het transport maximaal 27,00 m en de breedte maximaal 3,00 m bedraagt, moeten ten minste aan de draaiproefeisen als bedoeld in onderdeel II van deze bijlage voldoen.

  • 2.

    Trekkend motorrijtuigen met dieplader aanhangwagens, waarbij de totale lengte van de aanhangwagen meer bedraagt dan 12,00 m, de totale lengte van het exceptioneel transport maximaal 27,00 m bedraagt, en de breedte maximaal 3,00 m moeten ten minste voldoen aan de draaiproefeisen als bedoeld in onderdeel II van deze bijlage.

  • 3.

    Aanhangwagens zonder gedwongen besturing worden tot een totale lengte van het samenstel van voertuigen van 22,00 m geacht te voldoen aan de draaiproefeisen als bedoeld in onderdeel II van deze bijlage.

  • 4.

    Indien de lengte van een samenstel van voertuigen meer dan 27,00 m bedraagt en een breedte van meer dan 3,00 m moet het voertuig in ieder geval van een deugdelijke gedwongen dan wel zelfsturende besturing zijn voorzien.

Indien het een aanvraag voor een ontheffing betreft met voertuigen bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading waarbij in beladen toestand niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.18.11, respectievelijk 5.18.13 van het Voertuigreglement, geldt het volgende:

  • 1.

    Een samenstel van trekkend motorrijtuig met oplegger tot een totale lengte van het transport van maximaal 27,00 m, moet ten minste voldoen aan de draaiproefeisen als bedoeld in onderdeel II van deze bijlage.

  • 2.

    Een samenstel van trekkend motorrijtuig met dieplader aanhangwagens tot een totale lengte van het exceptioneel transport van maximaal 27,00 m, moet ten minste voldoen aan de draaiproefeisen als bedoeld in onderdeel II van deze bijlage.

  • 3.

    Voor alle samenstellen van voertuigen met een totale lengte van het exceptioneel transport boven de 27,00 m moet gedwongen- of zelfsturende besturing aanwezig zijn.

  • 4.

    Een samenstel van trekkend motorrijtuig met aanhangwagen wordt tot een totale lengte van het exceptioneel transport van maximaal 22,00 m geacht te voldoen aan de eisen als bedoeld in onderdeel II van deze bijlage.

Onderdeel II. Draaiproefeisen

De draaiproefeisen zijn van toepassing op samenstellen van voertuigen bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading en vallende in één van onderstaande categorieën.

1

≤ wettelijk maximum

> 22,00 m

2

> wettelijk maximum

Eisen

I

CL ≤ 17,00 m

12,50 m

≤ 7,20 m

≥ 5,30 m

≤ 0,80 m

270°

II

17,00 m< CL ≤ 20,00 m

12,50 m

≤ 7,20 m

≥ 5,30 m

≤ 1,20 m

120°

III

20,00 m< CL ≤ 23,00 m

14,50 m

≤ 8,00 m

≥ 6,50 m

≤ 1,40 m

120°

IV

23,00 m< CL ≤ 27,00 m

16,50 m

≤ 9,00 m

≥ 7,50 m

≤ 1,70 m

120°

Bijlage

B

bij artikel 14, eerste en tweede lid

Algemene voorschriften

Artikel 1. Voertuigdocumenten

De voor het voertuig of de voertuigen ten behoeve van het exceptioneel transport afgegeven en voor de ontheffing vereiste voertuigtechnische documenten moeten bij de uitvoering van het exceptioneel transport aanwezig zijn.

Artikel 2. Passagemogelijkheden

  • 1.

    Voor gebruik van de ontheffing moet de aanvrager zich vooraf overtuigen van de mogelijkheid van transport over de te berijden wegen.

  • 2.

    Indien wegmeubilair moet worden verwijderd en teruggeplaatst ten behoeve van de uitvoering van het transport, moet vroegtijdig voor het gebruik van de ontheffing contact worden opgenomen met de wegbeheerder.

Artikel 3. Buitengewone omstandigheden

  • 1.

    Van de ontheffing mag geen gebruik worden gemaakt bij gladheid van het wegdek en bij weersomstandigheden die het zicht beperken tot minder dan 200 m, en

  • 2.

    Indien zich dergelijke omstandigheden voordoen moet zo spoedig mogelijk het gebruik van de ontheffing worden beëindigd.

Artikel 4. Plaats op de rijbaan

  • 1.

    Bij de uitvoering van het exceptionele transport op dubbelbaanswegen mag uitsluitend gebruik worden gemaakt van de rechterrijstrook.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid mag op aanwijzing van de politie, transportbegeleider of verkeersregelaar bij incidentele ontheffingen worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3, eerste lid en artikel 43 RVV.

Artikel 5. Transportbegeleiding

Indien als voorschrift transportbegeleiding aan de ontheffing is verbonden, moet de transportbegeleiding worden uitgevoerd door een Erkend Particulier Begeleider met een begeleidingsvoertuig, uitgerust met hulpmiddelen en waarvan aan de buitenzijde zichtbaar is dat het wordt ingezet voor transportbegeleiding.

Artikel 6. Konvooien

  • 1.

    Indien aan de ontheffing het voorschrift transportbegeleiding is verbonden, mag het exceptionele transport tot een konvooi worden samengesteld, indien:

    • a.

      dit plaatsvindt op autosnelwegen, en

    • b.

      het konvooi uit ten hoogste twee exceptionele transporten bestaat.

  • 2.

    Indien de som van de netto lengtes van de afzonderlijke exceptionele transporten, inclusief de lading niet meer bedraagt dan 50 m wordt als voorschrift aan de ontheffing verbonden dat het konvooi door ten minste één (1) transportbegeleider moet worden begeleid.

  • 3.

    Indien de som van de netto lengtes van de afzonderlijke transporten, inclusief de lading niet meer bedraagt dan 120 m wordt als voorschrift aan de ontheffing verbonden dat het konvooi door ten minste drie transportbegeleiders moet worden begeleid.

Artikel 7. Markering

  • 1.

    Bij een exceptioneel transport met in de breedte en/of in de lengte uitstekende lading, moet deze van een markering zijn voorzien overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.6, 4.7, 4.8 en 4.9 van de Regeling permanente eisen.

  • 2.

    Bij een exceptioneel transport met een breedte van meer dan 3,00 m moet een deugdelijk geel zwaailicht aanwezig zijn.

  • 3.

    Bij een lengte van het exceptioneel transport van meer dan 27,00 m moet aan de achterzijde van het transport een geel bord zijn aangebracht, waarop in zwarte tekens goed leesbaar moet zijn vermeld: ‘LET OP’, met daarachter vermeld de totale transportlengte in meters.

  • 4.

    Bij een exceptioneel transport met een totale- of voertuiglengte groter dan 22,00 m moet een retroreflecterende lijnmarkering op de zijkant van het voertuig aanwezig zijn, waarvan:

    ten minste indien ingevolge artikel 32 en 33 van het RVV de voorgeschreven verlichting moet worden gevoerd.

Artikel 8. Hulpbesturing

Indien in het voertuig hulpbesturing aanwezig is, geldt ten aanzien van het gebruik van de hulpbesturing dat:

  • 1.

    de hulpbesturing op het getrokken voertuig uitsluitend mag worden gebruikt bij stapvoets rijden;

  • 2.

    de hulpbesturing volledig buiten gebruik moet zijn gesteld bij een snelheid groter dan 20 km/h;

  • 3.

    indien hinder of gevaar voor het overige verkeer kan ontstaan de hulpbesturing onder toezicht van een gecertificeerde transportbegeleider-verkeersregelaar moet plaatsvinden;

  • 4.

    bij een transportlengte groter dan 30,00 m er telefonisch of radiocontact tussen de bestuurder en de hulpbestuurder moet zijn;

  • 5.

    na gebruik het voertuig goed in het spoor moet lopen van het trekkende motorrijtuig.

Artikel 9. Bijplaatsen lading

Het bijplaatsen van lading is toegestaan, indien deze lading:

  • 1.

    de plaatsing van de ondeelbare lading in de meest gunstige positie niet nadelig beïnvloedt, en

  • 2.

    de afmetingen van het exceptioneel transport niet beïnvloed;

  • 3.

    bij TMM(S) ≤ wettelijk maximum door het bijplaatsen van lading de geldende wettelijke maxima ten aanzien van laadvermogen en maximum massa niet wordt overschreden;

  • 4.

    bij TMM(S) > wettelijk maximum maximaal 10% van de massa van de totale lading bestaat uit toebehoren van de ondeelbare lading.

Artikel 10. Modulaire voertuigen

Indien het een ontheffing voor modulaire voertuigen betreft geldt dat:

  • 1.

    het modulair samengestelde voertuig het kenteken van het voor het achterste asstel afgegeven kenteken moet voeren;

  • 2.

    op het modulair samengestelde voertuig met opgegeven voertuigtechnisch document de bepalingen van afdeling 12 en 18 van hoofdstuk 5 Voertuigreglement van overeenkomstige toepassing zijn.

Artikel 11. Dollycombinatie

  • 1.

    Indien de uitvoering van het exceptioneel transport plaatsvindt met een dollycombinatie, waarbij een deel van de in lengte ondeelbare lading wordt gedragen door de dolly en de koppeling tussen het trekkende motorrijtuig dan wel de voertuigcombinatie en de dolly wordt gevormd door de lading, geldt het volgende:

    • a.

      De bevestiging van de lading is zodanig dat alle rij- en remkrachten in alle richtingen kunnen worden opgevangen Het uit elkaar geraken van de voertuigcombinatie wordt voorkomen en er bestaat geen gevaar dat de lading van het voertuig valt.

    • b.

      Tussen voertuigen die door de lading met elkaar zijn verbonden moet een extra verbinding aanwezig zijn die een kracht kan opnemen van ten minste 0,6 x de beladen massa van de dolly.

    • c.

      De dolly loopt goed in het spoor van het trekkende motorrijtuig.

  • 2.

    Bij dollycombinaties geldt, onverminderd het bepaalde in artikel 7 van deze bijlage, dat het gedeelte tussen de beide schamels voorzien is van markeringsbanden, die:

    • a.

      voorzien zijn van naar buiten gerichte zijmarkering afwisselend in de kleuren rood/ambergeel of rood/wit over lengtes van telkens 0,25 m respectievelijk 0,20 m, en

    • b.

      de bevestiging zodanig is dat geen gevaar ontstaat voor overige weggebruikers, en

    • c.

      zoveel mogelijk de zijdelingse begrenzing van het samenstel van voertuigen aangeeft.

Artikel 12. afmetingen voertuig in onbeladen toestand

Het voertuig of samenstel van voertuigen moet bij gebruik in onbeladen toestand altijd tot de kleinst mogelijke afmetingen zijn teruggebracht.

Artikel 13. Vervangend voertuig of samenstel van voertuigen

Indien een ander, vervangend, voertuig of samenstel van voertuigen dan in de ontheffing is vermeld bij de uitvoering van het exceptioneel transport wordt gebruikt, geldt onverminderd het bepaalde in artikel 1 van deze bijlage, het volgende:

  • 1.

    Het kentekenbewijs van het vervangende voertuig is tenaamgesteld op de transporteur aan wie de ontheffing is verleend.

  • 2.

    Het aantal voertuigen of samenstellen van voertuigen zoals vermeld in de ontheffing wordt niet overschreden.

  • 3.

    De voor de vervangende voertuigen afgegeven voertuigtechnische documenten moeten in het voertuig aanwezig zijn indien:

    • a.

      TMM of TMMS meer bedraagt dan het geldende wettelijke maximum voor het in de ontheffing opgenomen voertuig of samenstel van voertuigen, of

    • b.

      de lengte van het exceptionele transport meer dan 22,00 m bedraagt, of

    • c.

      de aslasten hoger zijn dan het maximum volgens het Voertuigreglement.