Vergoeding van kosten van deskundige bijstand bij minnelijke grondverwerving door Rijkswaterstaat ter voorkoming van gerechtelijke onteigening

Besluit Vergoeding van kosten deskundige bijstand bij minnelijke grondverwerving door Rijkswaterstaat ter voorkoming van gerechtelijke onteigening

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Gelet op het feit dat het bij de verwerving van onroerende zaken en beëindiging van een aantal rechten door de Staat (Rijkswaterstaat) ter voorkoming van gerechtelijke onteigening veelal redelijk is de wederpartij een vergoeding te verlenen voor de daartoe in redelijkheid gemaakte kosten van deskundige bijstand;

Besluit:

Artikel

1

Bij minnelijke grondverwerving en beëindiging van rechten als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Onteigeningswet door Rijkswaterstaat ter voorkoming van gerechtelijke onteigening geldt per 1 januari 2006 als vergoeding voor de kosten van deskundige bijstand het volgende tarief:

tot € 60.000,–

2% met een minimum van € 1.000,–

van € 60.000,– tot € 125.000,–

1,85% met een minimum van € 1.200,–

van € 125.000,– tot € 450.000,–

€ 2.313,– + 1,65% over het meerdere boven € 125.000,–

van € 450.000,– en hoger

€ 7.676,– + 1,50% over het meerdere boven € 450.000,–, met dien verstande dat de totale vergoeding nooit meer bedraagt dan € 13.750,–.

Deze tarieven zijn exclusief BTW.

Artikel

2

De kosten van deskundige bijstand worden uitsluitend vergoed indien zodanige bijstand ook daadwerkelijk is verleend.

Artikel

3

Bij gegronde redenen kan van het sub 1 vermelde tarief naar boven of naar beneden worden afgeweken.

Artikel

4

Indien een vergoeding wordt verzocht die afwijkt van het tarief, wordt het verzoek verantwoord. Die verantwoording bevat ten minste de data, de tijdsbesteding, de aard der verrichtingen en het uurtarief met betrekking tot de bestede verrichtingen.

Artikel

5

Op de vergoeding is de dubbele redelijkheidstoets van toepassing. Dat betekent dat bezien wordt of het inroepen van de deskundige bijstand redelijk was en welke vergoeding daarvoor redelijk is.

Artikel

6

De Minister laat zich over de vergoeding adviseren door de taxatiecommissie.

Artikel

7

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2006.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,
namens deze:
de directeurCorporate Dienst Rijkswaterstaat,
namens deze:
het hoofd van de Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed, J.J.Dessing