Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 december 2005, nr. DGM/BWL/2005208826, Directie Bodem, Water, Landelijk Gebied houdende uitwerking van de uniforme beginselen gewasbeschermingsmiddelen (Regeling uitwerking uniforme beginselen gewasbeschermingsmiddelen)

Regeling uitwerking uniforme beginselen gewasbeschermingsmiddelen

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 236), richtlijn nr. 94/43 van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 tot vaststelling van Bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 227) alsmede artikel 3 van het Besluit uniforme beginselen gewasbeschermingsmiddelen;

Besluit:

§

1

Algemeen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    DT50: tijd die nodig is voor de verdwijning van 50% van een hoeveelheid werkzame stof uit een compartiment;

  • b.

    GeoPEARL: model voor de beoordeling van uitspoeling, zoals beschreven in RIVM-rapport 716601008/2004 (A. Tiktak et al.);

  • c.

    INS : (Inter)nationale Normstelling Stoffen;

  • d.

    MTR: milieukwaliteitsnorm voor een stof die aangeeft bij welke concentratie geen onaanvaardbaar effect op het milieu verwacht wordt (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau);

  • e.

    college: College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen;

  • f.

    verzadigde zone: deel van de grond waarin de poriën geheel gevuld zijn met water, inclusief de capillaire zone;

  • g.

    richtlijn 91/414/EEG: richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 236), zoals deze is gewijzigd bij richtlijn nr. 94/43 van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 tot vaststelling van Bijlage VI bij Richtlijn 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 227).

§

2

Uitwerking milieucriteria

Artikel

2

Persistentie in de bodem

Van niet aanvaardbare invloed op niet-doelsoorten als bedoeld in punt 2.5.1.1, onderdeel C, van Bijlage VI bij richtlijn 91/414/EEG is sprake als een werkzame stof of een van zijn relevante reactie- of afbraakproducten uit een gewasbeschermingsmiddel een DT50 groter dan 90 dagen heeft en de concentratie van die werkzame stof, dan wel relevante reactie- of afbraakproduct in de bodem van het perceel twee jaar na de laatste toepassing van het gewasbeschermingsmiddel hoger is dan het MTR voor de bodem, vastgesteld door het college conform de methode INS.

Artikel

3

Uitspoeling naar grondwater

Artikel

4

Risico voor waterorganismen

Van onaanvaardbare effecten als bedoeld in punt 2.5.2.2, onderdeel C, van Bijlage VI bij richtlijn 91/414/EEG is sprake als het MTR, vastgesteld door het college conform de methode INS, wordt overschreden.

§

3

Slotbepalingen

Artikel

6

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit tot wijziging van het Besluit uniforme beginselen gewasbeschermingsmiddelen en intrekking van het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Stb. 413) in werking treedt.

Artikel

7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitwerking uniforme beginselen gewasbeschermingsmiddelen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. vanGeel