Artikel
1
In deze regeling wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht.
Hebben goedgevonden en verstaan:
In deze regeling wordt verstaan onder wet: Wet op het financieel toezicht.
De toezichthouder brengt eenmalig een bedrag in rekening aan een aanvrager of een verzoeker ter vergoeding van kosten van de behandeling van een aanvraag of verzoek om verlening of wijziging van:
een vergunning als bedoeld in artikel 2:4, eerste lid, 2:6, eerste lid, 2:11, eerste lid, 2:16, eerste lid, 2:20, eerste lid, 2:27, eerste lid, 2:36, eerste lid, 2:40, 2:48, eerste lid, 2:50, eerste lid, 2:55, eerste lid, 2:60, eerste lid, 2:65, eerste en tweede lid, 2:75, eerste lid, 2:80, eerste lid, 2:86, eerste lid, 2:92, eerste lid, of 2:96 van de wet;
een ontheffing als bedoeld in artikel 2:23, tweede lid, 2:55, tweede lid, 2:60, tweede lid, 2:75, tweede lid, 2:80, tweede of derde lid, 2:86, tweede lid, 2:92, tweede lid, 3:2, derde lid, 3:5, vierde lid, of 3:7, vierde lid, 5:27, tweede lid, en 5:71, zesde en zevende lid, van de wet;
een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 3:95, 3:96, of 5:32, eerste lid, van de wet;
een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110, eerste lid, van de wet;
een goedkeuring als bedoeld in artikel 5:2 van de wet;
een goedkeuring als bedoeld in artikel 5:23, eerste lid, van de wet;
een erkenning als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet.
Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vermeerderd met een bedrag ter vergoeding van kosten van een toetsing van de deskundigheid of betrouwbaarheid van een beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, houder van een gekwalificeerde deelneming, of persoon als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, tweede volzin, van de wet, voor zover deze kosten niet reeds op basis van het eerste lid in rekening worden gebracht.
De toezichthouder brengt eenmalig een bedrag in rekening aan een aanvrager of een verzoeker ter vergoeding van kosten van een toetsing van de deskundigheid of betrouwbaarheid van een beleidsbepaler, medebeleidsbepaler, houder van een gekwalificeerde deelneming, of persoon als bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, tweede volzin, van de wet, welke toetsing wordt verricht naar aanleiding van een melding van een ingevolge artikel 3:29 of 4:26 van de wet voorgeschreven kennisgeving, onderscheidenlijk melding.
De toezichthouder brengt eenmalig een bedrag in rekening aan een aanvrager of een verzoeker ter vergoeding van kosten van een inschrijving in het register als bedoeld in artikel 1:107, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, 3°, 8°, 9°, of onderdeel b, van de wet.
De Autoriteit Financiële Markten brengt eenmalig een bedrag in rekening aan een bieder als bedoeld in artikel 5:70, onderdeel b, van de wet:
na het toezenden van een biedingsbericht als bedoeld in artikel 5:71, tweede lid, van de wet;
na het uitbrengen van een openbaar bod als bedoeld in artikel 5:71, derde lid, van de wet;
na het gestand doen van een openbaar bod als bedoeld in artikel 5:71, derde lid, van de wet;
voor het verlenen van een ontheffing bedoeld in 5:71, zesde of zevende lid, van de wet.
Autoriteit Financiële Markten brengt eenmalig een bedrag in rekening aan een aanvrager of verzoeker ter vergoeding van de kosten van de behandeling van een aanvraag of verzoek om verlening, uitbreiding of wijziging voor een aanmelding van een verbonden bemiddelaar als bedoeld in artikel 2:81, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
De toezichthouder kan aan de betrokken financiële onderneming een bedrag in rekening brengen ter vergoeding van de kosten die hij maakt voor de toepassing van artikel 1:76, eerste lid, van de wet.
De toezichthouder brengt jaarlijks een bedrag in rekening aan financiële ondernemingen terzake van kosten als bedoeld in artikel 1:40 van de wet, voor zover de desbetreffende kosten niet reeds op grond van de artikelen 2 tot en met 4 in rekening worden gebracht.
De kosten, bedoeld in artikel 5, worden op basis van de begroting waarmee is ingestemd door Onze Minister, geraamd voor het jaar waarop het in rekening te brengen bedrag betrekking heeft.
De geraamde kosten worden toegerekend aan categorieën van financiële ondernemingen naar de mate van hun beslag op de werkzaamheden, bedoeld in artikel 1:40 van de wet.
De per categorie toegerekende geraamde kosten worden verminderd of vermeerderd met het aan de desbetreffende categorie toe te rekenen exploitatiesaldo bedoeld in artikel 1:40, derde lid, van de wet, en verminderd met de aan de desbetreffende categorie toe te rekenen opbrengsten uit bestuurlijke boetes en verbeurde dwangsommen bedoeld in artikel 1:40, vierde lid, van de wet die niet reeds zijn opgenomen in het exploitatiesaldo.
De in artikel 6, tweede lid, bedoelde categorieën van financiële ondernemingen zijn, voor zover het door de Nederlandsche Bank in rekening te brengen kosten betreft:
clearinginstellingen;
kredietinstellingen, verdeeld in:
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:11 van de wet, die het bedrijf van bank uitoefenen;
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:11 van de wet, die het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefenen;
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:16 van de wet, die het bedrijf van bank uitoefenen;
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:16 van de wet, die het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefenen;
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:20 van de wet, die het bedrijf van bank uitoefenen;
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:20 van de wet, die het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefenen;
financiële instellingen, verdeeld in:
financiële instellingen die beschikken over een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110, eerste lid, van de wet;
financiële instellingen die ingevolge artikel 2:25 van de wet in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen;
financiële instellingen die ingevolge artikel 2:26 van de wet in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen;
zorgverzekeraars, als bedoeld in artikel 1, onderdeel b van de Zorgverzekeringswet waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 3:36 van de wet;
verzekeraars, niet zijnde zorgverzekeraars als bedoeld in onderdeel d;
beheerders, verdeeld in:
beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 2:65, eerste lid, onderdeel a, van de wet, niet zijnde beheerders als bedoeld onder 2º;
beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 2:65, tweede lid, van de wet;
beheerders waaraan een ontheffing is verleend;
beheerders als bedoeld in artikel 2:71 van de wet, die met inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van deelneming;
beheerders als bedoeld in artikel 2:72 van de wet, die met inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van deelneming;
beheerders als bedoeld in artikel 2:73 van de wet, die met inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van deelneming;
beleggingsmaatschappijen zonder aparte beheerder;
beleggingsondernemingen, verdeeld in:
beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland beleggingsdiensten verlenen;
beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland beleggingsdiensten verlenen;
niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen die uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland beleggingsdiensten verlenen;
niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen die niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland beleggingsdiensten verlenen;
beleggingsondernemingen waarop een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 2:104, eerste lid, van de wet.
De in artikel 6, tweede lid, bedoelde categorieën van financiële ondernemingen zijn, voor zover het door de Autoriteit Financiële Markten in rekening te brengen kosten betreft:
clearinginstellingen;
kredietinstellingen, verdeeld in:
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:11 van de wet, die het bedrijf van bank uitoefenen;
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:11 van de wet, die het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefenen;
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:16 van de wet, die het bedrijf van bank uitoefenen;
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:16 van de wet, die het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefenen;
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:20 van de wet, die het bedrijf van bank uitoefenen;
kredietinstellingen waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:20 van de wet, die het bedrijf van elektronischgeldinstelling uitoefenen;
financiële instellingen, verdeeld in:
financiële instellingen die beschikken over een verklaring van ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 3:110, eerste lid, van de wet;
financiële instellingen die ingevolge artikel 2:25 van de wet in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen;
financiële instellingen die ingevolge artikel 2:26 van de wet in Nederland hun bedrijf mogen uitoefenen;
verzekeraars, verdeeld in:
schadeverzekeraars waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:47 van de wet die uitsluitend grote risico’s verzekeren;
andere schadeverzekeraars dan bedoeld onder 1° die uitsluitend grote risico’s verzekeren;
schadeverzekeraars waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:47 van de wet die niet uitsluitend grote risico’s verzekeren;
andere schadeverzekeraars dan bedoeld onder 1° die niet uitsluitend grote risico’s verzekeren;
levensverzekeraars waaraan een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, of artikel 2:47 van de wet;
andere levensverzekeraars dan bedoeld onder 5°;
natura-uitvaartverzekeraars;
onderlinge waarborgmaatschappijen als bedoeld in artikel 1:10 van de wet;
beheerders, verdeeld in:
beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 2:65, eerste lid, onderdeel a, van de wet, niet zijnde beheerders als bedoeld onder 2;
beheerders die rechten van deelneming aanbieden in een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 2:65, tweede lid, van de wet;
beheerders waaraan een ontheffing is verleend;
beheerders als bedoeld in artikel 2:71 van de wet, die met inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van deelneming;
beheerders als bedoeld in artikel 2:72 van de wet, die met inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van deelneming;
beheerders als bedoeld in artikel 2:73 van de wet, die met inachtneming van dat artikel zijn overgegaan tot verhandeling van rechten van deelneming;
beleggingsinstellingen zonder aparte beheerder;
beleggingsondernemingen, verdeeld in:
beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland beleggingsdiensten verrichten;
in beleggingsondernemingen met zetel in Nederland die niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland beleggingsdiensten verrichten;
niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen die uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland beleggingsdiensten verrichten;
niet in Nederland gevestigde beleggingsondernemingen die niet of niet uitsluitend voor eigen rekening in of vanuit Nederland beleggingsdiensten verrichten;
financiële ondernemingen die ingevolge artikel 2:97 van de wet beleggingsdiensten mogen verlenen;
financiële ondernemingen die ingevolge artikel 2:98 van de wet beleggingsdiensten mogen verlenen;
beleggingsondernemingen die ingevolge artikel 2:101 van de wet beleggingsdiensten mogen verlenen;
beleggingsondernemingen die ingevolge artikel 2:102 van de wet beleggingsdiensten mogen verlenen;
beleggingsondernemingen waarop een vrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 2:104, eerste lid, van de wet;
houders van een markt in financiële instrumenten, verdeeld in:
houders van een markt in financiële instrumenten waaraan een erkenning is verleend als bedoeld in artikel 5:26, eerste lid, van de wet;
houders van een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 5:26, vierde lid, van de wet;
houders van een gereglementeerde markt waaraan ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 5:27, tweede lid, van de wet;
uitgevende instellingen, verdeeld in:
uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:24 van de wet;
uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:33, eerste lid, onder a, van de wet;
uitgevende instellingen als bedoeld in artikel 5:59 van de wet;
pensioenfondsen;
natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in artikel 1:15, tweede lid, van de wet;
aanbieders van een financieel product, verdeeld in:
aanbieders van krediet;
aanbieders van betaal- en spaarfaciliteiten;
aanbieders van elektronisch geld;
aanbieders van levensverzekeringen;
aanbieders van schade- of natura-uitvaartverzekeringen;
aanbieders van beleggingsobjecten;
adviseurs en bemiddelaars in een financieel product, daaronder begrepen herverzekeringsbemiddelaars, ondergevolmachtigde agenten en gevolmachtigde agenten.
Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks voor 15 januari de hoogte van de eenmalig in rekening te brengen bedragen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, vastgesteld.
De hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 4, wordt per geval vastgesteld door de toezichthouder.
Ter bepaling van de hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 5, wordt bij ministeriële regeling jaarlijks voor 15 juli op voorstel van de toezichthouder per categorie een tarief vastgesteld. Onze Minister kan daarbij maatstaven hanteren en bandbreedtes bepalen en per bandbreedte een tarief vaststellen.
De toezichthouder baseert zijn voorstel voor het in het eerste lid bedoelde tarief op de kosten die aan de desbetreffende categorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 6, en, in voorkomend geval, op de maatstafgegevens die betrekking hebben op het voorafgaande jaar, dan wel, indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, het daaraan voorafgaande jaar of het lopende jaar.
Voor de categorieën van financiële ondernemingen waarvoor de hoogte van het tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt gerelateerd aan maatstafgegevens, bestaat de hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 5, uit een jaarlijks voor 15 juli bij ministeriële regeling, op voorstel van de toezichthouder, per categorie vast te stellen minimumbedrag ter dekking van de minimale toezichtkosten per financiële instelling in de desbetreffende categorie, vermeerderd met een bedrag dat:
wordt gebaseerd op de kosten die per categorie zijn toegerekend op de wijze, bedoeld in artikel 6, onder aftrek van het totaal van de aan de desbetreffende categorie in rekening te brengen minimumbedragen, en
is doorberekend naar rato van de maatstafgegevens die betrekking hebben op het voorafgaande jaar dan wel, indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, het daaraan voorafgaande jaar of het lopende jaar.
Ten aanzien van financiële ondernemingen die participeren in een stelsel van zelftoezicht, worden de bedragen, bedoeld in de artikelen 9 en 11, derde lid, en de tarieven, bedoeld in artikel 11, eerste lid, op voorstel van de toezichthouder verlaagd vastgesteld, voor zover deze bedragen of tarieven betrekking hebben op de toerekening van kosten van werkzaamheden die de toezichthouder verricht in verband met de uitvoering van zijn taak op grond de van artikelen 2:55, 2:60, 2:75, 2:80, 2:86, 2:92 en 2:96 van de wet.
Als een stelsel van zelftoezicht als bedoeld in het eerste lid wordt aangemerkt een organisatorisch verband van marktpartijen dat zich ten doel stelt een doeltreffende bijdrage te leveren aan de uitvoering door de toezichthouder van het toezicht op de naleving van de wet en waarmee de toezichthouder een convenant heeft gesloten dat waarborgen biedt voor een adequaat zelftoezicht.
Het bedrag, bepaald op basis van artikel 11, wordt voor een financiële onderneming die niet eerder dan 1 februari van het lopende jaar onder een categorie valt, in rekening gebracht naar evenredigheid van het aantal maanden in het jaar dat de financiële onderneming onder de categorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.
Aan een financiële onderneming die niet langer onder een categorie valt, wordt het bedrag terugbetaald naar evenredigheid van het aantal maanden van het jaar dat de financiële onderneming niet langer onder de categorie valt, waarbij een gedeelte van een maand geldt als volledige maand.
Indien een financiële onderneming valt onder twee of meer categorieën, brengt de toezichthouder aan die financiële onderneming voor elk van de categorieën een bedrag als bedoeld in artikel 5 in rekening.
Een financiële onderneming waaraan het bedrag, bedoeld in artikel 5, in rekening wordt gebracht op grond van een maatstaf als bedoeld in artikel 11, verstrekt binnen een door de toezichthouder te stellen redelijke termijn een opgave van haar maatstafgegevens.
De toezichthouder bepaalt de wijze en het tijdstip van betaling van de bedragen, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4 en 5.
Indien een financiële onderneming het vermogen heeft verkregen van een financiële onderneming die in het lopende jaar of in het voorafgaande jaar heeft opgehouden onder een categorie als bedoeld in artikel 6, tweede lid, te vallen, wordt het bedrag ter vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, die door de toezichthouder ten aanzien van laatstbedoelde financiële onderneming zijn gemaakt, in rekening gebracht bij de verkrijgende financiële onderneming, voor zover deze kosten niet reeds bij de laatstbedoelde financiële onderneming in rekening zijn gebracht.
De toezichthouder kan artikel 2 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van een reële en rechtvaardige kostendoorberekening, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bekostiging financieel toezicht.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.