Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 3 november 2006, nr. DJB/APJB-2716140, houdende een tijdelijke regeling betreffende de toekenning van projectsubsidies ten behoeve van een landelijke ondersteuningsstructuur voor lokale vrijwilligers op het terrein van de jeugd 2007–2008

Tijdelijke regeling vrijwillige inzet voor en door jeugd 2007–2008

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Minister: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

  • b.

    projectsubsidie: subsidie met een incidenteel karakter in de lasten van de activiteiten opgenomen in het projectplan, bedoeld in artikel 9, tweede lid.

  • c.

    landelijke vrijwilligersorganisatie: een organisatie die een landelijk werkterrein heeft, op landelijk niveau is georganiseerd en die werkzaam is voor, door of met jeugd en voor dat doel op lokaal niveau toegang heeft tot een netwerk van vrijwilligers;

  • d.

    vrijwilligersproject: een samenhangend geheel van activiteiten gericht op een systematische en duurzame versterking van het vrijwilligerswerk.

Artikel

3

Subsidie wordt slechts verstrekt indien:

  • a.

    naar het oordeel van de Minister mag worden verwacht dat de met de subsidiëring beoogde doeleinden zullen worden bereikt;

  • b.

    de aanvrager naar het oordeel van de Minister de behoefte aan subsidie heeft aangetoond;

  • c.

    de aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat de financiële middelen met inbegrip van subsidie voldoende zullen zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren.

Hoofdstuk

2

Inhoudelijke bepalingen

Artikel

4

Artikel

5

Om in aanmerking te komen voor een projectsubsidie voldoet een vrijwilligersproject ten minste aan de volgende criteria:

  • a.

    het is gericht op een aantoonbare behoefte van vrijwilligers om optimaal te functioneren of te gaan functioneren binnen een vrijwilligersorganisatie;

  • b.

    het is overdraagbaar zodat het project gezien de aanpak en de uitvoering ook door een andere organisatie en/of in andere gemeenten zou kunnen worden uitgevoerd;

  • c.

    het voorziet in duurzame versterking van het vrijwilligerswerk.

Artikel

6

Bij de verdeling van het beschikbare bedrag geeft de Minister die aanvragen voorrang waarvan de inwilliging in vergelijking met andere aanvragen naar verwachting van meer belang is voor het met deze regeling na te streven beleid. Daarbij wordt gelet op de mate waarin voldaan wordt aan de criteria bedoeld in artikel 5 en daarnaast op:

  • a.

    de mate waarin jongeren met een (risico op) achterstand op sociaal-cultureel of op sociaal-economisch gebied deelnemen aan het project;

  • b.

    de mate waarin sprake is van samenwerking met andere organisaties;

  • c.

    de mate waarin sprake is van innovatie;

  • d.

    de toename van het aantal jeugdige vrijwilligers;

  • e.

    de mate waarin sprake is van ondersteuning van het vrijwillig kader;

  • f.

    de verhouding tussen de lasten en de kwaliteit van het project.

Hoofdstuk

3

Berekeningswijze en subsidieplafond

Artikel

7

Artikel

8

Het subsidieplafond voor projectsubsidies ingevolge deze regeling bedraagt € 4.700.000. Dit bedrag wordt in beginsel gelijkelijk verdeeld over beide in artikel 4 onderscheiden vrijwilligersprojecten.

Hoofdstuk

4

De aanvraag

Artikel

9

Hoofdstuk

5

Subsidieverlening en bevoorschotting

Artikel

10

De Minister geeft een beschikking op een aanvraag uiterlijk 1 april 2007.

Artikel

11

Hoofdstuk

6

Verplichtingen subsidieontvanger

Artikel

12

De ontvanger van een projectsubsidie neemt deel aan het kennisnetwerk ‘Vrijwilligerswerk voor en door jeugd’ ten behoeve van: kennisontwikkeling en uitwisseling van ervaringen met vrijwilligerswerk voor en door jeugd; kwaliteitsbewaking en -verbetering van vrijwilligerswerk voor en door jeugd; ontwikkeling van overdraagbare methoden voor vrijwilligerswerk voor en door jeugd.

Artikel

13

De ontvanger van een projectsubsidie zorgt ervoor dat:

  • a.

    de doeleinden, gesteld in het projectplan op doelmatige wijze worden nagestreefd en

  • b.

    de werkzaamheden op een zodanige manier worden geregeld dat een goed beleid en beheer worden gevoerd.

Artikel

14

De ontvanger van een projectsubsidie zorgt er voor dat:

  • a.

    de administratie op overzichtelijke en doelmatige wijze wordt gevoerd en

  • b.

    dat te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde baten en lasten kunnen worden nagegaan.

Artikel

15

De ontvanger van een projectsubsidie doet zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan de Minister van omstandigheden die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Daarbij worden de relevante stukken overgelegd.

Artikel

16

De ontvanger van een projectsubsidie stelt na afloop van de periode waarvoor subsidie is verleend een projectverslag vast dat inzicht geeft in de aard, duur en omvang van de in het kader van de subsidiëring verrichte activiteiten. In het projectverslag worden de verrichte activiteiten met de in projectplan voorgenomen activiteiten vergeleken.

Artikel

17

Artikel

18

De ontvanger van een projectsubsidie die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.

Artikel

19

De ontvanger van een projectsubsidie werkt mee aan door of namens de Minister ingestelde onderzoekingen die erop zijn gericht de Minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid.

Artikel

20

De Minister kan bij de verlening van een projectsubsidie verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

Hoofdstuk

7

De subsidievaststelling

Artikel

21

Artikel

22

De subsidiedeclaratie geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de aanwending en de besteding van de subsidie door de subsidieontvanger en geeft de nodige informatie om de subsidie vast te stellen. De subsidiedeclaratie sluit aan op de indeling van de bij de subsidieaanvraag ingediende begroting. Belangrijke verschillen tussen declaratie en begroting worden toegelicht.

Artikel

23

Hoofdstuk

8

Slotbepalingen

Artikel

24

Binnen vier maanden na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in artikel 21, geeft de Minister een beschikking tot vaststelling.

Artikel

25

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2010.

Artikel

26

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling vrijwillige inzet voor en door jeugd 2007–2008.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,C.I.J.M.Ross-van Dorp

Bijlage

2

Bijlage

3