Artikel
1
In deze verordening wordt verstaan onder:
|
a. onderneming: |
1° |
slachterij, uitsnijderij of voorverpakker met een erkende inrichting als bedoeld in artikel 10 van Richtlijn 64/433/EEG van de Raad d.d. 26 juni 1964 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (Pb EG L121); |
|
2° |
inleenbedrijf, als bedoeld in artikel 1 b, tweede lid, van de CAO Vleessector, dat diensten levert ten behoeve van de onder 1 bedoelde ondernemingen op het terrein van be- of verwerking van vlees; |
|
|
b. ondernemer: |
een natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming in stand houdt; |
|
|
c. werknemer: |
1° |
een ieder die werkzaam is in een onderneming als bedoeld in sub a onder 1°, waaronder begrepen |
|
– een ieder die een arbeidsovereenkomst in de zin van het Burgerlijk Wetboek is aangegaan met de ondernemer die de onderneming in stand houdt; |
||
|
– alsmede diegene die als zelfstandige zonder personeel of als uitzendkracht werkzaam is in de onderneming; |
||
|
2° |
een ieder die als inleenkracht werkzaamheden verricht in een onderneming als bedoeld onder 1 sub a onder 1° en een arbeidsovereenkomst in de zin van het Burgerlijk Wetboek is aangegaan met een ondernemer die een inleenbedrijf in stand houdt; |
|
|
d. f.t.e.: |
fulltime-equivalent van de werknemer waarbij de fulltime- equivalent gemiddeld 36 uur per week bedraagt; |
|
|
e. fonds sociale aangelegenheden vleesindustrie: |
het fonds als bedoeld in artikel 2 van de Verordening fonds sociale aangelegenheden vleesindustrie (PVV) 2003. |