Regeling van 12 december 2006, nr. HDJZ/SCH/2006-1945, Hoofddirectie Juridische Zaken, houdende nadere regels ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Regeling voorkoming verontreiniging door schepen)

Regeling voorkoming verontreiniging door schepen

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Inleidende bepalingen

Artikel

1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    besluit: Besluit voorkoming verontreiniging door schepen;

  • b.

    richtlijn 2013/53/EU: richtlijn nr. 2013/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende pleziervaartuigen en waterscooters en tot intrekking van richtlijn nr. 94/25/EG;

  • c.

    richtlijn 96/98/EG: richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46);

  • d.

    richtlijn 2016/802/EU: richtlijn nr. 2016/802/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende een vermindering van het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen;

  • e.

    richtlijn 2005/35/EG: richtlijn nr. 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en invoering van sancties voor inbreuken (PbEU L 255);

  • f.

    verordening (EU) 530/2012: verordening (EU) nr. 530/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 betreffende het versneld invoeren van de vereisten inzake een dubbelwandige uitvoering of een gelijkwaardig ontwerp voor enkelwandige olietankschepen (PbEU L 172);

  • g.

    verordening (EG) 782/2003: verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PbEU L 115);

  • h.

    emissiereductiemethode: technische methode als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 1999/32/EG;

  • i.

    gebied voor emissiebeheersing voor SOx en fijnstof: gebied als bedoeld in voorschrift 14 van Bijlage VI van het Verdrag, waar bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen gelden teneinde lucht verontreiniging door SOx en fijnstof en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen;

  • j.

    schip op zijn ligplaats: schip op zijn ligplaats als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 1999/32/EG;

  • k.

    IMDG-Code: de bij resolutie MSC.122(75) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale Code voor gevaarlijke stoffen (International Maritime Dangerous Goods Code);

  • l.

    resolutie A.495(XII): resolutie A.495(XII) van de Algemene Vergadering van de IMO, houdende herziene Specificaties voor olietankschepen met aangewezen schone-ballasttanks;

  • m.

    resolutie A.446(XI): resolutie A.446(XI) van de Algemene Vergadering van de IMO, zoals gewijzigd door resolutie A.497(XII) en verder gewijzigd door resolutie A.897(21), houdende Specificaties voor het ontwerp, de werkwijze en de regeling van ruwe-oliewassystemen;

  • n.

    resolutie A.1122(30): resolutie A.1122(30) van de Algemene Vergadering van de IMO, houdende de Code voor het vervoer en de behandeling van gevaarlijke en schadelijke vloeistoffen in bulk door offshore ondersteuningsschepen (OSV Chemical Code);

  • o.

    Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

  • p.

    Caribisch-Nederlands schip: een schip dat op grond van de Vaartuigenwet 1930 BES is geregistreerd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

  • q.

    richtlijn 2014/90/EU: richtlijn nr. 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van richtlijn 96/98/EG van de Raad (PbEU L 257);

  • r.

    verordening (EU) 2015/757: verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG;

  • s.

    verordening (EU) 1257/2013: Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad, van 20 november 2013, inzake scheepsrecycling en tot wijziging van verordening (EG) nr. 1013/ 2006 en van Richtlijn 2009/16/EG;

  • t.

    uitvoeringsverordening scheepsuitrusting: uitvoeringshandeling van de Europese Commissie betreffende de vereisten met betrekking tot het ontwerp, de constructie en de prestaties van en de beproevingsnormen voor de scheepsuitrusting, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van richtlijn 2014/90/EU.

Artikel

1a*

Toepassing op Caribisch-Nederlandse schepen

De artikelen 2, 5a tot en met 5g, 11, 12a, 12b, 13, 14a, 14b en 15a tot en met 15e zijn tevens van toepassing op Caribisch-Nederlandse schepen, met dien verstande dat:

  • a.

    voor het aanmerken van de dag waarop een met de kiellegging vergelijkbaar stadium is bereikt als bedoeld in artikel 2, slechts de op grond van deze regeling toepasselijke code en resoluties in acht worden genomen;

  • b.

    bij het toestaan van afwijking als bedoeld in artikel 5g slechts de op grond van deze regeling toepasselijke code en resoluties in acht worden genomen.

Artikel

1a

Aanwijzing richtlijn monitoring- en informatiesysteem zeescheepvaart

Vervallen

Artikel

2

Bouwdatum van een schip

Als bouwdatum van een schip wordt aangemerkt de dag waarop de kiel van het schip is gelegd, dan wel de dag waarop met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke code, resoluties, richtlijnen of verordeningen is bepaald, een met de kiellegging vergelijkbaar stadium is bereikt. Artikel 4, tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk

2

Eisen aan schepen

§

1

Eisen aan schepen

Artikel

3

Eisen op grond van verordening (EU) 530/2012

Een olietankschip van 150 GT of meer voldoet in aanvulling op de ingevolge artikel 5, eerste lid, van het besluit toepasselijke eisen van Bijlage I van het Verdrag mede aan de eisen van verordening (EU) 530/2012.

Artikel

5

Alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies

De Wet pleziervaartuigen in samenhang met de in bijlage I van richtlijn 2013/53/EU opgenomen essentiële eisen voor de uitlaatemissies van voortstuwingsmotoren met betrekking tot stikstofoxiden wordt voor de toepassing van artikel 5, vijfde en zesde lid, van het besluit, beschouwd als een alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies als bedoeld in voorschrift 13.1.b.ii van Bijlage VI van het Verdrag.

Artikel

5a

Eisen aan schepen van minder dan 400 GT in verband met Bijlage I bij het Verdrag

De volgende schepen zijn uitgerust met voorzieningen om olierestanten of oliehoudende mengsels aan boord te houden of om deze overeenkomstig voorschrift 15.6 van Bijlage I bij het Verdrag te lozen:

  • a.

    schepen van minder dan 400 GT, niet zijnde olietankschepen als bedoeld in onderdeel b, voor zover naar het oordeel van de Minister praktisch uitvoerbaar;

  • b.

    olietankschepen van meer dan 150 GT en minder dan 400 GT, voor zover naar het oordeel van de Minister praktisch uitvoerbaar.

Artikel

5b

Eisen aan aangewezen schone-ballasttanks in verband met Bijlage I bij het Verdrag

De eisen bedoeld in voorschrift 18.8.2 van Bijlage I bij het Verdrag zijn de eisen, opgenomen in resolutie A.495(XII).

Artikel

5c

Eisen aan deelstroomsystemen in verband met Bijlage I bij het Verdrag

De eisen, bedoeld in voorschrift 30.6.5.2 van Bijlage I bij het Verdrag, zijn de eisen opgenomen in de specificaties voor het ontwerp, de installatie en werking van een deelstroomsysteem voor de regeling van lozingen overboord, die als bijlage 1 bij deze regeling zijn gevoegd.

Artikel

5d

Eisen aan ruwe-oliewassystemen in verband met Bijlage I bij het Verdrag

De eisen, bedoeld in voorschrift 33.2 van Bijlage I bij het Verdrag, zijn de eisen, opgenomen in resolutie A.446(XI).

Artikel

5e

Eisen aan offshore ondersteuningsschepen in verband met Bijlage II bij het Verdrag

Vervallen

Artikel

5f

Eisen aan schepen in verband met Bijlage IV bij het Verdrag

De volgende schepen zijn uitgerust met voorzieningen om het sanitair afval te kunnen lozen overeenkomstig de in Bijlage IV bij het Verdrag gegeven voorschriften:

Artikel

5g

Gelijkwaardige voorzieningen

De Minister kan, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke code, resoluties, richtlijnen en verordeningen is bepaald, afwijking toestaan van de in de artikelen 3, 4 en 5b tot en met 5e bedoelde eisen, indien aan boord van het schip een voorziening wordt getroffen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan de op grond van deze artikelen geëiste voorziening.

Artikel

5h

Wederzijdse erkenning

§

2

Toelatingseisen voor scheepsuitrusting

Artikel

6

Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op scheepsuitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een schip, gelet op de op dat schip toepasselijke eisen, een typegoedkeuring is vereist.

Artikel

7

Artikel

8

Nationale typegoedkeuringen voor scheepsuitrusting

Artikel

8a

Typegoedkeuringen Caribisch-Nederlandse schepen

Artikel

9

Wederzijdse erkenning

Met een door de Minister verleende typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring, verleend door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

Artikel

10

Goedkeuring voor emissiereductietechnologieën

Artikel

11

Indien ten aanzien van scheepsuitrusting die is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016, toepassing is gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016, neemt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie passende voorlopige maatregelen om te voorkomen dat die uitrusting aan boord van schepen wordt geplaatst of gebruikt. Indien nodig verbiedt hij de plaatsing of het gebruik aan boord van schepen.

Hoofdstuk

3

Certificaten, verklaringen en onderzoeken

Artikel

12

Certificaten op grond van de verordening (EG) 782/2003

Voor een schip dat op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EG) 782/2003 wordt gecertificeerd en waarvan na onderzoek is gebleken dat het voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 4 van deze regeling, wordt een AFS-certificaat als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van die verordening afgegeven.

Artikel

12a

Verklaringen voor schepen in verband met Bijlagen I en IV bij het Verdrag

Artikel

12b

Onderzoeken aan schepen in verband met Bijlagen I en IV bij het Verdrag

Artikel

12c

Certificaten en aantekeningen op grond van verordening (EU) 1257/2013

Artikel

12d

Certificaten en aantekeningen op grond van het Scheepsrecyclingsverdrag

Artikel

12e

Certificaten en aantekeningen op grond van het Scheepsrecyclingsverdrag voor buitenlandse schepen

Hoofdstuk

4

Lozing en overige gedragingen

Artikel

13

Nadere regels met betrekking tot verboden lozingen onder het Verdrag

Voorschrift 4.2 van Bijlage I van het Verdrag en voorschrift 3.1.2 van Bijlage II van het Verdrag zijn met betrekking tot een lozing die voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 van richtlijn 2005/35/EG voor alle schepen als bedoeld in artikel 2 van die richtlijn:

  • a.

    met betrekking tot een lozing in de Nederlandse territoriale zee niet van toepassing;

  • b.

    met betrekking tot een lozing in de Nederlandse exclusieve economische zone en op volle zee van toepassing voor de eigenaar, de kapitein of de bemanning.

Artikel

13a

Nadere regels voor lozingen als onderdeel van een emissiereductiemethode

Schepen die gebruik maken van emissiereductiemethoden als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onderdeel c, lozen het in het kader van deze methoden ontstane afvalwater in overeenstemming met de in bijlage II van richtlijn 2016/802/EU opgenomen lozingscriteria.

Artikel

14

Artikel

14a

Nadere regels voor lozingen door offshore ondersteuningsschepen

Offshore ondersteuningsschepen als bedoeld in resolutie A.1122(30), die beperkte hoeveelheden van de schadelijke stoffen, bedoeld in die resolutie, in bulk vervoeren, lozen in overeenstemming met de lozingsvoorschriften van die resolutie.

Artikel

14b

Nadere regels voor lozingen onder Bijlage IV bij het Verdrag

De vaarsnelheid van ten minste 4 knopen als bedoeld in voorschrift 11.1.1 van Bijlage IV bij het Verdrag is zodanig dat deze consistent is met het goedgekeurde tempo van lozing.

Hoofdstuk

5

Operationele voorschriften

§

1

Operationele voorschriften

Artikel

15

Voorschriften voor het bijhouden van journaals

Vervallen

Artikel

15a

Voorschriften voor de aangewezen schone-ballasttankmethode in verband met Bijlage I bij het Verdrag

De eisen, bedoeld in voorschrift 18.8.2 van Bijlage I bij het Verdrag, zijn de eisen, opgenomen in resolutie A.495(XII).

Artikel

15b

Voorschriften voor de werking van deelstroomsystemen in verband met Bijlage I bij het Verdrag

De eisen, bedoeld in voorschrift 30.6.5.2 van Bijlage I bij het Verdrag, zijn de eisen opgenomen in de specificaties voor het ontwerp, de installatie en werking van een deelstroomsysteem voor de regeling van lozingen overboord, die als bijlage 1 bij deze regeling zijn gevoegd.

Artikel

15c

Voorschriften voor het vervoer van schadelijke stoffen in verpakte vorm in verband met Bijlage III bij het Verdrag

In alle bescheiden die betrekking hebben op het vervoer van een schadelijke stof in verpakte vorm worden vermeld:

  • 1°.

    het identificatienummer van de Verenigde Naties voor zover van toepassing,

  • 2°.

    de indeling in gevarenklassen, genoemd in de IMDG-Code, en

  • 3°.

    de hoeveelheden van die stoffen en, wanneer zij in transporttanks of vrachtcontainers worden vervoerd, de identificatietekens daarvan.

Artikel

15d

Voorschriften voor de melding van het niet beschikbaar zijn van brandstofolie in verband met Bijlage VI bij het Verdrag.

Het ingevolge artikel 34 van het besluit toepasselijke voorschrift 18.2.4 van Bijlage VI bij het Verdrag is mede van toepassing op de kapitein van een buitenlands schip dat zich in een Nederlandse haven bevindt.

§

2

Vrijstellingen van operationele voorschriften

Artikel

15e

Vrijstelling van operationele voorschriften voor offshore ondersteuningsschepen

De ingevolge artikel 33, tweede lid, van het besluit toepasselijke voorschriften van Bijlage II bij het Verdrag met betrekking tot het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk, gelden niet voor het vervoer in bulk van beperkte hoeveelheden van de schadelijke stoffen, bedoeld in resolutie A.1122(30) door offshore ondersteuningsschepen als bedoeld in die resolutie, mits dit vervoer voldoet aan de in die resolutie neergelegde eisen.

Artikel

15f

Vrijstelling van operationele voorschriften voor vervoer van schadelijke stoffen in verpakte vorm

De ingevolge artikel 33, derde lid, van het besluit toepasselijke voorschriften van Bijlage III bij het Verdrag met betrekking tot de wijze van merken en etikettering van verpakkingen en de voorschriften, bedoeld in artikel 15c, gelden niet, voor zover de IMDG-Code dat bepaalt.

Hoofdstuk

6

Voorschriften ter uitvoering van de wet

Artikel

16a

Uitvoering Bijlage V bij het Verdrag

Als stof als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet wordt aangewezen vistuig als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage V bij het Verdrag.

Artikel

16c

Uitvoering verordening (EU) 530/2012

Artikel

16d

Uitvoering van verordening (EU) 1257/2013

Hoofdstuk

7

Slotbepalingen

Artikel

17

Wijzigingen van richtlijnen

Artikel

17a

Wijzigingen van Codes

Artikel 42 van het besluit is van overeenkomstige toepassing op de ingevolge deze regeling toepasselijke codes en resoluties.

Artikel

18

Wijziging andere regelingen

Wijzigt het Besluit machtiging werkzaamheden Inspectie Verkeer en Waterstaat.

Artikel

19

Artikel

21

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voorkoming verontreiniging door schepen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat, K.M.H.Peijs

Bijlage

1

behorend bij artikelen 5c en 15b

Specificaties voor het ontwerp, de installatie en werking van een deelstroomsysteem voor de regeling van lozingen overboord

1. Algemene bepalingen

1.1. Het deelstroomsysteem dient zodanig te worden gemonteerd dat daarmee een representatief monster van het overboord geloosde afvalwater daadwerkelijk zichtbaar kan worden gemaakt onder normale operationele omstandigheden.

1.2. Het deelstroomsysteem is in veel opzichten gelijk aan het bemonsteringssysteem dat voor de bewaking en controle van olielozing wordt gebruikt, maar heeft daarnaast pomp- en leidingvoorzieningen.

1.3. Het gedeelte van het deelstroomsysteem dat van een kijkglas is voorzien, moet zich bevinden op een beschutte en gemakkelijk toegankelijke plaats op het bovendek of hoger die is goedgekeurd door de Minister (bijvoorbeeld bij de ingang van de pompkamer). Er moet effectieve communicatie zijn tussen de locatie van het kijkglas in het deelstroomsysteem en de positie waar de lozing wordt geregeld.

1.4. De monsters moeten worden genomen bij de relevante segmenten van de leiding die voor lozing overboord wordt gebruikt en moeten via een permanente leiding naar de kijkglasvoorziening worden gevoerd.

1.5. Het deelstroomsysteem moet de volgende onderdelen bevatten:

  • a.

    bemonsteringssondes;

  • b.

    leiding voor bemonsteringswater;

  • c.

    aanvoerpomp(en) voor bemonstering;

  • d.

    kijkglasvoorziening;

  • e.

    voorziening voor lozing van het bemonsteringswater; en, afhankelijk van de diameter van de bemonsteringsleiding,

  • f.

    een spoelvoorziening.

1.6 Het deelstroomsysteem moet aan de geldende veiligheidsvoorschriften voldoen.

2. Systeemvoorzieningen

2.1. Locatie van de bemonsteringspunten

2.1.1. De bemonsteringspunten moeten op zodanige locaties worden aangebracht dat relevante monsters kunnen worden genomen van het afvalwater dat onder de waterlijn wordt geloosd via afvoeropeningen die voor operationele lozingen worden gebruikt.

2.1.2. De bemonsteringspunten moeten, voorzover dat praktisch uitvoerbaar is, worden aangebracht in de leidingsegmenten waar normaal geen sprake van een turbulente stroom is.

2.1.3. De bemonsteringspunten moeten, voor zover dat praktisch uitvoerbaar is, worden aangebracht op toegankelijke locaties in de verticale segmenten van de leiding die voor lozing wordt gebruikt.

2.2. Bemonsteringssondes

2.2.1. De bemonsteringssondes moeten zodanig worden aangebracht dat zij tot ongeveer eenvierde van de leidingdiameter in de leiding steken.

2.2.2. De bemonsteringssondes moeten voor reinigingsdoeleinden gemakkelijk uit de leiding kunnen worden gehaald.

2.2.3. Naast elke sonde moet een afsluitklep worden gemonteerd, behalve waar de sonde in een ladingleiding is gemonteerd. In het laatste geval moeten twee stopkleppen achter elkaar in de bemonsteringsleiding worden gemonteerd.

2.2.4. De bemonsteringssondes moeten van corrosiebestendig en oliebestendig materiaal zijn vervaardigd, voldoende sterk zijn, deugdelijke verbindingen hebben en naar behoren worden ondersteund.

2.2.5. Bemonsteringssondes moeten zodanig van vorm zijn dat zij niet gemakkelijk verontreinigd raken met aangekoekte deeltjes en dat zij geen hoge hydrodynamische druk bij het uiteinde van de bemonsteringssonde genereren.

2.2.6. Bemonsteringssondes moeten dezelfde nominale doorlaat hebben als de bemonsteringsleiding.

2.3. Bemonsteringsleiding

2.3.1. Tussen de bemonsteringspunten en de kijkglasvoorziening moet de bemonsteringsleiding zo recht mogelijk zijn. Scherpe bochten en holtes waar olie en bezinksel zich kunnen ophopen, moeten worden vermeden.

2.3.2. De bemonsteringsleiding dient zodanig te worden aangelegd dat het bemonsteringswater binnen 20 seconden naar de kijkglasvoorziening wordt gevoerd. De stroomsnelheid in de leiding mag niet minder dan 2 meter per seconde bedragen.

2.3.3. De diameter van de leiding mag niet minder dan 40 millimeter bedragen als er geen vaste spoelvoorziening is aangebracht en mag niet minder dan 25 millimeter bedragen als een hogedrukspoelvoorziening zoals vermeld in lid 2.5 is geïnstalleerd.

2.3.4. De bemonsteringsleiding moeten van corrosiebestendig en oliebestendig materiaal zijn vervaardigd, voldoende sterk zijn, deugdelijke verbindingen hebben en naar behoren worden ondersteund.

2.3.5. Waar verschillende bemonsteringspunten zijn aangebracht, moet de leiding zijn aangesloten op een klepkast aan de aanzuigende zijde van de aanvoerpomp voor bemonstering.

2.4. Aanvoerpomp voor bemonstering

De capaciteit van de aanvoerpomp voor bemonstering moet zodanig zijn dat aan de eisen gesteld aan de doorstroomhoeveelheid van het bemonsteringswater zoals vermeld in lid 4.2.2 wordt voldaan.

2.5. Spoelvoorziening

Als de diameter van de bemonsteringsleiding minder dan 40 millimeter bedraagt, moet een vaste verbinding met een hogedrukleiding voor zee- of zoetwater worden aangebracht om het spoelen van de bemonsteringsleiding mogelijk te maken.

2.6. Kijkglasvoorziening

2.6.1 De kijkglasvoorziening moet bestaan uit een compartiment waarin een kijkglas is aangebracht. Het compartiment moet een zodanige grootte hebben dat een vrije val van het bemonsteringswater over een lengte van minimaal 200 mm duidelijk zichtbaar is.

2.6.2. De kijkglasvoorziening moet zijn uitgerust met kleppen en een leiding die het mogelijk maakt dat een deel van het bemonsteringswater zodanig door het kijkglascompartiment wordt geleid dat een laminaire stroom in het compartiment zichtbaar is.

2.6.3. De kijkgatvoorziening moet gemakkelijk kunnen worden geopend en gereinigd.

2.6.4. Het inwendige oppervlak van het kijkgatcompartiment moet wit zijn, behalve de achtergrondwand. Deze laatste moet een zodanige kleur hebben dat eventuele veranderingen in de kwaliteit van het bemonsteringswater goed zichtbaar zijn.

2.6.5. Het onderste deel van het kijkgatcompartiment moet trechtervormig zijn, zodat het bemonsteringswater kan worden opgevangen.

2.6.6. Voor het nemen van watermonsters moet een aftapkraan worden aangebracht, zodat deze onafhankelijk van het water in het kijkgatcompartiment kunnen worden onderzocht.

2.6.7. De kijkgatvoorziening dient voldoende verlicht te zijn om visuele observatie van het bemonsteringswater mogelijk te maken.

2.7. Voorziening voor lozing van het bemonsteringswater

Het bemonsteringswater dat het kijkgatcompartiment verlaat, moet naar het oppervlaktewater of naar een sloptank worden geleid via een vaste leiding met een diameter die groot genoeg is.

3. Operationele vereisten

3.1. Bij lozing van verontreinigd ballastwater of ander met olie verontreinigd water uit het ladingtankgedeelte via een afvoeropening onder de waterlijn moet het deelstroomsysteem te allen tijde bemonsteringswater uit de desbetreffende lozingsopeningen leveren.

3.2. Het bemonsteringswater moet vooral nauwkeurig worden bekeken tijdens de stadia van de lozingsoperatie waarin het risico van verontreiniging met olie het grootst is. De lozing moet worden gestaakt zodra oliesporen in de stroom zichtbaar zijn en zodra de uitlezing van de oliegehaltemeter aangeeft dat het oliegehalte de toelaatbare limieten overschrijdt.

3.3. Bij systemen die zijn uitgerust met spoelvoorzieningen moet de bemonsteringsleiding worden gespoeld nadat verontreiniging is geconstateerd. De bemonsteringsleiding moet na elke gebruiksperiode worden gespoeld.

3.4. De voorschriften voor de behandeling van lading en ballast en, indien van toepassing, de voorschriften die vereist zijn voor ruwe-oliewassystemen of voor de werkwijze voor aangewezen schone-ballasttanks, moeten een duidelijke beschrijving bevatten van het gebruik van het deelstroomsysteem in combinatie met de procedures voor lozing van ballastwater en het decanteren van de sloptank.