Regeling van de Minister van Economische Zaken van 22 januari 2007, nr. WJZ 7007456, houdende regels omtrent de eisen waaraan meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters moeten voldoen voordat zij in de handel worden gebracht, in gebruik worden genomen of worden gebruikt (Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters)

Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters

De Minister van Economische Zaken,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Begripsbepalingen

Artikel

1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    eerste conformiteitsbeoordeling: conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 6 van de wet;

  • b.

    meetreservoir: meetinstrument dat is ingericht om, al dan niet met behulp van een ander meetinstrument, door bepaling van de hoogte van de vloeistofspiegel de hoeveelheid vloeistof die het bevat, vast te stellen en dat tevens is bestemd voor bewaring of vervoer daarin of aflevering van die vloeistof, met uitzondering van scheepstanks;

  • c.

    vloeistofhoogtemeter: meetinstrument voorzover dat is bestemd voor het meten van de hoogte van de vloeistofspiegel in een meetreservoir en dat bestaat uit een meetwaardeopnemer en ten minste één aanwijsinrichting als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder b;

  • d.

    discontinue brandstofmeter: meetinstrument, bestemd voor de discontinue vaststelling van het volume van in tweetaktmotoren gebruikte brandstoffen, bestaande uit meetkamers en voorzien van bijzondere inrichtingen voor het vullen en legen van de meetkamers;

  • e.

    meetinstrumenten: de onder b, c en d bedoelde meetinstrumenten;

  • f.

    markering: markering als bedoeld in artikel 21 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers;

  • g.

    zegelmerk: een verzegeling waarop het kenmerk van een aangewezen instantie of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die beschikt over een erkenning als bedoeld in artikel 11 van de Metrologiewet is vermeld.

Hoofdstuk

2

Algemene bepalingen

Artikel

2

Artikel

3

Artikel

4

Meetinstrumenten worden uitsluitend gebruikt voor metingen overeenkomstig hun bestemming.

Artikel

5

Artikel

6

Meetinstrumenten worden zodanig gecorrigeerd en gejusteerd dat de aanwijzingsfouten zo dicht mogelijk bij nul liggen.

Hoofdstuk

3

Meetreservoirs

Artikel

7

Meetreservoirs zijn naar de wijze, waarop de hoogte van de vloeistofspiegel wordt bepaald, te onderscheiden in:

  • a.

    reservoirs, waarvan een peilstok, ingedeeld in eenheden van volume, deel uitmaakt;

  • b.

    reservoirs, waarvan een peilstok, ingedeeld in eenheden van lengte, deel uitmaakt;

  • c.

    reservoirs, die zijn ingericht om de hoogte van de vloeistofspiegel op andere wijze te bepalen dan met behulp van een van het betrokken reservoir deel uitmakende peilstok.

Artikel

8

Van de meetreservoirs, bedoeld in artikel 7, onder b, en, voor zover bij het vaststellen van de aanwezige hoeveelheid vloeistof gebruik wordt gemaakt van een meetinstrument dat is ingedeeld in eenheden van lengte, van de meetreservoirs, bedoeld in artikel 7, onder c, moet een certificaat van meting ter plaatse van opstelling beschikbaar zijn.

Artikel

9

Meetreservoirs zijn naar hun samenstelling en de wijze van opstelling te onderscheiden in:

  • a.

    reservoirs, welke, behoudens geringe afwijkingen, de vorm hebben van:

    • 1°.

      een rechte cilinder, waarvan de beschrijvende lijnen verticaal zijn;

    • 2°.

      een rechthoekig parallellepipedum, waarvan de langste ribben verticaal zijn;

    • 3°.

      een kubus, waarvan vier ribben verticaal zijn;

    • 4°.

      een bol;

  • b.

    reservoirs, welke, behoudens geringe afwijkingen, de vorm hebben van:

    • 1°.

      een rechte cilinder, waarvan de beschrijvende lijnen horizontaal zijn;

    • 2°.

      een rechthoekig parallellepipedum, waarvan 4 ribben, doch niet de langste, verticaal zijn;

  • c.

    andere reservoirs dan die, bedoeld onder a en b, voor zover de samenstelling en de wijze van opstelling ervan naar het oordeel van een aangewezen instantie voldoende doelmatig zijn.

Artikel

10

In een meetreservoir mogen verwarmingselementen, leidingen en andere hulpinrichtingen, die in verband met het gebruik noodzakelijk zijn, zijn aangebracht, mits deze de goede werking van het meetreservoir niet schaden.

Artikel

11

Een meetreservoir is zo nodig aan de bovenzijde voorzien van een meetopening of, indien de samenstelling of de opstelling van het meetreservoir van invloed is op de juistheid van de meting, van meer meetopeningen.

Artikel

12

Artikel

13

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

Een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder a of b, mag zijn voorzien van een aanslag die zijn stand in de meetopening, waarvoor hij bestemd is, tijdens de meting ondubbelzinnig bepaalt.

Artikel

17

Artikel

18

Een schaaldeel van de verdeling van een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder a, heeft een lengte van ten minste 1 mm en ten hoogste 10 mm.

Artikel

19

Artikel

20

De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten hoeveelheid bedraagt:

  • a.

    voor de meetreservoirs, bedoeld in artikel 9, onder a:

    • 1°.

      bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 0,5%;

    • 2°.

      na ingebruikneming: plus of min 1,0%;

  • b.

    voor de meetreservoirs, bedoeld in artikel 9, onder b en c:

    • 1°.

      bij de eerste conformiteitsbeoordeling: plus of min 0,8%;

    • 2°.

      na ingebruikneming: plus of min 1,0%.

Artikel

21

De vaststelling van de kleinste door middel van een meetreservoir te meten hoeveelheid dan wel van het kleinste te meten verschil in hoogte van twee vloeistofspiegels, zijnde tevens de kleinste te meten hoogte van een vloeistofspiegel boven de bodem bij de vaststelling door middel van één meting van de in het meetreservoir aanwezige vloeistof, wordt bepaald door een aangewezen instantie.

Artikel

22

Het volume van het onderste gedeelte van een meetreservoir wordt volumetrisch door inliteren van water of van het product waarvoor het meetreservoir bestemd is, bepaald.

Artikel

23

Aan een meetreservoir, dat is ingericht voor het daarop aanbrengen van een meetinstrument, bestemd voor het meten van de hoogte van de vloeistofspiegel in een zodanig meetreservoir, zijn voorzieningen aangebracht, die geschikt zijn om steeds voldoende nauwkeurige controlemetingen van de met dat meetinstrument gemeten hoogte van de vloeistofspiegels te kunnen uitvoeren.

Artikel

24

Artikel

25

Op een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder a of b, is vermeld:

  • a.

    het nummer van het meetreservoir waarvan hij deel uitmaakt;

  • b.

    ingeval het meetreservoir is voorzien van meer meetopeningen: zo nodig een aanduiding van de meetopening, waarbij de peilstok behoort.

Artikel

26

Artikel

27

Hoofdstuk

4

Vloeistofhoogtemeters

§

1

Algemeen technische voorschriften

Artikel

28

Artikel

29

Een vloeistofhoogtemeter is zodanig samengesteld, dat bij een verandering van:

  • a.

    de volumieke massa van de vloeistof, waarvan de hoogte van de vloeistofspiegel wordt gemeten, wordt voldaan aan artikel 59;

  • b.

    de temperatuur van de vloeistofhoogtemeter en de voedingsspanning, indien de vloeistofhoogtemeter elektrisch wordt gevoed, wordt voldaan aan artikel 53.

Artikel

30

De bevestiging van een vloeistofhoogtemeter op een meetreservoir, waaraan die meter is toegevoegd, geschiedt zodanig, dat de onveranderlijkheid van de meting is gewaarborgd.

Artikel

31

Artikel

32

Het meetreservoir is voorzien van een referentiepunt, dat een vaste positie ten opzichte van de vloeistofhoogtemeter heeft en met behulp waarvan te allen tijde voldoende nauwkeurige controlemetingen van de vloeistofhoogte kunnen worden uitgevoerd.

Artikel

33

Bevestiging van een vloeistofhoogtemeter aan een tot het meetreservoir behorende geleidepijp voor de meetdraad, meetband of elektromagnetische golven is slechts toegestaan, indien die geleidepijp vast met de wand van het meetreservoir is verbonden en geen ondersteuning heeft die vast met het dak of met de bodem van het meetreservoir is verbonden.

Artikel

34

Het mechanisme van een vloeistofhoogtemeter kan worden gecontroleerd door de bewegende delen van de vloeistofhoogtemeter te activeren, waardoor de meetwaarde-opnemer in beweging wordt gezet.

Artikel

35

Signaalinrichtingen, mechanismen ter berekening van hoeveelheid of prijs, ter herhaling van eerdere aanwijzingen en dergelijke, die het gebruik van de vloeistofhoogtemeter vergemakkelijken, zijn toegelaten, voor zover zij de juiste werking van de meter niet schaden.

§

2

Bijzondere voorschriften voor aanwijsinrichtingen

Artikel

36

Een aanwijsinrichting mag gescheiden van de meetwaarde-opnemer zijn opgesteld, mits bijzondere voorzieningen waarborgen, dat steeds ondubbelzinnig vaststaat op welk meetreservoir de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

Artikel

37

Artikel

38

De waarde van de afleeseenheid mag niet groter dan 1 mm zijn.

Artikel

39

Artikel

40

Indien de meetwaarde-opnemer boven de vloeistofspiegel in een ruststand gebracht kan worden, vindt de aanwijzing van de hoogte van de meetwaarde-opnemer op een zodanige wijze plaats, dat ondubbelzinnig vaststaat dat niet de werkelijke hoogte van de vloeistofspiegel wordt aangewezen.

Artikel

41

Artikel

42

Artikel

43

Artikel

44

Artikel

45

Indien een vloeistofhoogtemeter is voorzien van een afdrukinrichting zijn in afwijking van artikel 44 op het afdrukpapier vermeld:

  • a.

    een verklaring van de verschillende symbolen of een mededeling waaruit blijkt hoe men aan een verklaring kan komen;

  • b.

    alle handmatig ingevoerde parameters welke nodig zijn om tot een presentatie van de berekende waarde te komen.

Artikel

46

De artikelen 43, 44 en 45 zijn niet van toepassing, indien parameters, die niet afkomstig zijn van inrichtingen voor het opnemen, omvormen en aanbieden van meetcondities, welke niet op de aanwijsinrichting zijn aangesloten, en die bepalend zijn voor het resultaat van de door de aanwijsinrichting gepresenteerde grootheden, vast zijn ingesteld dan wel tegen veranderingen zijn beschermd met behulp van een verzegelingsinrichting.

Artikel

47

Indien de gepresenteerde waarde berust op een historische meting, wordt dit door middel van een symbool kenbaar gemaakt.

Artikel

48

Indien de elementen van een aanwijsinrichting zijn bestemd voor het aanwijzen van de hoogte en voor het aanwijzen van andere grootheden of gegevens, mogen deze grootheden slechts na uitvoering van een bedieningshandeling aangewezen kunnen worden en moeten ze na ten hoogste 10 seconden weer worden vervangen door de aanwijzing van de hoogte.

Artikel

49

Indien een aanwijsinrichting gemeenschappelijk functioneert voor meerdere vloeistofhoogtemeters en indien één of meer van die vloeistofhoogtemeters bestemd zijn voor metingen die niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt worden, zijn de meetresultaten van die metingen op zodanige wijze gekenmerkt, dat duidelijk is dat deze resultaten niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt mogen worden.

§

3

Bijzondere voorschriften voor meetwaarde-opnemers

Artikel

50

Artikel

51

Een meetwaarde-opnemer is zodanig gesitueerd, dat er geen wederzijdse beïnvloeding kan plaatsvinden met andere meettechnische handelingen.

Artikel

52

Een meetwaarde-opnemer wordt op een zodanige wijze beschermd, dat de invloed van draaikolken, stromingen of wervelingen op de aanwijzing van de hoogte van de vloeistofspiegel is te verwaarlozen, waarbij voor een meetwaarde-opnemer die direct contact maakt met de vloeistof een correcte verticale geleiding van de meetwaarde-opnemer gewaarborgd moet blijven.

§

4

Metrologische voorschriften

Artikel

53

Artikel

54

Artikel

55

De maximaal toelaatbare fout van het verschil tussen twee gemeten hoogten, waarbij een meetwaarde-opnemer het hoogteverschil in één richting heeft overbrugd, is gelijk aan de maximaal toelaatbare fout overeenkomstig artikel 53.

Artikel

56

Bij een vloeistofhoogtemeter met twee of meer aanwijsinrichtingen mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel door twee van die inrichtingen, willekeurig gekozen, niet meer van elkaar verschillen dan één afleeseenheid van de aanwijsinrichting, die van de beide welke worden vergeleken de grootste afleeseenheid heeft.

Artikel

57

Indien de bewegingsrichting van een meetwaarde-opnemer welke direct contact maakt met de vloeistof verandert, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm.

Artikel

58

Indien de voortplantingsrichting van de elektromagnetische golven naar het vloeistofoppervlak wordt onderbroken, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel voor en na de onderbreking niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm.

Artikel

59

Indien de volumieke massa van de vloeistof ligt tussen 600 kg/m3 en 1000 kg/m3, mag de verandering van de volumieke massa van 1000 kg/m3 naar 600 kg/m3 geen grotere invloed hebben op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm.

Artikel

60

Indien de volumieke massa van de vloeistof buiten de grenzen, bedoeld in artikel 59, valt, worden bij de toelating van het model de grenzen, waarbinnen het gebruik van de vloeistofhoogtemeter is toegestaan, zodanig vastgesteld, dat de verandering van de volumieke massa van de bovengrens naar de ondergrens geen grotere invloed heeft op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm.

Artikel

61

Bij een verandering van de temperatuur van een vloeistofhoogtemeter en van de wand van het meetreservoir waarop de vloeistofhoogtemeter is geplaatst van 10 °C mag de verandering van de aanwijzing niet meer bedragen dan de maximaal toelaatbare fout, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onder a.

Artikel

62

§

5

Opschriften

Artikel

63

Op iedere vloeistofhoogtemeter is, hetzij direct, hetzij op een plaat, die vast met de vloeistofhoogtemeter is verbonden, vermeld:

  • a.

    de naam en de woonplaats van degene die de vloeistofhoogtemeter heeft vervaardigd of diens fabrieksmerk;

  • b.

    het jaar waarin de vloeistofhoogtemeter is vervaardigd en het fabrieksnummer;

  • c.

    het nummer van de betrokken verklaring van toelating;

  • d.

    de identificatie van het meetreservoir, waarop de vloeistofhoogtemeter is bevestigd;

  • e.

    het opschrift ‘het nulpunt van de vloeistofhoogtemeter ligt ... mm beneden het referentiepunt’;

  • f.

    elke andere aanduiding, welke in verband met de samenstelling of de werking van de vloeistofhoogtemeter door de aangewezen instantie noodzakelijk wordt geacht, als aangegeven in de verklaring van toelating.

Artikel

64

Indien één of meer verre-aanwijsinrichtingen behoren bij een vloeistofhoogtemeter, is op of in de onmiddellijke nabijheid van elk van die inrichtingen een plaat aangebracht, waarop zijn vermeld:

  • a.

    het identificatienummer van de inrichting;

  • b.

    een identificatie van het meetreservoir waarop de aanwijzing betrekking heeft.

Artikel

65

Artikel

66

Artikel

67

Inrichtingen als bedoeld in artikel 35, die op verzoek van de aanvrager niet in de keuring worden betrokken, alsmede niet gekeurde aanwijsinrichtingen zijn voorzien van het opschrift ‘niet geijkte hulpinrichting’.

Artikel

68

Indien de meeteigenschappen van een vloeistofhoogtemeter het gebruik buiten bepaalde meetgrenzen niet veroorloven of indien andere beperkingen in het gebruik zijn vereist, dragen de vloeistofhoogtemeter en elke verre-aanwijsinrichting die op de vloeistofhoogtemeter kan worden aangesloten een opschrift waaruit die beperkte bestemming blijkt.

§

6

Markering

Artikel

69

Artikel

70

Artikel

71

Indien een meetwaarde-opnemer in een afzonderlijke behuizing is ondergebracht, wordt de markering aangebracht als aangegeven in artikel 69.

§

7

Bijzondere bepalingen voor vloeistofhoogtemeters met elektronische componenten

Artikel

72

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    elektronische inrichting: een vloeistofhoogtemeter, die is voorzien van elektronische componenten en afzonderlijk kan worden getoetst aan de bepalingen van dit hoofdstuk, dan wel een zodanig deel van een vloeistofhoogtemeter;

  • b.

    correct functioneren: een zodanig functioneren dat de maximaal toelaatbare fouten die gelden bij de eerste conformiteitsbeoordeling niet worden overschreden.

Artikel

73

Artikel

74

Artikel

75

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen, die zijn opgesteld in een afgesloten ruimte, al of niet voorzien van een regeling van temperatuur en vochtigheid, bestaat uit:

  • a.

    een stabiele omgevingstemperatuur van 40 °C en een relatieve vochtigheid van 38% gedurende 2 uur;

  • b.

    een stabiele omgevingstemperatuur van 5 °C gedurende 2 uur.

Artikel

76

Artikel

77

De omgevingstemperaturen, bedoeld in de artikelen 75 en 76, worden als stabiel beschouwd, indien:

  • a.

    het verschil tussen de tijdens de blootstelling optredende hoogste en laagste temperatuur niet meer bedraagt dan 5 °C, en

  • b.

    de verandering van de temperatuur tijdens de blootstelling niet meer bedraagt dan 1 °C/min.

Artikel

78

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen bestaat uit:

  • a.

    een voedingsspanning, variërend tussen –15% en +10% van de nominale voedingsspanning;

  • b.

    10 onderbrekingen en reducties van de voedingsspanning, waarbij, uitgaande van een netfrequentie van 50 Hz en een nominale spanning met een effectieve waarde van 230 V, de amplitude wordt teruggebracht tot:

    • 1°.

      0 V gedurende een halve periode,

    • 2°.

      115 V (50%) gedurende één periode, waarbij het tijdsinterval tussen twee onderbrekingen ten minste 10 seconden bedraagt;

  • c.

    pulsvormige netverontreiniging, waarbij op de voedingsspanning een burst wordt gesuperponeerd, die voldoet aan onderstaande specificaties, zowel in common mode als in differential mode:

    • piekwaarde (V): 1000

    • stijgtijd (ns): 5

    • tijdsduur halve piekwaarde (ns): 50

    • totale burstlengte (ms): 15

    • herhalingsinterval (ms): 300,

    • waarbij in iedere mode ten minste 10 positieve en 10 negatieve spanningspieken worden aangebracht;

  • d.

    ten minste 10 ontladingen via de elektronische inrichting, die tot stand komen, nadat een capaciteit van 150 pF door een gelijkspanningsbron tot 8 kV is opgeladen, door de capaciteit met een elektrostatische lading van 1,2 μC te ontladen door een aansluiting met het geaarde chassis te verbinden en de andere aansluiting via een weerstand van 150 Ω naar een vlak van de elektronische inrichting, waarbij het tijdsinterval tussen twee opeenvolgende ontladingen ten minste 10 seconden bedraagt, met dien verstande dat elektronische inrichtingen die niet met een geaard chassis zijn uitgevoerd, op een geaarde plaat worden gezet, welke ten minste 0,1 m uitsteekt aan alle zijden van de inrichting;

  • e.

    een veldsterkte van 10 V/m, 50% AM-gemoduleerd met een blokgolf welke een frequentie heeft van 1 kHz, die wordt aangebracht in het frequentiegebied van 0,1 MHz tot 1 GHz, waarbij ten minste 1 m van de horizontaal vanaf de elektronische inrichting weglopende externe bekabeling tijdens de proef aan het veld wordt blootgesteld.

Artikel

79

Artikel

80

Toetsing aan de voorschriften van deze paragraaf vindt plaats ten aanzien van een vloeistofhoogtemeter, zoals die in de gebruikssituatie zal zijn of is samengesteld, tenzij de afmetingen of de configuratie van de meter noodzaken tot het onderzoek van afzonderlijke elektronische inrichtingen.

Hoofdstuk

5

Discontinue brandstofmeter

Artikel

81

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder meetkamer: voor de meting dienende ruimte van een discontinue brandstofmeter, die met behulp van verdeelstrepen, overlopen, aflooppijpen of andere begrenzingen in een of meer volumedelen zijn verdeeld.

Artikel

82

De delen die de begrenzing vormen van een meetkamer van een discontinue brandstofmeter zijn met elkaar verbonden of voorzien van verzegelingsinrichtingen, waarmee het uit elkaar nemen van die delen kan worden verhinderd. Het bepaalde in de eerste volzin geldt niet, indien de eigenschappen van het product waarvoor de discontinue brandstofmeter is bestemd het uit elkaar nemen van de delen noodzakelijk maken.

Artikel

83

De discontinue brandstofmeters waarvan de delen blijvend uit elkaar genomen moeten kunnen worden, zijn zodanig geconstrueerd, dat onjuiste metingen door onjuist of onvolledig samenvoegen van de verschillende delen zijn uitgesloten, dan wel zijn van zodanige gebruiksaanwijzingen en kenmerken voorzien, dat bij opvolging van de gebruiksaanwijzing juiste metingen zijn gewaarborgd.

Artikel

84

De discontinue brandstofmeters ten aanzien waarvan de opstelling waarin zij gebruikt moeten worden niet duidelijk uit de samenstelling blijkt, zijn, indien die opstelling van belang is voor een juiste meting, voorzien van een inrichting, die die opstelling duidelijk aanwijst.

Artikel

85

Telwerken, veiligheidsinrichtingen, terugloopleidingen, justeerinrichtingen en andere hulpinrichtingen die het gebruik van een discontinue brandstofmeter vergemakkelijken, zijn toegestaan, voor zover zij de juiste werking van de meter niet schaden en geen aanleiding tot misleiding en misvatting kunnen geven.

Artikel

86

Een justeerinrichting is voorzien van een verzegelingsinrichting.

Artikel

87

Artikel

88

Artikel

89

Een discontinue brandstofmeter die een geldige markering draagt, is voorzien van een zegelmerk, dat is aangebracht op de verzegelingsinrichting van de justeerinrichting en zo nodig op de verzegelingsinrichtingen van de onderdelen, bedoeld in artikel 85.

Artikel

90

Artikel

91

Vloeistofspiegels ter hoogte van de afzonderlijke deelstrepen kunnen parallaxvrij ingesteld en afgelezen worden. Zo nodig is de discontinue brandstofmeter daartoe voorzien van hulpmiddelen.

Artikel

92

De vorm en de inrichting van de discontinue brandstofmeters en de aan- en afvoerleidingen waarborgen de volledige aanvoer van de te meten en de volledige levering van de gemeten hoeveelheid. Zo nodig zijn daartoe kijkglazen aangebracht.

Artikel

93

De delen die dienen voor het vullen en ledigen zijn onveranderlijk en zodanig uitgevoerd en aangebracht, dat de metingen betrouwbaar en eenduidig zijn en bij scheefstellingen geen verschillen van enige betekenis in verhouding tot de maximaal toelaatbare fouten optreden.

Artikel

94

Omschakelinrichtingen zijn zodanig geconstrueerd en geïnstalleerd, dat de vloeistof bij het meten of omschakelen slechts die richting kan volgen, waarlangs een juiste meting is verzekerd.

Artikel

95

De discontinue brandstofmeters waarbij de metende ruimte aan de boven- en de onderzijde door een afsluitinrichting wordt begrensd, zijn voorzien van een bijzondere inrichting, die waarborgt dat de afvoerleiding eerst kan worden geopend na volledige vulling van de metende ruimte en eerst kan worden gesloten na volledige lediging.

Artikel

96

Indien de onderzijde van de metende ruimte wordt begrensd door een afsluitinrichting, hebben de bodem en in voorkomende gevallen de afvoerleiding ten minste de volgende helling:

  • a.

    bij vast opgestelde discontinue brandstofmeters: in de verhouding 1:10;

  • b.

    bij niet vast opgestelde discontinue brandstofmeters: in de verhouding 1:5.

Artikel

97

Terugloopinrichtingen zijn zodanig uitgevoerd, dat gebruik dat leidt tot een meetfout, welke beduidend kleiner is dan de maximaal toelaatbare fout, onmogelijk is dan wel gemakkelijk kan worden vastgesteld.

Artikel

98

De discontinue brandstofmeters zijn zodanig ingericht, dat de juiste werking van ingebouwde discontinue brandstofmeters niet wordt geschaad en zij gemakkelijk kunnen worden onderzocht.

Artikel

99

Bij de discontinue brandstofmeters die bestemd zijn voor het meten van verschillende brandstoffen in wisselende mengverhoudingen kunnen deze brandstoffen zich bij het veranderen van de mengverhouding slechts in geringe mate met elkaar vermengen.

Artikel

100

Artikel

101

Artikel

102

Artikel

103

Op iedere discontinue brandstofmeter is, hetzij direct, hetzij op een plaat die vast met het meetwerktuig is verbonden, vermeld:

  • a.

    de naam en de woonplaats van degene die de discontinue brandstofmeter heeft vervaardigd of diens fabrieksmerk;

  • b.

    het jaar waarin de discontinue brandstofmeter is vervaardigd en het fabrieksnummer;

  • c.

    het nummer van de betrokken verklaring van toelating;

  • d.

    elke andere aanduiding, welke in verband met de samenstelling of de werking van de discontinue brandstofmeter door de aangewezen instantie noodzakelijk wordt geacht, als aangegeven in de verklaring van toelating.

Hoofdstuk

6

Slotbepalingen

Artikel

104

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2007.

Artikel

105

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Minister van Economische Zaken, J.G.Wijn