Besluit van 15 april 1991, houdende een nadere werktijdregeling en overwerkvergoeding voor personen-chauffeurs

Besluit nadere werktijdregeling en overwerkvergoeding voor personenchauffeurs (4)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 13 maart 1991, Personeelsafdeling Centrale Diensten/U-90511 gedaan mede namens Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 15 maart 1991, nr. 91M002045 en Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 21-3-1991, nr. AB91/28/U1;
Overwegende, dat het wenselijk is om de arbeidsduur van personenchauffeurs die structureel overwerk verrichten te verlengen, onder de toekenning van een toelage, en een aparte regeling te treffen voor het overwerk;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

2

De krachtens artikel 1 aangewezen ambtenaar ontvangt een maandelijkse toelage die 30 maal het voor hem geldende salaris per uur bedraagt.

Artikel

3

Buiten de voor hem geldende arbeidsduur kan aan de krachtens artikel 1 aangewezen ambtenaar overwerk worden opgedragen over de periode van een kalenderjaar tot een maximum van gemiddeld 45 uren per maand.

Artikel

4

Artikel

5

De dagelijkse werktijd wordt als volgt vastgesteld:

  • a.

    Per werkdag geldt een vaste werktijd van 8 uur, waarbij de normale begin- en eindtijd liggen tussen 7.00 uur en 19.00 uur, met een lunchpauze van 0,5 uur.

  • b.

    De overige 1,5 uur gelden als flexibele werktijd welke (met een totaal van 30 uur per maand) wordt ingezet wanneer de dienst dat vereist.

  • c.

    Voor zover de diensttijd aanvangt en eindigt op het moment dat de chauffeur zijn huis verlaat, respectievelijk daar terugkeert, wordt op de dagelijkse werktijd de voor hem normale begeeftijd in mindering gebracht.

Artikel

7

Aan de chauffeur, bij wie het gemiddeld aantal overuren (à 150%) per maand, berekend over de 24 maanden voorafgaand aan het moment van invoering, hoger is dan 45 uur, wordt gedurende een periode van 2 jaar op maandbasis een afnemend toeslagpercentage toegekend over het verschil tussen het 24 maands gemiddelde en voornoemde 45 uur. Het toeslag percentage vertoont het volgende beeld:

  • 1°.

    halfjaar: 80%

  • 2°.

    halfjaar: 60%

  • 3°.

    halfjaar: 40%

  • 4°.

    halfjaar: 20%.

Artikel

8

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt voor wat betreft de werktijdverlenging als bedoeld in artikel 1 terug tot en met 1 januari 1986.

Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, R. F. M. Lubbers
De Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, H. d'Ancona
De Minister van Binnenlandse Zaken, C. I. Dales
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin