Besluit van 15 december 1992, houdende een nadere werktijdregeling en overwerkvergoeding voor personenchauffeurs

Besluit nadere werktijdregeling en overwerkvergoeding voor personenchauffeurs (6)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken van 23 november 1992, nr. 92MO08489, Onze Minister van Financiën, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 7 oktober 1992, nr. PM92-2259,
Overwegende, dat het wenselijk is om de arbeidsduur van personenchauffeurs die structureel overwerk verrichten te verlengen, onder toekenning van een toelage;
Gelet op artikel 21, achtste lid Algemeen Rijksambtenaren reglement, artikel 23, twaalfde lid, artikel 19 en artikel 25, tweede lid Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
Gehoord de Bijzondere Commissie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

2

De krachtens artikel 1 aangewezen ambtenaar ontvangt maandelijks een toelage die 30 maal het voor hem geldende salaris per uur bedraagt.

Artikel

3

Artikel

4

Artikel

5

Voorzover de werktijd aanvangt en eindigt op het moment dat de krachtens artikel 1 aangewezen ambtenaar zijn huis verlaat respectievelijk daar terugkeert, wordt op de dagelijkse werktijd de normale begeeftijd (reistijd) van 1 uur in mindering gebracht.

Artikel

6

Artikel

7

Bij het uit dienst treden van een krachtens artikel 1 aangewezen ambtenaar vindt geen nacalculatie plaats van het gemiddeld aantal overuren over de voorafgaande 12 maanden.

Artikel

8

Aan de krachtens artikel 1 aangewezen ambtenaar, bij wie het gemiddeld aantal overuren (à 150%) per maand, berekend over de 12 maanden voorafgaand aan het moment van invoering, hoger is dan 45 uur, wordt gedurende een periode van twee jaar op maandbasis een afnemend toeslagpercentage toegekend over het verschil tussen het 12-maands gemiddelde en voornoemde 45 uur. Het toeslagpercentage ziet er alsvolgt uit:

het eerste halfjaar 80%

het tweede halfjaar 60%

het derde halfjaar 40%

het vierde halfjaar 20%

Artikel

9

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1993.

Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, R. F. M. Lubbers
De Minister van Financiën, W. Kok
De Minister van Binnenlandse Zaken, C. I. Dales
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin