Besluit van 25 november 1992, houdende een nadere werktijdregeling en overwerkvergoeding voor personenchauffeurs

Besluit nadere werktijdregeling en overwerkvergoeding voor personenchauffeurs (5)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 11 november 1992, nr. 92M008101, de Staatssecretaris van Financiën van 2 oktober 1992, nr. 592-2301, directie Personeel en Organisatie van de Belastingdienst, en Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 6 november 1992, nr. AB92/1031, DGMP/AV/R;
Overwegende, dat het wenselijk is om de arbeidsduur van personenchauffeurs die structureel overwerk verrichten te verlengen, onder de toekenning van een toelage, en een aparte regeling te treffen voor het overwerk;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel

2

De krachtens artikel 1 aangewezen ambtenaar ontvangt een maandelijkse toelage ter grootte van 30/165 van het salaris.

Artikel

3

Artikel

4

Er bestaat geen aanspraak op de toelage voor onregelmatige dienst.

Artikel

5

Voor de lunch wordt een ½ uur per dag op de werktijd in mindering gebracht. De werktijd wordt verder verminderd met 1 uur per dag indien voor de kosten van een avondmaaltijd een vergoeding is genoten op basis van daartoe strekkende voorschriften en/of regelingen.

Artikel

6

Indien de dagelijkse werktijd aanvangt op het moment dat de ambtenaar zijn woning verlaat en eindigt op het moment dat de ambtenaar daar terugkeert wordt, voor het vaststellen van de arbeidsduur per dag, op de werktijd de reistijd wegens woning-werk (in casu de tijd om de afstand tussen de woning van de chauffeur en de woning van de directeur te overbruggen) tot een maximum van een ½ uur per dag in mindering gebracht.

Artikel

7

Artikel

8

Aan de ambtenaar die op de datum voor inwerkingtreding van dit besluit de functie van personenchauffeur uitoefent, kan gedurende een periode van twee jaar een afnemende toeslag worden toegekend indien als gevolg van de toepassing van dit besluit sprake is van een inkomensachteruitgang. Deze toeslag wordt berekend over het verschil tussen de gemiddeld per maand over een periode van 12 maanden direct voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit ontvangen vergoeding en de vergoeding die op basis van dit besluit wordt genoten. De toeslag bedraagt gedurende de eerste periode van een halfjaar 80%, de tweede periode van een halfjaar 60%, de derde periode van een halfjaar 40% en de vierde periode van een halfjaar 20% van het vorenbedoelde verschil.

Artikel

9

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste van de maand volgende op die waarin het besluit in het Staatsblad is geplaatst.

Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer.

's-Gravenhage
Beatrix
De Minister-President, Minister van Algemene Zaken, R. F. M. Lubbers
De Staatssecretaris van Financiën, M. J. J. van Amelsvoort
De Minister van Binnenlandse Zaken, C. I. Dales
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin