Uitvoeringsregeling plaatsgebonden consignatie KLPD

Uitvoeringsregeling plaatsgebonden consignatie landelijke eenheden

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Gelet op:
– de Regeling in verband met plaatsgebonden consignatie van 23 oktober 1998, kenmerk EA98/U520139;
– de Collectieve overlegregeling arbeids- en rusttijden KLPD en
– de bereikte overeenstemming met de Commissie Klpd d.d. 3 oktober 2006 en 20 december 2006;

Besluit:

Artikel

1

Definities

Tenzij anders is vermeld, wordt voor de toepassing van de Uitvoeringsregeling plaatsgebonden consignatie landelijke eenheden verstaan onder:

  • 1.

    medewerker: de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, en de ambtenaar aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie;

  • 2.

    plaatsgebonden consignatie: een aaneengesloten tijdruimte van ten hoogste 24 uren waarin de medewerker, zo nodig naast het verrichten van de bedongen arbeid, verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten;

  • 3.

    bevoegd gezag: de korpschef.

Artikel

2

Toepassing

Artikel

3

Vergoeding

Artikel

4

Slotbepalingen

Het ‘Besluit beëindiging en afbouw vergoedingregelingen extra diensten groepschefs en beveiligers KDB’ van 19 december 1994 met kenmerk 472700/594/HY en de ‘Regeling bevoegdheid toekenning toelage functionarissen KDB KLPD’ van 8 mei 1995 met kenmerk EA95/929a zijn met dit besluit ingetrokken.

Artikel

5

Dit besluit treedt in werking met ingang de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 22 december 2006.

Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
voor deze:
de Directeur-Generaal Veiligheid, H.W.M.Schoof