Wet van 8 maart 2007 tot wijziging van enkele wetten in verband met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet

Wijzigingswet Wet bezoldiging Raad van State en Algemene Rekenkamer, enz. (inwerkingtreding Zorgverzekeringswet)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in verband met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet noodzakelijk is om diverse wetten die de rechtspositie van politieke ambtsdragers en de Hoge Colleges van Staat betreffen, te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel

I

Wijzigt de Wet bezoldiging Raad van State en Algemene Rekenkamer.

Artikel

II

Wijzigt de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen.

Artikel

III

Wijzigt de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer.

Artikel

IV

Wijzigt de Wet schadeloosstelling, uitkering en pensioen leden Europees Parlement.

Artikel

V

Wijzigt de Wet vergoedingen leden Eerste Kamer.

Artikel

VI

Indien in de periode tussen het tijdstip waarop dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer der Staten-Generaal is aanvaard en het tijdstip waarop artikel III, onderdeel A, van dit wetsvoorstel, nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel wijzigt en is bepaald dat die wijziging een algemeen karakter draagt, wordt het bedrag in artikel 2, eerste lid, van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer, voor zoveel nodig, dienovereenkomstig nader vastgesteld. De nadere vaststelling geschiedt bij het in artikel VIII genoemde koninklijk besluit en treedt in werking op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel A, van deze wet.

Artikel

VII

Vervallen

Artikel

VIII

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

’s-Gravenhage
Beatrix
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, G. ter Horst
De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin