Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 juni 2007, nr. DJZ2007015959, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, houdende Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds

Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Besluit:

Hoofdstuk

1

Algemene bepalingen

Paragraaf

1

Begripsbepalingen

Artikel

1.1

Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

  • b.

    project: samenhangend geheel van activiteiten, waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • c.

    subsidieplafond: bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens het Waddenfonds;

  • d.

    uitvoeringsorganisatie: door de Minister aan te wijzen organisatie belast met de uitvoering van deze regeling;

  • e.

    wet: Wet op het Waddenfonds;

  • f.

    kleine en middelgrote ondernemingen: ondernemingen als bedoeld in bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • g.

    grote ondernemingen: ondernemingen die geen kleine en middelgrote ondernemingen zijn;

  • h.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L 214).

Paragraaf

2

Algemene bepalingen

Artikel

1.2

Subsidie en subsidieplafond

Artikel

1.3

Subsidiabele kosten

Paragraaf

3

Subsidieverlening

Artikel

1.4

Aanvraag tot subsidieverlening

Artikel

1.5

Aanvraagperiode

Artikel

1.6

Drempelbedrag

Artikel

1.7

Beschikking tot subsidieverlening

Artikel

1.8

Toelatingscriteria

Artikel

1.9

Beoordeling

Paragraaf

4

Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel

1.10

Artikel

1.11

Artikel

1.12

Artikel

1.13

Paragraaf

5

Voorschotten en termijnbetalingen

Artikel

1.14

Aanvraag tot voorschotverlening

Artikel

1.15

Beschikking tot voorschotverlening

De Minister kan afwijzend beschikken op een aanvraag om een voorschot of een voorschot in de vorm van een termijnbetaling, indien de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan ingevolge de subsidieverlening voor hem geldende verplichtingen, dan wel indien hij failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Paragraaf

6

Subsidievaststelling

Artikel

1.16

Aanvraag tot subsidievaststelling

Artikel

1.17

Beschikking tot subsidievaststelling

Artikel

1.18

Wettelijke rente bij terugvordering

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente die wordt berekend over de periode die verstrijkt tussen de kennisgeving van de terugvorderingsverplichting aan de subsidieontvanger en de terugbetaling door de subsidieontvanger.

Paragraaf

7

Voorschotverlening bij schatkistbankieren

Artikel

1.19

Voorschotverlening lagere overheden en privaatrechtlijke rechtspersonen

Indien de subsidieaanvrager een lagere overheid of een privaatrechtelijk rechtspersoon is, waarbij gebruik gemaakt wordt van schatkistbankieren als bedoeld in de Regeling verlening voorschotten 2007, geldt in afwijking van de artikelen 1.14 en 1.15 met betrekking tot voorschotverlening het volgende:

  • a.

    in het geval van een lagere overheid kan de Minister een uit te keren jaartermijn tot maximaal 100% bevoorschotten zo spoedig mogelijk in aansluiting op de subsidieverlening en vervolgens aan het begin van een jaar;

  • b.

    in het geval van een privaatrechtelijke rechtspersoon kan de Minister een uit te keren jaartermijn tot maximaal 80% bevoorschotten zo spoedig mogelijk in aansluiting op de subsidieverlening en vervolgens aan het begin van een jaar;

  • c.

    indien een bevoorschotting als bedoeld onder a en b wordt toegepast, wordt het voorschot in rekening-courant bij het Ministerie van Financiën aangehouden.

Artikel

1.20

Subsidievaststelling lagere overheden

Hoofdstuk

2

Steun aan bestuursorganen, niet-gouvernementele organisaties en particulieren

Artikel

2.1

Reikwijdte

Uitsluitend projecten die worden uitgevoerd door een bestuursorgaan, door een niet-gouvernementele organisatie, of door een particulier, niet zijnde een onderneming, komen in aanmerking voor subsidie.

Artikel

2.2

Hoogte van de subsidie

Artikel

2.3

Subsidiabele kosten

De volgende kosten komen in aanmerking voor subsidie:

  • a.

    loonkosten of kosten voor eigen arbeid, mits deze rechtstreeks betrekking hebben op het project;

  • b.

    kosten van verbruikte materialen en verbruikte hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;

  • c.

    kosten in verband met aankoop van tweedehands materialen, mits de prijs redelijk is en het materiaal vergezeld gaat van een verklaring van de verkoper omtrent de herkomst van het materiaal;

  • d.

    kosten van duurzame kapitaalgoederen, bijvoorbeeld machines en apparatuur;

  • e.

    kosten van grond;

  • f.

    kosten van aan derden uitbestede activiteiten mits sprake is van marktconforme prijzen;

  • g.

    een opslag voor algemene kosten, tot ten hoogste 20 procent van de onder a bedoelde kosten.

Artikel

2.4

Samenloop

Indien een project gedeeltelijk uit anderen hoofde wordt gesubsidieerd, wordt in afwijking van artikel 1.2, tweede lid, het subsidiebedrag zodanig vastgesteld dat het totaal van alle subsidies voor dat project ten hoogste 100 procent van de subsidiabele kosten op grond van dit hoofdstuk bedraagt.

Hoofdstuk

3

Milieubescherming

Paragraaf

3.1

Algemene bepalingen

Artikel

3.1

Reikwijdte

Artikel

3.2

Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a.
milieubescherming:

elke maatregel die is gericht op de preventie of het herstel van aantastingen van de natuurlijke omgeving of de natuurlijke hulpbronnen door de eigen activiteiten van de subsidieaanvrager, op het beperken van het risico op dergelijke aantastingen, dan wel op de aanmoediging van een rationeler gebruik van die hulpbronnen, met inbegrip van energiebesparende maatregelen en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen;

b.
energiebesparende maatregelen:

alle maatregelen die ondernemingen in staat stellen het energieverbruik in met name hun productiecyclus te verminderen;

c.
communautaire norm:
  • 1°.

    een verplichte communautaire norm waarbij de op milieugebied te bereiken normen per onderneming zijn vastgesteld, of

  • 2°.

    de verplichting op grond van richtlijn nr. 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging de beste beschikbare technieken te gebruiken, zoals uiteengezet in de meest recente relevante informatie die de Commissie van de Europese Gemeenschappen overeenkomstig artikel 17, tweede lid, van die richtlijn heeft bekendgemaakt;

d.
hernieuwbare energiebronnen:

de volgende hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen: windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;

e.
biobrandstof:

vloeibare of gasvormige brandstof voor vervoer die uit biomassa is gewonnen;

f.
duurzame biobrandstoffen:

biobrandstoffen die voldoen aan de duurzaamheidscriteria van artikel 15 van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, welke criteria van toepassing zijn zodra de richtlijn door het Europees Parlement en de Raad is aangenomen en in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt;

g.
energie uit hernieuwbare energiebronnen:

energie opgewekt met installaties waarbij uitsluitend van hernieuwbare energiebronnen wordt gebruikgemaakt, alsmede het aandeel in calorische waarde van de met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties opgewekte energie die ook met conventionele energiebronnen werken, waaronder begrepen voor accumulatiesystemen gebruikte hernieuwbare elektriciteit en waaronder niet begrepen elektriciteit die van dergelijke systemen afkomstig is;

h.
warmtekrachtkoppeling:

gelijktijdige opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en mechanische energie;

i.
hoogrenderende warmtekrachtkoppeling:

warmtekrachtkoppeling die voldoet aan de criteria van bijlage III bij de richtlijn inzake de bevorderingen van warmtekrachtkoppeling en aan de geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden zoals die in de beschikking tot vaststelling van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden zijn vastgesteld;

j.
materiële activa:

investeringen in gronden, wanneer deze absoluut noodzakelijk zijn om aan de milieudoelstellingen te voldoen, gebouwen, installaties en uitrustingen, met als doel vervuiling en hinder te beperken of te beëindigen, en investeringen om de productiemethoden aan te passen met het oog op de bescherming van het milieu;

k.
richtlijn inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling:

richtlijn nr. 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de bevorderingen van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van richtlijn 92/42/EEG;

l.
beschikking tot vaststelling van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden:

beschikking nr. 2007/74/EG tot vaststelling van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden voor de gescheiden productie van elektriciteit en warmte in toepassing van richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad.

Paragraaf

3.2

Subsidie voor ondernemingen die verder gaan dan communautaire normen of die, bij ontstentenis van communautaire normen, het niveau van milieubescherming doen toenemen

Artikel

3.3

Hoogte van de subsidie

Artikel

3.4

Subsidiabele kosten

Artikel

3.5

Voorwaarden

Paragraaf

3.3

Subsidie voor de aanschaf van nieuwe schepen die verder gaan dan de communautaire normen of die bij ontstentenis van communautaire normen het niveau van milieubescherming doen toenemen

Artikel

3.6

Hoogte van de subsidie

Artikel

3.7

Subsidiabele kosten

Artikel

3.8

Voorwaarden

Een subsidieaanvrager komt in aanmerking voor subsidie indien:

  • a.

    dankzij de investering de subsidieaanvrager het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming kan doen toenemen, door verder te gaan dan de geldende communautaire normen, ongeacht of er nationale normen bestaan die strenger zijn dan de communautaire norm;

  • b.

    dankzij de investering de subsidieaanvrager het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming kan doen toenemen bij ontstentenis van communautaire normen;

  • c.

    de aanschaf van de nieuwe schepen geschiedt voor de inwerkingtreding van de nieuwe communautaire normen, tenzij deze nieuwe normen, zodra deze verplicht worden, met terugwerkende kracht op reeds aangeschafte schepen van toepassing zullen zijn, of

  • d.

    bestaande schepen worden aangepast aan milieunormen die nog niet van kracht waren op het tijdstip dat die bedrijfsmiddelen in bedrijf werden genomen of indien voor de schepen geen milieunormen van toepassing zijn.

Paragraaf

3.4

Subsidie voor milieustudies

Artikel

3.9

Hoogte van de subsidie

Artikel

3.10

Subsidiabele kosten

De kosten van de studie zijn subsidiabel.

Paragraaf

3.5

Subsidie voor het gebruik van hernieuwbare energiebronnen

Artikel

3.11

Hoogte van de subsidie

Artikel

3.12

Subsidiabele kosten

Artikel

3.13

Voorwaarden

Ingeval van productie van biobrandstoffen wordt slechts subsidie verleend voor de productie van duurzame biobrandstoffen.

Paragraaf

3.6

Subsidie voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling

Artikel

3.14

Hoogte van de subsidie

Artikel

3.15

Subsidiabele kosten

Artikel

3.16

Voorwaarden

Een subsidieaanvrager komt voor subsidie in aanmerking, indien:

  • a.

    de nieuwe warmtekrachtkoppelingeenheid in totaal besparingen behaalt van primaire energie ten opzichte van de gescheiden productie als gedefinieerd in de richtlijn inzake de bevorderingen van warmtekrachtkoppeling en de beschikking tot vaststelling van geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden, of

  • b.

    de verbetering van een bestaande warmtekrachtkoppelingeenheid of verbouwing van een bestaande stroomproductie-eenheid tot een warmtekrachtkoppelingeenheid resulteert in besparingen van primaire energie ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.

Hoofdstuk

4

Onderzoek, ontwikkeling en innovatie

Paragraaf

4.1

Algemene bepalingen

Artikel

4.1

Reikwijdte

Artikel

4.2

Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a.
onderzoeksorganisatie:

een entiteit, zoals een universiteit, ongeacht haar rechtsvorm, publiek- of privaatrechtelijke organisatie, of financieringswijze die zich in hoofdzaak bezighoudt met het verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling en het verspreiden van de resultaten daarvan door middel van onderwijs, publicaties of technologieoverdracht, met dien verstande dat:

  • 1°.

    alle winst opnieuw wordt geïnvesteerd in die activiteiten, in de verspreiding van de resultaten daarvan, of in onderwijs, en

  • 2°.

    de ondernemingen die invloed op een onderzoeksorganisatie kunnen uitoefenen door middel van bijvoorbeeld aandeelhouders of leden van de organisatie, geen preferente toegang genieten tot de onderzoekscapaciteit van een dergelijke organisatie of tot de resultaten van haar onderzoek;

b.
industrieel onderzoek:

planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, productiemethoden of diensten, of om bestaande producten, productiemethoden of diensten aanmerkelijk te verbeteren, met dien verstande dat het onderzoek de vervaardiging van onderdelen van complexe systemen omvat die noodzakelijk is voor industrieel onderzoek, met name voor algemene validering van technologieën, met uitzondering van prototypes;

c.
experimentele ontwikkeling:

ontwikkeling van producten, productiemethoden of diensten, met dien verstande dat:

  • 1°.

    daaronder kan worden verstaan het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor plannen, schema’s of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of verbeterde producten, productiemethoden of diensten die de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve producten, productiemethoden of diensten die het maken van ontwerpen, tekeningen, plannen en andere documentatie kunnen omvatten, voor zover zij niet voor commercieel gebruik zijn bestemd;

  • 2°.

    daaronder kan worden verstaan de ontwikkeling van commercieel bruikbare prototypes en proefprojecten, indien het prototype het commerciële eindproduct is en de productie ervan te duur is om alleen voor demonstratie en validatiedoeleinden te worden gebruikt;

  • 3°.

    daaronder niet kan worden verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;

d.
hooggekwalificeerd personeel:

universitair geschoolde onderzoekers, ingenieurs, ontwerpers en marketingmanagers met een tertiaire opleiding en ten minste vijf jaar relevante beroepservaring, waarbij doctoraatsopleidingen kunnen meetellen als relevante beroepservaring;

e.
detachering:

de tijdelijke indienstneming van personeel door een subsidieaanvrager gedurende een bepaalde periode, waarna het personeel het recht heeft naar zijn vorige werkgever terug te keren.

Paragraaf

4.2

Subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten

Artikel

4.3

Hoogte van de subsidie

Artikel

4.4

Subsidiabele kosten

Artikel

4.5

Voorwaarden

Bij het verlenen van subsidie voor een onderzoeks- en ontwikkelingsproject waarbij onderzoeksorganisaties en ondernemingen samenwerken, overschrijdt het gecumuleerde subsidiebedrag van rechtstreekse overheidssubsidie ten behoeve van een specifiek project en van bijdragen van onderzoeksorganisaties voor dat project, voor zover deze subsidie inhouden, niet de voor elke begunstigde onderneming van toepassing zijnde subsidiedrempels als bedoeld in artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Paragraaf

4.3

Subsidie voor technische haalbaarheidsstudies

Artikel

4.6

Hoogte van de subsidie

Artikel

4.7

Subsidiabele kosten

De kosten van de studie zijn subsidiabel.

Paragraaf

4.4

Subsidie voor kleine en middelgrote ondernemingen ten behoeve van de kosten voor industriële eigendomsrechten

Artikel

4.8

Hoogte van de subsidie

Artikel

4.9

Subsidiabele kosten

De volgende kosten zijn subsidiabel:

  • a.

    alle kosten die worden gemaakt voor de verlening van het recht in het eerste rechtsgebied, daaronder begrepen de kosten met betrekking tot de voorbereiding, indiening en verdere afhandeling van de aanvraag, alsmede de kosten van een hernieuwde aanvraag voordat het recht is verleend;

  • b.

    vertaalkosten en andere kosten die worden gemaakt met het oog op de verkrijging of validering van het recht in andere rechtsgebieden;

  • c.

    kosten ter verzekering van de geldigheid van het recht tijdens de officiële afhandeling van de aanvraag en mogelijke oppositieprocedures, zelfs indien dergelijke kosten worden gemaakt na verlening van het recht.

Paragraaf

4.5

Subsidie voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten in de landbouw- en visserijsector

Artikel

4.10

Hoogte van de subsidie

Artikel

4.11

Subsidiabele kosten

Ten aanzien van de subsidiabele kosten is artikel 4.4, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel

4.12

Voorwaarden

Paragraaf

4.6

Subsidie voor jonge innoverende ondernemingen

Artikel

4.13

Hoogte van de subsidie

Artikel

4.14

Subsidiabele kosten

De kosten van de onderneming zijn subsidiabel.

Artikel

4.15

Voorwaarden

Paragraaf

4.7

Subsidie voor innovatieadviesdiensten en voor diensten inzake innovatieondersteuning

Artikel

4.16

Hoogte van de subsidie

Artikel

4.17

Subsidiabele kosten

Artikel

4.18

Voorwaarden

De diensten worden tegen de marktprijs ingekocht, of indien de subsidieaanvrager een entiteit zonder winstoogmerk is, tegen een prijs die de volledige kosten plus een redelijke marge weergeeft.

Paragraaf

4.8

Subsidie voor het uitlenen van hooggekwalificeerd personeel

Artikel

4.19

Hoogte van de subsidie

Artikel

4.20

Subsidiabele kosten

De personeelskosten voor het uitlenen en in dienst hebben van hooggekwalificeerd personeel, met inbegrip van de kosten voor het inzetten van een wervings- en selectiebureau, alsmede een mobiliteitspremie voor de gedetacheerde werknemers, zijn subsidiabel.

Artikel

4.21

Voorwaarden

Hoofdstuk

5

Landbouw

Paragraaf

5.1

Algemene bepalingen

Artikel

5.1

Reikwijdte

Artikel

5.2

Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    landbouwproducten: de producten, opgenomen in bijlage 1 bij het EG-Verdrag, de producten van GN-codes 4502, 4503 en 4504 (kurkproducten) en producten die bedoeld zijn om melk en zuivelproducten te imiteren of te vervangen, met uitzondering van de producten die vallen onder Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur;

  • b.

    kwaliteitsproduct: een product dat voldoet aan de op grond van artikel 32 van verordening (EG) nr. 1698 /2005 vast te stellen criteria;

  • c.

    verwerking van een landbouwproduct: elke bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat ook een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op het landbouwbedrijf die nodig zijn om een dierlijk of plantaardig product gereed te maken voor de eerste verkoop;

  • d.

    afzet van een landbouwproduct: het in voorraad hebben of uitstallen met het oog op verkoop, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkers en welke activiteit ook waarbij een product wordt gereedgemaakt voor een dergelijke eerste verkoop.

Paragraaf

5.2

Investeringen in landbouwbedrijven

Artikel

5.3

Hoogte van de subsidie

Artikel

5.4

Subsidiabele kosten

De volgende kosten zijn subsidiabel:

  • a.

    de bouw, verwerving of verbetering van onroerende zaken;

  • b.

    de koop of huurkoop van machines en materieel, met inbegrip van computerprogrammatuur, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

  • c.

    algemene kosten in verband met de in onderdeel a en b genoemde kosten, met inbegrip van kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs, haalbaarheidsstudies en het verkrijgen van octrooien en licenties.

Artikel

5.5

Voorwaarden

Een subsidieaanvrager komt in aanmerking voor subsidie, indien:

  • a.

    de landbouwonderneming economisch levensvatbaar is;

  • b.

    de investering verder gaat dan de bestaande communautaire of nationale normen.

Paragraaf

5.3

Instandhouding traditionele landschappen en gebouwen

Artikel

5.6

Hoogte van de subsidie

Artikel

5.7

Subsidiabele kosten

De volgende kosten zijn subsidiabel:

  • a.

    de werkelijk gemaakte kosten van de investeringen of kapitaaluitgaven;

  • b.

    bij investeringen of kapitaaluitgaven voor de instandhouding van niet-productieve erfgoedelementen op landbouwbedrijven, een redelijke vergoeding voor de door de landbouwer zelf of door diens werknemers ten behoeve van het project verrichte werkzaamheden, tot een maximumbedrag van € 10 000 per jaar.

Paragraaf

5.4

Verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen in het algemeen belang

Artikel

5.8

Hoogte van de subsidie

Artikel

5.9

Subsidiabele kosten

De werkelijk gemaakte kosten van de verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw in het algemeen belang zijn subsidiabel.

Paragraaf

5.5

Bevordering van de productie van kwaliteitslandbouwproducten

Artikel

5.10

Hoogte van de subsidie

Artikel

5.11

Subsidiabele kosten

Paragraaf

5.6

Technische ondersteuning

Artikel

5.12

Hoogte van de subsidie

Artikel

5.13

Subsidiabele kosten

De volgende kosten zijn subsidiabel:

  • a.

    onderwijs- en opleidingskosten voor landbouwers en bedrijfsmedewerkers met inbegrip van kosten die met het organiseren van het opleidingsprogramma zijn gemoeid, reis- en verblijfkosten van de deelnemers, kosten van vervangende diensten tijdens de afwezigheid van de landbouwer of een bedrijfsmedewerker;

  • b.

    bij bedrijfsvervangingsdiensten, de werkelijke kosten van de vervanging van de landbouwer, de partner van de landbouwer of een bedrijfsmedewerker, tijdens ziekte of vakantie;

  • c.

    bij door derden geleverde adviesdiensten, de kosten van diensten die niet van permanente of periodieke aard zijn en niet tot de gewone bedrijfsuitgaven van de landbouwonderneming behoren zoals routinematig belastingadvies, regelmatige dienstverlening op juridisch gebied of reclame;

  • d.

    bij de organisatie van en de deelname aan fora voor de uitwisseling van kennis tussen bedrijven, wedstrijden, tentoonstellingen en beurzen: de deelnamekosten, de reiskosten, de kosten van publicaties, de huur van de expositieruimte en de symbolische prijzen die in het kader van wedstrijden worden uitgereikt met een maximumwaarde van € 250,00 per prijs per winnaar;

  • e.

    de kosten van publicaties met inbegrip van catalogi of websites met feitelijke informatie over producenten uit een bepaald gebied of producenten van een bepaald product, mits de informatie en de presentatie neutraal zijn en alle producenten dezelfde kans hebben om in de publicatie aan bod te komen.

Hoofdstuk

6

Visserij

Paragraaf

6.1

Algemene bepalingen

Artikel

6.1

Reikwijdte

Artikel

6.2

Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    visserijsector: de economische sector bestaande in al hetgeen productie, verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten inhoudt;

  • b.

    vissersvaartuig: vaartuig in de zin van artikel 3, onderdeel c van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PbEG L 358);

  • c.

    visserijproducten: alle producten van de visvangst op zee en in de binnenwateren en van de aquacultuur, als genoemd in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur;

  • d.

    aquacultuur: de kweek of teelt van aquatische organismen, die tijdens de gehele fase van de kweek of de teelt tot en met de oogst eigendom blijven van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, waarbij technieken worden gebruikt om de aangroei van de betrokken organismen te verhogen tot boven de natuurlijke capaciteiten van het milieu;

  • e.

    verwerking en afzet: alle handelingen, met inbegrip van de behandeling, de bewerking, de productie en de distributie, tussen het moment van de aanlanding of oogst en de fase van het eindproduct;

  • f.

    kleinschalige kustvisserij: visserij door vissersvaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 meter die geen gebruikmaken van gesleept vistuig als genoemd in tabel 3 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie van 30 december 2003 betreffende het communautaire gegevensbestand over de visserijvloot (PbEU L 5);

  • g.

    kleine, middelgrote en micro-ondernemingen: kleine, middelgrote

  • h.

    en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU L 124).

Artikel

6.3

Subsidiabele kosten

Paragraaf

6.2

Investeringen in de visserijsector

Artikel

6.4

Artikel

6.5

Voorwaarden

Een subsidieaanvrager komt in aanmerking voor subsidie, indien:

  • a.

    het vissersvaartuig vijf jaar of ouder is;

  • b.

    de vangstcapaciteit van het vissersvaartuig niet toeneemt, en

  • c.

    het vistuig niet meer dan tweemaal vervangen wordt per periode van 5 jaar.

Paragraaf

6.3

Kleinschalige kustvisserij

Artikel

6.6

Paragraaf

6.4

Sociaal-economische maatregelen

Artikel

6.7

Paragraaf

6.5

Investeringen in verwerking en afzet

Artikel

6.8

Paragraaf

6.6

Nieuwe markten en promotiecampagnes

Artikel

6.9

Artikel

6.10

Voorwaarden

Een subsidieaanvrager komt in aanmerking voor subsidie indien:

  • a.

    het project is gericht op handelsmerken, of

  • b.

    er wordt verwezen naar specifieke landen of geografische gebieden, tenzij het producten betreft die zijn erkend op grond van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PbEU L 93).

Hoofdstuk

7

De-minimissteun

Paragraaf

7.1

Algemeen

Artikel

7.1

Reikwijdte

Artikel

7.2

Subsidiabele kosten

Artikel

7.3

Hoogte van de subsidie

Paragraaf

7.2

Visserij en aquacultuur

Artikel

7.4

Reikwijdte

Artikel

7.5

Subsidiabele kosten

Artikel

7.6

Hoogte van de subsidie

Paragraaf

7.3

Landbouw

Artikel

7.7

Reikwijdte

Artikel

7.8

Subsidiabele kosten

Artikel

7.9

Hoogte van de subsidie

Artikel

7.10

Voorwaarden

In aanvulling op artikel 1.7, vierde lid, wordt in de beschikking tot subsidieverlening uitdrukkelijk vermeld dat sprake is van de-minimissteun.

Hoofdstuk

8

Overige bepalingen

Artikel

8.1

Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet op het Waddenfonds in werking treedt.

Artikel

8.2

Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Wet op het Waddenfonds.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J.M.Cramer

Bijlage

behorend bij de artikelen 7.3, derde lid, 7.6, derde lid, en 7.9, derde lid

Modelverklaring de-minimissteun: