De ondernemer onderzoekt eendagskuikens op Salmonella overeenkomstig de werkvoorschriften als opgenomen in Bijlage III. Hiervoor worden dons, eierschalen, of inlegvellen uit uitkomstladen bemonsterd en geanalyseerd door een door de voorzitter erkend laboratorium.
2
Wanneer met het in het eerste lid bedoelde onderzoek Salmonella is aangetoond, laat de ondernemer het genomen monster serotyperen door een door de voorzitter erkend laboratorium.
3
De resultaten van de analyse als bedoeld in het eerste lid en van de serotypering als bedoeld in het tweede lid worden door of namens de ondernemer schriftelijk gemeld aan de leverancier van de broedeieren.
Artikel
4
1
De resultaten van de analyse als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en van de serotypering als bedoeld in artikel 3, tweede lid, worden schriftelijk door de ondernemer vastgelegd en door of namens de ondernemer schriftelijk gemeld aan het productschap.
De ondernemer geeft de naam en het KIP-nummer van het herkomstbedrijf van de broedeieren waaruit de eendagskuikens zijn uitgebroed, door middel van het koppelpaspoort of meldingsformulier door aan de afnemer van de eendagskuikens.
Artikel
5
1
De ondernemer werkt overeenkomstig een door de voorzitter goedgekeurd plan, dat voldoet aan het bepaalde in bijlage IV, waarin is beschreven op welke wijze de kuikenbroederij wordt ingericht en op welke wijze in de kuikenbroederij wordt gewerkt, zodat in de kuikenbroederij en tijdens het transport geen kruisbesmetting van Salmonella kan ontstaan.
2
Broedeieren worden ingelegd volgens de indeling zoals opgenomen in bijlage V teneinde kruisbesmetting met Salmonella te voorkomen.
Artikel
6
1
Dit besluit kan worden aangehaald als: Hygiënebesluit kuikenbroederijen pluimveevleessector (PPE) 2007.
2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van de dagtekening in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie, waarin het wordt geplaatst.
Zoetermeer
J.J.Ramekersvoorzitter
S.B.M.Jongeriussecretaris
Goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij beschikking van 6 augustus 2007, nr. TRCJZ/2007/2047.
Bijlage
I
: Hygiëneonderzoeken in de broederij
Procedure
De broederijen worden ingedeeld naar grootte: klein, middelgroot en groot. Afhankelijk van de grootte van de broederijen wordt het aantal te onderzoeken locaties bepaald. Indeling van de broederijen wordt gebaseerd op het aantal ingelegde broedeieren per week.
Kleiner of gelijk aan 500.000
Klein
Groter dan 500.000 en kleiner of gelijk aan 1.000.000
Middelgroot
Groter dan 1.000.000
Groot
De broederijen dienen gecontroleerd te worden op een tijdstip dat de ruimten na het ontsmetten zijn opgedroogd, het desinfectans zijn werk heeft gedaan en het oppervlak nog niet bezoedeld is door de uitvoering van de werkzaamheden.
De ruimten waarin niet routinematig gewerkt wordt, worden op onverwachte tijdstippen gecontroleerd. Dit kortere onderzoek vindt tweemaal per jaar plaats en staat beschreven in onderdeel A: ‘Onderzoek routine’.
De gehele broederij wordt twee keer per jaar volledig gecontroleerd. Hiervoor wordt van tevoren een afspraak gemaakt met de betreffende broederij. De controle wordt beschreven in onderdeel B: ‘Onderzoek speciaal’.
De beide type onderzoeken worden door of namens de GD uitgevoerd. Onder voorwaarden kan een broederij het onderzoek van onderdeel A: ‘Onderzoek routine’ zelf uitvoeren. Deze voorwaarden staan beschreven in bijlage II van dit besluit.
Alle aangegeven onderdelen moeten voor het broederij-gemiddelde worden meegerekend.
Indien het onderdeel niet bemonsterd kan worden dient dit vermeld te worden op het uitslagformulier. Van elk lokaal wordt een lokaal gemiddelde berekend. Het totaal gemiddelde wordt berekend door de gemiddelden van alle lokalen- en kasten op te tellen en te delen door de som van het aantal lokalen + kasten (gemiddelde van de gemiddelden).
De monstername, afhankelijk van de bedrijfsgrootte van de broederij, wordt uitgevoerd met een veelvoud van 12 rodacplaatjes met een diameter van 5.5 cm.
De verwerking van de monsters voor het hygiëneonderzoek bij broederijen dient plaats te vinden zoals beschreven in bijlage II van het Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen HOSOWO-instanties 2007.
0
0
1 t/m 40
1
41 t/ 120
2
121 t/m 400
3
> 400
4
Ontelbaar
5
Aanvoerlokaal +
vloer
2
2
eiersorteer
inventaris
1
transportkar
1
1
Hygiënesluis
vloer
1
wand
1
Afraaplokaal
vloer
2
inventaris
2
Kantine
vloer
1
2
tafel
1
1
Spoelruimte
vloer
2
inventaris
2
2
bak
1
2
Kleedlokaal
vloer
2
Schouwlokaal
vloer
1
1
inventaris
1
2
Gang
vloer
2
Marek depot
vloer
2
tafel
1
Afvoergarage
vloer
2
1 voorbroedlokaal
vloer
2
2
wand
1
1 uitkomstlokaal
vloer
2
2
wand
1
2 voorbroedkasten
vloer
2 x 2
2 x 2
wand
2 x 1
eieren
2 x 1
2 x 1
1
vloer
1 x 2
1 x 2
uitkomstkast
wand
1 x 1
plafond
1 x 1
Negatieve controle
1
1
Totaal
24
49
Aanvoerlokaal +
vloer
2
2
eiersorteer
inventaris
1
transportkar
1
1
Hygiënesluis
vloer
1
wand
1
Afraaplokaal
vloer
2
inventaris
2
Kantine
vloer
1
2
tafel
1
1
Spoelruimte
vloer
2
inventaris
2
2
bak
1
2
Kleedlokaal
vloer
2
Schouwlokaal
vloer
1
1
inventaris
1
2
Gang
vloer
2
Marek depot
vloer
2
tafel
1
Afvoergarage
vloer
2
2 voorbroedlokalen
vloer
2 x 2
2 x 2
wand
2 x 1
2 uitkomstlokalen
vloer
2 x 2
2 x 2
wand
2 x 1
4 voorbroedkasten
vloer
4 x 2
4 x 2
wand
4 x 1
eieren
4 x 1
4 x 1
2 of 3 uitkomstkasten
vloer
2 x 2
3 x 2
wand
3 x 1
plafond
3 x 1
Negatieve controle
1
1
Totaal
36
71
Aanvoerlokaal +
vloer
2
2
eiersorteer
inventaris
1
transportkar
1
1
Hygiënesluis
vloer
1
wand
1
Afraaplokaal
vloer
2
inventaris
2
Kantine
vloer
1
2
tafel
1
1
Spoelruimte
vloer
2
inventaris
1
2
bak
1
2
Kleedlokaal
vloer
2
Schouwlokaal
vloer
1
1
inventaris
1
2
Gang
vloer
2
Marek depot
vloer
2
tafel
1
Afvoergarage
vloer
2
4 voorbroedlokalen
vloer
4 x 2
4 x 2
wand
4 x 1
3 uitkomstlokalen
vloer
3 x 2
3 x 2
wand
3 x 1
5 voorbroedkasten
vloer
5 x 2
6 x 2
wand
6 x 1
eieren
5 x 1
6 x 1
4 of 5 uitkomstkasten
vloer
4 x 2
5 x 2
wand
5 x 1
plafond
5 x 1
Negatieve controle
1
1
Totaal
48
96
Salmonella onderzoek tijdens hygiënebemonstering
In de broederij moet tijdens alle bezoeken voor de hygiënebemonstering een Salmonella onderzoek worden uitgevoerd. Doel van dit onderzoek is het controleren of eventueel, via de eieren, ingesleepte Salmonella in de broederij achterblijven en zich in de broederij verspreiden. Het doel is niet het aantonen van eventueel besmette koppels kuikens.
Het Salmonella onderzoek bestaat uit een monstername van 60 swabs. De swabs worden tijdens de monstername bevochtigd met Pepton/Fysiologisch-zout. Per swab wordt een oppervlakte van 25 cm2 bemonsterd. De swabs worden, per 20 stuks, verzameld in één pot.
De volgende locaties dienen te worden bemonsterd:
Aanvoerlokaal + eiersorteer
vloer
5
1
inventaris
2
containers
2
Kleedlokaal
vloer
3
1
inventaris
2
wc
1
Kantine
vloer
3
1
inventaris
2
Voorbroedlokalen
vloer
6
2
Voorbroedkasten en gereinigde uitkomstkasten
vloer
14
2
Spoelruimte
vloer
3
3
krattenwasser
1
inventaris
2
Schouwlokaal
vloer
3
3
inventaris
3
Afraaplokaal
vloer
5
3
inventaris
3
Er wordt geen onderverdeling gemaakt op basis van de grootte van de broederij. Op alle broederijen wordt een zelfde onderzoeks(schema) gehanteerd.
Beoordeling en actie
Beoordeling
De beoordeling is gebaseerd op het hoogste gemiddelde van de lokalen/kasten en een totaal gemiddelde van de broederij. Op basis van de gemiddelden en de aanwezigheid van Salmonella dient actie te worden ondernomen.
1. Resultaat hygiëneonderzoek lokaal/kast
Het gemiddelde van de resultaten van de hygiëneonderzoeken per lokaal of kast mag niet hoger zijn dan 3, tenzij de monsternemer aangegeven heeft dat tijdens de monstername dusdanige werkzaamheden werden uitgevoerd dat deze de uitslag beïnvloeden. In dit geval wordt het genoemde gemiddelde niet meegenomen in de totaal beoordeling. In geval een lokaal/kast gemiddelde boven de 3 uitkomt dient de uitslag bij het volgende onderzoek minimaal voldoende te zijn. Indien, het betreffende lokaal of kast, wederom een gemiddelde van 3 of hoger scoort dient binnen een tijdsperiode van 2 maanden een extra ‘onderzoek speciaal’ te worden uitgevoerd.
Lokaal- of kast gemiddelde (individuele beoordeling)
Kleiner of gelijk aan 1
zeer goed
geen
Groter dan 1 en kleiner of gelijk aan 2
goed
geen
Groter dan 2 en kleiner of gelijk aan 3
voldoende
geen
Groter dan 3
onvoldoende
lokaal- of kastgemiddelde van de volgende bemonstering minimaal voldoende, anders een extra ‘onderzoek speciaal' binnen 2 maanden.
Het gemiddelde van de resultaten van de hygiëneonderzoeken van de verschillende lokalen of kast op een broederij mag niet hoger zijn dan 3.0. In geval het gemiddelde van een broederij boven de 3 uitkomst, dient, binnen een periode van 1 maand, een extra `onderzoek speciaal' te worden uitgevoerd. Wanneer het gemiddelde van een broederij groter is dan 2.0 en kleiner is dan 3.0 dan dient, binnen een periode van 2 maanden, een extra `onderzoek speciaal' te worden uitgevoerd. Als het gemiddelde van een broederij groter is dan 1.5 en kleiner dan 2.0 dient het gemiddelde van de broederij bij een volgende bemonstering minimaal voldoende te zijn. Wanneer bij een volgende bemonstering wederom het gemiddelde tussen de 1.5 en 2.0 bedraagt dient, binnen een periode van 2 maanden, een extra `onderzoek speciaal' te worden uitgevoerd.
0
uitstekend
geen
Groter dan 0.0 en kleiner of gelijk aan 0.5
zeer goed
geen
Groter dan 0.5 en kleiner of gelijk aan 1.0
goed
geen
Groter dan 1.0 en kleiner of gelijk aan 1.5
voldoende
geen
Groter dan 1.5 en kleiner of gelijk aan 2.0
onvoldoende
broederij gemiddelde van de volgende bemonstering dient minimaal voldoende te zijn, anders een extra ‘onderzoek speciaal' binnen 2 maanden
Groter dan 2.0 en kleiner of gelijk aan 3.0
slecht
extra ‘onderzoek speciaal' binnen 2 maanden
Groter dan 3.0
zeer slecht
extra ‘onderzoek speciaal' binnen 1 maand
Bijlage
II
: Voorwaarden voor het uitvoeren van onderdelen van het hygiëneonderzoek door de ondernemer zelf
Het programma voor hygiëneonderzoeken zoals beschreven in Bijlage I bestaat uit een uitgebreid aangekondigd onderzoek dat twee maal per jaar zal plaatsvinden en uit twee kortere onderzoeken. Het routine hygiëneonderzoek (onderdeel A uit Bijlage I) kan door de broederijen zelf worden uitgevoerd, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
1.
Het hygiëneonderzoek wordt uitgevoerd op de wijze zoals in het protocol van Bijlage I beschreven; en
2.
De resultaten van de uitgebreide hygiëneonderzoeken zijn tenminste voldoende; en
3.
Het hygiëneonderzoek wordt uitgevoerd op het moment dat de broederij niet in bedrijf is. Dit houdt in dat het hygiëneonderzoek plaatsvindt nadat het verplicht reinigen en ontsmetten heeft plaatsgevonden en voordat de werkzaamheden weer worden hervat;
4.
De analyse van de monsters wordt uitgevoerd bij een door de voorzitter erkende HOSOWO-instantie.
De resultaten van het onderzoek worden meegenomen in de controle van het Actieplan Salmonella van de broederijen. Wanneer uit de resultaten van de toetsing blijkt dat de korte hygiëneonderzoeken niet correct worden uitgevoerd of na de beoordeling niet de juiste actie is genomen dan wordt het korte hygiëneonderzoek gedurende één jaar weer uitgevoerd door of namens GD.
Het halfjaarlijkse uitgebreide onderzoek wordt door of namens de GD uitgevoerd. Wanneer de resultaten van het uitgebreide onderzoek onvoldoende of slecht zijn dan wordt door of namens GD de korte onderzoeken opnieuw uitgevoerd, totdat uit twee opeenvolgende uitgebreide onderzoeken blijkt dat de broederij weer tenminste voldoende scoort voor de uitgebreide onderzoeken.
Bijlage
III
: Werkvoorschrift voor het nemen van monsters op de kuikenbroederij
Doel
Dit werkvoorschrift beschrijft of monstername van dons, meconium, liggenblijvers, eierschalen en inlegvellen uit uitkomstladen in kuikenbroederijen voor de verplichte monitoring zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit. De monsters worden genomen door een medewerker van de broederij.
Ondernemers die een fokbedrijf of een vermeerderingsbedrijf uitoefenen dienen het op het bedrijf aanwezige fokpluimvee en/of vermeerderingspluimvee te laten onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. De bemonstering bestaat uit een reguliere monstername en een officiële monstername. Voor de reguliere monstername zijn er twee mogelijkheden, bemonstering van het koppel op het fok- of vermeerderingsbedrijf of bemonstering van het koppel op de broederij. In artikel 4 lid, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat de standaard voor de reguliere monstername bemonstering op het fok- of vermeerderingsbedrijf is. In dit geval dient op de broederij dons, meconium of liggenblijvers onderzocht te worden. Deze monstername is in onderdeel A van deze bijlage beschreven. De ondernemer van een fok- of vermeerderingsbedrijf kan echter een verzoek indienen bij de voorzitter voor bemonstering op de broederij. In onderdeel B van deze bijlage is de bemonstering op de broederij opgenomen.
A. Monstername dons, meconium of liggenblijvers
Indien fok- of vermeerderingspluimvee wordt onderzocht op het fok- of vermeerderingsbedrijf dan dient de kuikenbroederijen altijd donsmonsters, meconiummonsters of monsters van liggenblijvers te nemen.
De frequentie van de reguliere monstername wordt weergegeven in de tabel:
broederijen voor de productie van eendagskuikens van moederdieren legrassen
iedere uitkomstkast en iedere uitkomst
broederijen voor de productie van eendagskuikens voor de productie van consumptie-eieren
iedere vermeerderaar minimaal eenmaal in de twee weken
Naast de reguliere door de broederijen uit te voeren bemonstering van dons, meconium of liggenblijvers dient, tenminste eens in de acht weken, een officiële monstername op dons, meconium of liggenblijvers door of namens GD uitgevoerd te worden.
De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt verder aangestuurd door GD. Monsters dienen te worden genomen uit alle uitkomstkasten waar op dat moment redelijkerwijs kan worden bemonsterd op dons, meconium dan wel liggenblijvers. De monsters dienen genomen te worden volgens de in deze bijlage opgenomen werkvoorschriften.
B. Monstername inlegvellen en eierschalen
De ondernemer van een fok of vermeerderingsbedrijf kan een schriftelijk verzoek indienen bij de voorzitter voor bemonstering op Salmonella van het koppel op de broederij.
Wanneer de voorzitter hier toestemming voor verleent, dient de reguliere monstername van het koppel op de broederij plaats te vinden. Er dienen monsters te worden genomen van eierschalen of inlegvellen van uitkomstladen. Naast de reguliere monstername vindt ook officiële monstername plaats op het fok- of vermeerderingsbedrijf én op de broederij.
De frequentie van de reguliere monstername (eierschalen of inlegvellen van uitkomstladen) wordt weergegeven in de tabel:
productie van eendagskuikens
éénmaal per twee weken
Voor de monstername onder A en B geldt het volgende:
Laboratorium
–
De monsters dienen te worden geanalyseerd bij een door de voorzitter erkend laboratorium.
–
Wanneer een monster Salmonella met besmet is, laat de ondernemer dit serotyperen door een door de voorzitter erkend laboratorium.
–
Alle bevindingen van Salmonella dienen direct (dag van bekend worden) naar de broederij te worden teruggekoppeld.
Naast de tweewekelijkse door de broederijen uit te voeren bemonstering van eierschalen of inlegvellen uit uitkomstladen dient, tenminste eens in de zestien weken, de monstername van eierschalen of inlegvellen uit uitkomstladen door of namens GD genomen te worden (officiële monstername).
De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt aangestuurd door GD. Monsters dienen te worden genomen uit alle uitkomstkasten waar op het moment redelijkerwijs kan worden bemonsterd op eierschalen of inlegvellen. Voor uitkomstkasten, waarin slechts broedeieren aanwezig zijn van fokpluimvee of vermeerderingspluimvee waar mestonderzoek wordt uitgevoerd, is dit niet noodzakelijk.
De uitslagen van het onderzoek dat is uitgevoerd in de broederij dient door het laboratorium rechtstreeks aan de leverancier van de broedeieren te worden gemeld en te worden opgenomen in zijn administratie.
In de broederij worden monsters van eierschalen of inlegvellen genomen door de broederij. De monsters worden genomen door verantwoordelijkheid van de ondernemer die de broederij uitoefent, volgens het werkvoorschrift voor het nemen van monsters op de kuikenbroederij, zoals opgenomen in deze bijlage. Wanneer Salmonella aanwezig is, moet door een door de voorzitter erkend laboratorium worden geanalyseerd om welk serotype het gaat.
Actie bij positieve bevindingen bij reguliere en officiële monstername
Indien uit het onderzoek zoals genoemd onder A of B blijkt dat een monster met Salmonella besmet is, dient dit onverwijld door of namens de ondernemer aan de leverancier van de broedeieren te worden gemeld welke vervolgens onverwijld een melding doet bij GD. Wanneer het een besmetting met S.e, S.t of Salmonella hadar, infantis of virchow betreft, voert GD op last van de voorzitter een verificatieonderzoek uit.
Het verificatieonderzoek is beschreven in het Hygiënebesluit opfok bedrijven, fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven (PPE) 2007.
Eisen aan de monstername door de broederij
–
De broederij neemt per herkomstadres ten minste éénmaal per twee weken monsters om te onderzoeken op Salmonella. De monstername dient gebaseerd te zijn op minimaal één dagproductie.
–
Wanneer broedeieren uit verschillende stallen van hetzelfde herkomstadres in meer dan één broedkast worden ingelegd, dient de broederij er zorg voor te dragen dat broedeieren afkomstig uit alle stallen worden bemonsterd.
–
De monsters worden genomen volgens de voorgeschreven werkvoorschriften monstername in deze bijlage.
–
De monsters worden op Salmonella onderzocht door een laboratorium dat voldoet aan de eisen uit het Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen laboratoria 2007.
–
Wanneer van een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf tweemaal binnen 4 weken in een monster van de broederij Salmonella wordt aangetroffen, wordt logistiek gebroed. Indien Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium wordt aangetroffen wordt onmiddellijk logistiek gebroed.
–
De broederij beschikt over een bijgehouden administratie, die twee jaar wordt bewaard. De administratie dient inzichtelijk te zijn. Per herkomstadres dienen alle resultaten van Salmonella onderzoek te worden bewaard. Wanneer Salmonella bij een stal wordt aangetoond dienen alle relevante gegevens van deze stal aan de administratie te worden toegevoegd, te weten:
–
datum van bemonstering;
–
uitslag bemonstering;
–
datum melding aan GD (Salmonella enteritidis/Salmonella typhimurium) of aan het door de voorzitter erkende laboratorium (overige Salmonellae);
–
datum en beschrijving genomen acties in de broederij en eventueel bij het herkomstadres (ruimten/behandelen).
–
maandelijks wordt aan GD een rapportage gezonden met daarin o.a.:
–
aantal fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven dat via de broederij is gescreend;
–
overzicht van KIP-nummers dat via de broederij is gescreend;
–
aantal koppels per fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf en het nummer van de koppels dat via de broederij is gescreend;
–
alle uitslagen (positief en negatief) van de door de broederij gescreende koppels, fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven, voorzien van koppel en KIP-nummer;
–
aantal koppels waarbij Salmonella is aangetoond;
–
gegevens van de koppels waarbij Salmonella is aangetoond;
–
De broederij geeft maandelijks een overzicht van alle Salmonella uitslagen behorende bij het koppel fokpluimvee of vermeerderingspluimvee door aan die fokbedrijven of vermeerderingsbedrijven waar deze uitslagen als uitgangscontrole dienen.
Werkvoorschriften monstername
Algemeen:
–
Monsters moeten te traceren zijn naar de stal(len) van herkomst.
–
De verantwoordelijkheid om de uitslagen van de monsters te traceren op stalniveau ligt bij de broederij.
Benodigdheden voor het nemen van monsters:
–
steriele goed afsluitbare plastic zak of pot
–
etiketten
–
steriele plastic handschoenen
–
inzendformulier
A. Werkwijze monstername eierschalen
–
Per uitkomstkast worden uit tenminste 25 afzonderlijke uitkomstladen eierschalen bemonsterd.
–
Per uitkomstlade wordt 10 gram gebroken eierschalen genomen.
–
De 25 monsters van tenminste 10 gram worden fijngemalen en gemengd waarna hiervan een deelmonster van 25 gram wordt genomen.
–
Het monster (in totaal 25 gram fijngemalen eierschaal) kan in één pot of zak verzameld worden.
–
Het monster wordt genomen zonder de eierschalen met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
B. Werkwijze monstername inlegvellen van uitkomstladen
–
Er wordt minimaal één verzamelmonster van zichtbaar met faeces (meconium) besmeurde inlegvellen genomen.
–
Inlegvellen worden bemonsterd van uitkomstladen die aselect van 5 verschillende uitkomstladen of plaatsen in de uitkomstbroeder worden genomen.
–
De bemonsterde inlegvellen hebben een gezamenlijk oppervlak van tenminste 1 m2 .
–
Indien de broedeieren van een koppel fokpluimvee of vermeerderingspluimvee over meer dan één broedmachine verdeeld zijn, wordt van iedere broedmachine een verzamelmonster genomen.
–
Monstername dient te geschieden zonder de inlegvellen met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
–
Het monster wordt zodanig genomen dat niet met iets anders in aanraking wordt gekomen, om een eventuele besmetting van/vanuit de omgeving te voorkomen.
–
De monsters kunnen in één pot of zak worden verzameld.
C. Uitvoering monstername dons
–
Per uitkomstkast worden tenminste 5 donsmonsters genomen.
–
Elk donsmonster moet een monster zijn van minimaal 5 gram natte dons, genomen op de dag dat de kuikens worden afgeraapt, nadat de kast leeg is.
–
De monsters dienen op verschillende plaatsen in de uitkomstkast genomen te worden waarbij bij voorkeur een monster van de ventilator of grond genomen moet worden en monsters genomen dienen te worden van de linker-, rechter-, boven- en onderkant van de koelbuizen.
–
De monsters (in totaal 25 gram dons) kunnen in één pot of zak verzameld worden.
–
Het monster wordt genomen zonder het dons met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
D. Uitvoering monstername meconium
–
Van één leverantie broedeieren dienen tenminste 250 meconiummonsters te worden verzameld.
–
De monsters dienen op verschillende plaatsen in de uitkomstkasten te worden genomen.
–
Monstername dient te geschieden zonder de meconiums met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
–
Het monster wordt zodanig genomen dat niet met iets anders in aanraking wordt gekomen, om een eventuele besmetting van/vanuit de omgeving te voorkomen.
–
De monsters kunnen in één plastic pot of zak worden verzameld.
E. Uitvoering monstername liggenblijvers
–
Van één leverantie broedeieren dienen karkassen van 60 niet aangepikte liggenblijvers (broedeieren) die in de schaal zijn gestorven te worden bemonsterd.
–
De monsters dienen op verschillende plaatsen in de uitkomstkasten genomen te worden.
–
Monstername dient te geschieden zonder de dode kuikens met de handen aan te raken of anderszins risico van kruisbesmetting te lopen.
–
Het monster wordt zodanig genomen dat niet met iets anders in aanraking wordt gekomen, om een eventuele besmetting van/vanuit de omgeving te voorkomen.
–
De monsters kunnen in één plastic pot of zak worden verzameld.
Voor de monsters genomen onder A, B, C, D en E geldt vervolgens:
–
Iedere pot of plastic zak dient direct na het vullen zorgvuldig gesloten te worden.
–
Elke pot of plastic zak moet van een etiket met de volgende gegevens worden voorzien:
–
datum, van monsterneming
–
registratie-nummer (KIP-nummer) en naam van de broederij
–
uitkomstkastnummer(s)
–
De broederij moet een protocol hebben waarin staat vermeld:
–
wie verantwoordelijk is voor de monstername
–
hoe, waar en wanneer de monstername wordt uitgevoerd
–
hoe de monsters kunnen worden getraceerd naar het bedrijfje stal(len) van herkomst.
Inzendformulier
–
elke inzending moet vergezeld gaan van een formulier waarop de gegevens van de monsters van die dag worden geregistreerd. Hierbij dienen tevens te worden vermeld:
–
naam en/of KIP nummer herkomstbedrijf
–
bij monitoring koppelnummer(s)/stalnummer(s).
–
Een afschrift van het formulier moet op de broederij aanwezig blijven t.b.v. controle van het systeem door derden.
Verzenden monsters
–
De monsters moeten binnen 48 uur aanwezig zijn bij een door de voorzitter erkend laboratorium.
–
De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage kan optreden en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.
Resultaten onderzoek
–
De broederij dient een registratie bij te houden per broederij, per vermeerderjaar, per fokbedrijf en per stal, waarin alle resultaten van het Salmonellaonderzoek (ook de negatieve) worden vastgelegd. Deze dienen minimaal twee jaar na ruimen van het desbetreffende koppel te worden bewaard (i.v.m. traceringsonderzoeken en systeemcontrole).
–
De monsters worden door een door de voorzitter erkend laboratorium geanalyseerd op aan- of afwezigheid van Salmonella. Wanneer Salmonella aanwezig is, wordt door een door de voorzitter erkend laboratorium geanalyseerd om welk serotype het gaat.
Bijlage
IV
: Leidraad voor het opzetten van een bedrijfsplan voor kuikenbroederijen
Om te komen tot een kuikenbroederij waarin kruisbesmetting met Salmonella wordt voorkomen, zal aan een aantal eisen voldaan dienen te worden.
Volgens artikel 5 van dit besluit dient iedere kuikenbroederij over een door de Voorzitter goedgekeurd plan te beschikken. Bijgaande leidraad is bedoeld als hulpmiddel en model bij het opstellen van dit bedrijfsplan.
Onderdelen bedrijfsplan
Het bedrijfsplan dient betrekking te hebben op zowel de inrichting als de werkwijze in de broederij. De volgende indeling wordt aanbevolen:
1. Hygiëne bewustzijn en persoonlijke hygiëne;
2. Hygiëne management in de kuikenbroederij, waaronder reinigings- en desinfectieplan;
3. Logistiek van het broeden;
4. Afvalverwerking.
1. Hygiëne bewustzijn en persoonlijke hygiëne
Het onderdeel hygiëne bewustzijn en persoonlijke hygiëne dient te bevatten:
1.1. procedures over de wijze waarop het personeel (intern of extern) wordt opgeleid, zodat het personeel op de hoogte is van Salmonella, de wijze van verspreiding en de interne procedures om Salmonella te beheersen;
1.2. procedures over o.a. het wassen van handen, douchen, dragen van bedrijfskleding (aparte kleding/schoeisel voor vuile en schone gedeelte van de broederij), eten, drinken en roken op de werkplek, etc.
2. Hygiëne management in de kuikenbroederij
Het onderdeel hygiëne management in de kuikenbroederij dient te bevatten:
2.1. procedures over het aanleveren van broedeieren waaronder het gescheiden aanleveren van gewassen eieren etc.;
2.2. procedures voor de wijze van ontvangst en verwerking van de broedeieren, waaronder wijze van sorteren, behandeling en wijze van inleggen van vuile en gewassen eieren, hygiëne bij overleggen, etc.;
2.3. procedures over de hygiëne in de kuikenbroederij, waaronder de wijze waarop schone en vuile gedeelten in de kuikenbroederij worden aangegeven, procedures voor het personeel waarin de looproutes in de kuikenbroederij staan beschreven etc.;
2.4. procedures voor reiniging en desinfectie, waarin o.a. frequentie, reinigings- en ontsmettingsmiddelen en werkwijze worden weergegeven van zowel de kuikenbroederij als de vervoers- en transportmiddelen (kratten dan wel containers), een plattegrond van de te reinigen lokalen en de opslag van middelen, aanwijzing van de verantwoordelijke personen, persoonlijke bescherming etc.;
2.5. procedures voor de controle van de hygiëne in de kuikenbroederij, waarin o.a. staat aangegeven wanneer en op welke wijze wordt gecontroleerd en wat de acties bij afwijkingen zijn;
2.6. ongediertebestrijdingsplan;
2.7. andere procedures met betrekking op het algemene hygiëne management.
3. Logistiek van het broeden
In onderstaande maatregelen wordt een voorzet gegeven hoe in het kader van het bedrijfsplan met broedeieren op kuikenbroederijniveau moet worden omgegaan.
Het gaat hierbij om zowel bouwkundige en technische voorzieningen als om een aantal protocollen voor werkwijze, voor wat betreft mogelijk besmette broedeieren. Uitgangspunt voor de richtlijn is dat eieren, kuikens of afvalmateriaal en dons van kuikens van mogelijk besmette koppels niet in contact mogen komen met eieren of kuikens van vrije koppels. Wanneer dit wel gebeurt moet de hele partij als mogelijk besmet worden beschouwd.
3.1. ei-transport en -bewaring
Maatregel: niet-ontsmette eieren van mogelijk besmette koppels worden zo min mogelijk tegelijk met vrije eieren vervoerd. Na transport van mogelijk besmette eieren moet de vrachtwagen gereinigd en ontsmet worden. Het is ook mogelijk de broedeieren van mogelijk besmette koppels als laatste op te halen en de broedeieren hetzij op het vermeerderingsbedrijf zijn ontsmet, hetzij direct in de vrachtwagen te ontsmetten.
Karakter: verplicht in het eigen bedrijfsplan aangeven hoe dit punt wordt aangepakt.
Motivatie: eieren van mogelijk besmette koppels vormen een verhoogd risico voor horizontale transmissie, apart ophalen voorkomt transmissie via de vrachtwagen of personen, fouten in de aanvoerlogistiek (verwisselen van containers) worden beter voorkomen.
3.2. logistiek was- en grondeieren
Maatregel: waseieren en grondeieren van mogelijk besmette koppels moeten bij voorkeur niet ingelegd worden. Wanneer ze wel ingelegd worden, worden ze bij voorkeur niet in dezelfde voorbroeder gebroed als eieren van vrije koppels (mogelijk in een aparte voorbroeder met alleen waseieren en grondeieren of in een voorbroeder met alleen besmette koppels). Wanneer dit niet mogelijk is dienen de waseieren en grondeieren altijd onderop te worden geplaatst, zodat besmetting door klapeieren zoveel mogelijk worden voorkomen.
Karakter: verplicht in het eigen bedrijfsplan aangeven hoe dit punt wordt aangepakt.
Motivatie: waseieren en grondeieren vormen een verhoogd risico op klapeieren, waardoor een eventuele besmetting in de voorbroeder verspreid kan worden.
3.3. ontsmetting 18 dagen
Maatregel: eieren van mogelijk besmette koppels en van vrije koppels die in dezelfde voorbroeder zijn gebroed dienen na overleggen ontsmet te worden.
Karakter: verplicht.
Motivatie: tegengaan van kruisbesmetting bij transport van eieren door de kuikenbroederij. Door na overleggen te ontsmetten kan een eventuele verspreiding tegengegaan worden.
3.4. logistiek van overleg
Maatregel: eieren van mogelijk besmette koppels dienen als laatste partij van de dag te worden geschouwd en overgelegd. Na schouw en overleg dient de apparatuur gereinigd en ontsmet te worden.
Karakter: verplicht.
Motivatie: door schouwen en overleggen kan horizontale verspreiding via apparatuur en personen worden veroorzaakt.
3.5. klimaatscheiding uitkomstkasten
Maatregel: eieren van mogelijk besmette koppels dienen in een apart uitkomstlokaal uitgebroed te worden. De aanvoer van lucht mag van een gezamenlijke ruimte afkomstig zijn. Voor de afvoer van de lucht geldt:
a. De aanvoer vindt bij voorkeur volledig gescheiden plaats van de luchtkanalen van de overige uitkomstlokalen.
b. Wanneer de luchtafvoer plaatsvindt via hetzelfde luchtkanaal dient de luchtafvoer van het uitkomstlokaal dat gebruikt wordt voor de mogelijk besmette koppels als laatste op het afvoerkanaal worden aangesloten, zo dicht mogelijk bij de afvoer.
c. Wanneer de luchtafvoer plaatsvindt via hetzelfde luchtkanaal, maar het uitkomstlokaal met mogelijk besmette kuikens niet als laatste op het afvoerkanaal is aangesloten, zo dicht mogelijk bij de afvoer dan dient voldoende onderdruk aanwezig te zijn in het afvoerkanaal. Hiervoor is een automatische alarmmelding dan noodzakelijk.
Na uitkomst van de mogelijk besmette kuikens dienen de ruimte en apparatuur gereinigd en ontsmet te worden.
Karakter: verplicht.
Motivatie: dons is een belangrijke factor in de horizontale verspreiding. Bij uitkomstmachines in hetzelfde lokaal is bij het openen van de deur de verspreiding van de dons niet te voorkomen.
3.6. logistiek van uitkomst
Maatregel: de kuikens van mogelijk besmette koppels dienen als laatste van de dag te worden afgeraapt en verwerkt. Bij het afrapen moeten de vrije kuikens uit het lokaal verwijderd zijn. Vrije kuikens mogen niet worden opgeslagen tezamen met mogelijk besmette kuikens. Dit betekent een aparte opslag voor vrije kuikens. Na het afrapen van de mogelijk besmette kuikens dienen de ruimte en apparatuur gereinigd en ontsmet te worden.
Karakter: verplicht.
Motivatie: dons vormt een belangrijke factor in de horizontale verspreiding.
Door de kuikens niet ruimtelijk te scheiden kan kruisbesmetting ontstaan.
3.7. kuikentransport
Maatregel: transport van mogelijk besmette kuikens dient apart van het transport van vrije kuikens plaats te vinden, in een aparte wagen. Na transport dient de wagen gereinigd en ontsmet te worden.
Karakter: verplicht.
Motivatie: verspreiding van dons tijdens transport kan kruisbesmetting tot gevolg hebben.
3.8. administratie
De administratie van de kuikenbroederij dient dusdanig te worden opgezet dat voor de medewerkers duidelijk is welke eieren mogelijk besmet zijn en welke procedure daarmee gevolgd moet worden. Tevens moet uit de administratie afgeleid kunnen worden welke route in plaats en tijd de mogelijk besmette eieren hebben gevolgd, zodat duidelijk wordt of de verschillende protocollen voor handling juist zijn uitgevoerd.
4. Afvalverwerking
Afvalverwerking dient zo plaats te vinden dat geen besmetting van schone ruimtes of producten met het vuile afval kan plaatsvinden. Hiervoor dient duidelijk te zijn op welke wijze de kuikenbroederij het afval opslaat, verwerkt en verwijderd.
Bijlage
V
: Categorie-indeling voor logistiek broeden in de kuikenbroederij
In de kuikenbroederij dienen broedeieren gescheiden te worden gehouden volgens onderstaande categorie-indeling:
1. broedeieren van onverdachte koppels moederdieren
2A. broedeieren van verdachte koppels moederdieren:
broedeieren van koppels moederdieren die hetzij verdacht worden van een Salmonella-besmetting, zonder dat deze besmetting is bevestigd, of;
2B. broedeieren van Salmonella-besmette koppels moederdieren.