De ondernemer die zijn pluimvee in kooien houdt is niet verplicht bij iedere stal de voorruimte te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen indien hij voldoet aan de eisen zoals omschreven in Bijlage I.
Artikel
3
1
Een hygiënogram dient een score te hebben die kleiner of gelijk is aan 1,5.
2
Indien de score groter dan 1,5 maar kleiner of gelijk aan 3,0 is dan dient door een professioneel ontsmettingsbedrijf de betreffende stal opnieuw te worden ontsmet. Na de volgende leegstandsperiode mogen pas nieuwe dieren geplaatst worden indien de uitslag van het onderzoek kleiner of gelijk is aan 1,5.
3
Indien de score groter is dan 3,0 dan dient de betreffende stal door een professioneel ontsmettingsbedrijf opnieuw te worden ontsmet. Na het ontsmetten dient een hygiënogram te worden verricht, waarvan de score kleiner of gelijk aan 1,5 dient te zijn alvorens nieuwe dieren worden geplaatst.
4
Wanneer overeenkomstig Bijlage II onder b. van het Besluit erkenningsvoorwaarden en werkwijzen HOSOWO-instanties (PPE) 2007 de uitslag van twee van de vijf onderdelen van de visuele controle slecht is, wordt na de volgende ronde nogmaals een hygiënogram uitgevoerd.
Artikel
4
1
Voorafgaand aan het overplaatsen van een koppel pluimvee dient ten minste 0,5% van dat koppel te worden bemonsterd door middel van bloedmonsters, met een minimum van 24 kippen en een maximum van 60 kippen.
2
Het onderzoek op de aanwezigheid van antistoffen tegen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium vindt plaats maximaal 21 dagen voordat het betreffende koppel pluimvee wordt overgeplaatst.
3
De ondernemer die zijn pluimvee ent tegen Salmonella enteritidis is verplicht dit schriftelijk door te geven aan het productschap.
4
Een koppel opfokleghennen dat binnen een bedrijf naar de leghennenstal wordt overgeplaatst, dient ook voorafgaand aan de overplaatsing op Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium te worden onderzocht.
5
In geval uit het onderzoek van de monsters bedoeld in het eerste lid blijkt dat een koppel pluimvee is besmet met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium worden de door dat koppel geproduceerde eieren afgezet naar de eiproductenindustrie of ondergaan zij een andere effectieve en toegestane (warmte)behandeling of wordt het koppel geruimd. De in de vorige zin bedoelde eieren worden niet als klasse A eieren verhandeld.
6
Pas als uit verificatie-onderzoek door de GD blijkt dat het koppel vrij is van Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium mogen de eieren weer als klasse A eieren worden verhandeld. Ten behoeve van het verificatie-onderzoek worden door de GD 150 mestmonsters genomen die tot 6 monsters van ieder 25 worden gepoold.
Artikel
5
De informatie die verkregen is uit het onderzoek van de monsters als bedoeld in artikel 4, dient schriftelijk te worden vastgelegd en door de ondernemer te worden doorgegeven aan het productschap en aan de afnemer van de dieren.
Indien de analyseresultaten van het onderzoek door het betreffende erkende laboratorium rechtstreeks aan het productschap worden doorgegeven heeft de ondernemer voldaan aan de in de vorige zin bedoelde verplichting om de informatie door te geven aan het productschap.
Artikel
6
Indien bij een koppel opfokleghennen besmetting met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is aangetoond, dient een traceringsonderzoek te worden uitgevoerd door een volgens de GVP-code erkende dierenarts of de GD.
Artikel
7
1
Dit besluit kan worden aangehaald als: Hygiënebesluit opfokleghennenbedrijven (PPE) 2007.
2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dag van dagtekening in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie, waarin het wordt geplaatst.
Zoetermeer
R.J.Gijsenplv. voorzitter
B.M.Dellaertsecretaris
Bijlage
I:
Pluimvee in legbatterijen
De ondernemer die een opfokleghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in legbatterijen houdt is niet verplicht iedere stal te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen, mits hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
1.
Op het bedrijf is geen S.e. en S.t. besmetting aanwezig;
2.
Op het bedrijf wordt volgens het all in - all out principe gewerkt (dieren van één leeftijd);
Zodra bekend wordt dat een koppel besmet is met S.e. en/of S.t. dan dient de ondernemer bij iedere stal de voorruimte weer te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel van schoeisel te wisselen. Zodra het (nieuwe) koppel weer vrij is van S.e. en of S.t. wordt weer aan voorwaarde 1 voldaan.
En mits hij de hygiëne op één van de volgende wijzen heeft gewaarborgd:
Optie A: hygiënesluis per bedrijfsgebouw.
Hygiënesluis per bedrijfsgebouw die volledig afgescheiden is van de ruimte waarin het pluimvee gehouden wordt, waarbij een fysieke scheiding aanwezig is tussen bufferdeel en schoon deel en waar in het bufferdeel van kleding en schoeisel gewisseld wordt. In het schone deel dienen voldoende aantallen bedrijfsgebouweigen schoeisel en -kleding aanwezig te zijn. Met dezelfde kleding en schoeisel mag nooit het volgende bedrijfsgebouw worden betreden.
Optie B: hygiënesluis per bedrijf.
Per bedrijf van kleding wisselen in een aparte omkleedruimte/kantine, die alleen deze functie heeft. Hier worden ook schone laarzen aangetrokken. Deze ruimte wordt gezien als de centrale hygiënesluis. Per bedrijfsgebouw is bedrijfsgebouweigen schoeisel aanwezig, dat ook bij het betreden van dat gebouw gebruikt wordt. Alle stallen binnen dit bedrijfsgebouw mogen worden betreden.