Beleidsregel ervaringsfase ontheffingverlening LZV

De directie van de Dienst Wegverkeer,
Gelet op artikel 4, vierde en vijfde lid, van Richtlijn nr. 96/53/EG EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationaal verkeer maximaal toegestane gewichten (PbEU L 235) en op artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, het Voertuigreglement en het Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten

§

1

Algemeen

Artikel

1

Definities

Voor de toepassing van deze beleidsregel worden de begripsbepalingen van Voertuigreglement overgenomen. Voorts wordt verstaan onder:

  • a.

    Autonome beslisruimte LZV: de actuele gegevens waarbij de wegbeheerder een weg of weggedeelte als geschikt voor het berijden met een LZV opgeeft waarvoor de Dienst Wegverkeer zonder toestemming als bedoeld in artikel 149b, tweede lid, van de Wet en artikel 4 van het Besluit ontheffingverlening exceptionele transporten ontheffing mag verlenen voor LZV’s onder de daarbij van toepassing zijnde beperkingen en voorschriften;

  • b.

    LZV: samenstellen met een laadlengte van tenminste 18 meter of een vergelijkbare laadlengte indien de voertuigen zijn ingericht voor het vervoer van afneembare laadstructuren, bestaande uit ten hoogste drie voertuigen en ingericht voor het vervoer van goederen waarvan de totale lengte niet meer bedraagt dan 25,25 meter en de totale massa niet meer dan 60 ton, waarvoor een ontheffing als bedoeld in artikel 3 is afgegeven;

  • c.

    LZV kerngebied: gebied, aangeduid op het niveau van wegsegment,binnen de autonome beslisruimte als zodanig vastgesteld door de wegbeheerder en de Dienst Wegverkeer, waar één of meer bedrijven feitelijk zijn gevestigd en waarop volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan geen woonbestemming of agrarische bestemming rust;

  • d.

    Gebiedsontsluitingsweg LZV: weg of weggedeelte die een verbinding vormt tussen stroomwegen en LZV kerngebied;

  • e.

    Stroomweg LZV: weg met een nationale of internationale functie voor het lange afstandsverkeer;

  • f.

    Erftoegangsweg LZV: weg of weggedeelte, niet zijnde een stroomweg LZV of gebiedsontsluitingsweg LZV die dient ter ontsluiting van percelen van aanvragers of die is gelegen in een LZV kerngebied;

  • g.

    samenstel van buitenlandse voertuigen: samenstel van voertuigen waarbij de kentekens van het trekkend motorrijtuig en de getrokken voertuigen door een andere EU-lidstaat dan Nederland zijn afgegeven

Artikel

2

Toepassingsgebied

Deze beleidsregel is van toepassing op de behandeling van aanvragen voor een keuring en ontheffing voor een LZV op basis van artikel 149a, tweede lid, van de Wet.

Artikel

3

Soorten ontheffing LZV

Artikel

4

Ontheffingsdocument met bijlagen

Een basisontheffing LZV bestaat uit:

  • a.

    een voorblad, waarop in ieder geval de gegevens van de aanvrager alsmede het kenteken, al dan niet in combinatie met het voertuig identificatienummer (VIN), van het trekkend motorrijtuig zijn vermeld;

  • b.

    indien van toepassing, een voertuigbijlage met de kentekens, al dan niet in combinatie met de VIN van de getrokken voertuigen;

  • c.

    diverse wegenbijlagen, waarin de wegen en LZV kerngebieden van 1 of meer wegbeheerders zijn opgenomen, en

  • d.

    diverse bijlagen die beperkingen, algemene voorschriften en, indien van toepassing, bijzondere voorschriften bevatten.

§

2

Aanvragen ontheffingen

Artikel

5

Aanvragen van de ontheffing

Artikel

6

Wijze van indienen van de aanvraag

Indiening van aanvragen kan uitsluitend schriftelijk plaatsvinden.

Artikel

7

Intrekken van de aanvraag

Artikel

8

Duur van de behandeling van de ontheffingsaanvraag

Aanvragen binnen de autonome beslisruimte LZV worden in beginsel afgehandeld binnen 5 werkdagen.

Artikel

9

Aanvraag uitbreiding LZV kerngebieden

In afwijking van artikel 3, derde lid, wordt een vervangende basisontheffing LZV afgegeven, indien de aanvrager gedurende de geldigheid van de reeds aan hem afgegeven basisontheffing LZV een aanvraag doet in verband met uitbreiding van de LZV kerngebieden en deze aanvraag wordt toegekend.

Artikel

10

Wijzigingsabonnement

§

3

Beoordeling geschiktheid wegen en weggedeelten voor LZV’s

Artikel

11

Toestemming geschiktheid wegen LZV

De Dienst Wegverkeer verzoekt de wegbeheerders de in bijlage A opgenomen toetsingscriteria te hanteren bij de beoordeling van de geschiktheid van wegen voor het vaststellen van de autonome beslisruimte LZV.

§

4

Beoordeling geschiktheid voertuigen ten behoeve van LZV’s

Artikel

12

Aantekening op kentekenbewijs ten behoeve van LZV of LZV attest

Artikel

13

Keuringscertificaat LZV

§

5

Beperkingen en voorschriften verbonden aan ontheffingen

Artikel

15

Beperkingen en voorschriften verbonden aan de ontheffing

§

6

Slotbepalingen

Artikel

16

Overgangsrecht

Artikel

17

Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 november 2007.

Artikel

18

Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel ervaringsfase ontheffingverlening LZV.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De directie van de RDW Algemeen Directeur, J.G.Hakkenberg

Bijlage

A

, als bedoeld in artikel 11

De toetsingscriteria voor wegen ten behoeve van het vaststellen van de autonome de beslisruimte LZV als bedoeld in artikel 11 luiden:

  • 1.

    Voor wegen onder beheer van het Rijk:

    • a.

      auto(snel-)wegen, voor zover deze vallen onder aanbevolen wegen in CROW-richtlijn 260;

    • b.

      autosnelwegen die, indien ze bij aansluitingen op andere wegen niet zijn uitgerust met een verkeersregelinstallatie, een invoegstrook hebben, en na het einde van de invoegstrook een vluchtstrook waarvan de lengte ten minste 250 m. bedraagt

  • 2.

    Voor wegen onder beheer van de provincies, gemeenten en waterschappen

    • a.

      Stroomwegen LZV, voor zover deze

      • 1.

        vallen onder aanbevolen wegen zoals vermeld in CROW richtlijn 260, en

      • 2.

        indien ze niet zijn uitgerust met een verkeersregelinstallatie er een invoegstrook is, en na het einde van de invoegstrook een vluchtstrook, waarvan de lengte ten minste 250 m.bedraagt.

    • b.

      Gebiedsontsluitingswegen LZV, voor zover deze wegen en de te gebruiken uitwisselpunten vallen onder aanbevolen wegen zoals vermeld in CROW-richtlijn 260.

    • c.

      Erftoegangswegen LZV, mits:

      • 1.

        deze wegen niet voorzien zijn van een verkeersbord met zone aanduiding als bedoeld in artikel 66, tweede lid, en Bijlage 1, A1, van het RVV 1990 waarbij een maximumsnelheid geldt van 30 km/h, tenzij deze gelegen zijn in een LZV kerngebied;

      • 2.

        deze wegen of weggedeeltes niet in een winkelgebied of woonwijk zijn gelegen;

      • 3.

        niet voorzien zijn van verkeersborden waarbij een onderbord is aangebracht met venstertijden voor motorvoertuigen, en

      • 4.

        die wegen of weggedeelten zijn gelegen in een LZV kerngebied met voldoende breedte voor de vereiste manoeuvres met de LZV’s.

    • d.

      Die wegen die niet voldoen aan de leden a, b of c, indien het maximaal de laatste 5 km naar of van een LZV-kerngebied en qua maatvoering aanbevolen wegen conform CROW-richtlijn 260 betreft en waarvan naar het oordeel van de wegbeheerder gebruik door LZV’s veilig plaats kan vinden.

Bijlage

B

, als bedoeld in artikel 12 en 13

Keuringseisen aantekening op kentekenbewijs ten behoeve van LZV of afgifte LZV attest

Artikel 1 keuringseisen trekkend motorrijtuig LZV

1. Een trekkend motorrijtuig moet:

  • a.

    behoren tot een der categorieën N2 of N3, als bedoeld in bijlage II, van richtlijn nr. 70/156/EEG1Richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 24). en waarvoor een kenteken zonder gebruiksbeperking is opgegeven;

  • b.

    uitgerust zijn met een EBS drukluchtremsysteem als bedoeld in ECE 132VN ECE-reglement nr. 13 met uniforme eisen betreffende de goedkeuring van remsystemen van bedrijfsvoertuigen. par. 5.1.3.1.2;

  • c.

    een koppeling hebben voor het aankoppelen van een aanhangwagen of oplegger die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG394/20/EEG van het Europees Parlement en van de Raad van 30 mei 1994 betreffende mechanische koppelinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens en de bevestiging van de inrichtingen aan deze voertuigen (PbEG L 195). en tevens geschikt is voor de grotere krachten (hogere D- en V-waarden) van de LZV;

  • d.

    voorzien zijn van een zijdelingse afscherming, die voldoet aan het bepaalde in richtlijn 89/297/EEG4Richtlijn nr. 89/297/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 13 april 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de zijdelingse afscherming (zijdelingse beschermingsinrichtingen) bij bepaalde motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 124). en is uitgevoerd als gesloten vlak, ongeacht de in artikel 3.3.37, elfde lid, van het Voertuigreglement bedoelde uitzondering voor bedrijfsauto’s voor speciale doeleinden;

  • e.

    voorzien zijn van opspatafschermingen, die voldoen aan richtlijn 91/226/EEG591/226/EEG Richtlijn van de Raad van 27 maart 1991 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake opspatafschermingssystemen bij bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 103).;

  • f.

    voorzien zijn van een lijnmarkering of een contourmarkering als bedoeld in artikel 3.3.46, derde lid, van het Voertuigreglement;

  • g.

    voorzien zijn van een afscherming als bedoeld in richtlijn 2000/40/EG6Richtlijn nr. 2000/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden van motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn nr. 70/156/EEG van de Raad (PbEG L 203). dan wel van een afscherming met een aantoonbaar zelfde veiligheidsniveau;

  • h.

    indien het geen bedrijfsauto is als bedoeld in artikel 5.3.45a, derde lid, onder b of c, van het Voertuigreglement is:

    • 1.

      aan de rechterzijde zijn voorzien van een gezichtsveld verbeterende voorziening als bedoeld in artikel 5.3.45a, eerste lid, van het Voertuigreglement;

    • 2.

      aan de voorzijde zijn voorzien:

      • a.

        van een vooruitkijkspiegel, bedoeld in art 1.1 onder bd1 van het Voertuigreglement, of,

      • b.

        een andere spiegel waarmee het weggedeelte kan worden overzien dat wordt begrensd door:

        • het verticale dwarsvlak door het voorste punt van de cabine van het voertuig;

        • het verticale dwarsvlak gelegen 2 000 mm voor het voertuig;

        • het verticale vlak in de lengterichting dat door het buitenste punt van het voertuig aan de bestuurderszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig;

        • het verticale vlak in de lengterichting dat door het punt 2 000 mm buiten het buitenste punt van het voertuig aan de passagierszijde loopt en evenwijdig is aan het verticale vlak door de lengteas van het voertuig.

          De voorzijde van het binnen deze begrenzing gelegen gebied wordt aan de passagierszijde afgerond met een straal van 2 000 mm.

  • i.

    zijn uitgerust met een afleeseenheid waarop de druk van de achteras(sen) of het achterasstel van dit voertuig alsmede de via de datakabel van het remsysteem (CANbus) aangeboden informatie met betrekking tot asdrukken wordt weergegeven, met een afleesnauwkeurigheid van ten minste 0,1 ton of 100 kg;

  • j.

    ten minste een vermogen van de motor hebben, vastgesteld volgens richtlijn 80/1269/EEG780/1269/EEG Richtlijn van de Raad van 16 december 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het motorvermogen van motorvoertuigen (PbEG L 375)., gedeeld door de factor 5 × 10–3 kW/kg;

  • k.

    niet zijn uitgerust met een tank of vloeistofcontainer voor vloeibare lading met een volume van meer dan 1000 L;

  • l.

    niet zijn ingericht voor vervoer van vee als bedoeld in artikel 1 van de Gezondheids- en welzijnswet8Stbl. 1992, 585. voor dieren.

Artikel 2 Keuringseisen getrokken voertuigen LZV

1. Het getrokken voertuig moet:

2. Indien het getrokken voertuig is ingericht om een ander voertuig voor te bewegen moet:

  • a.

    de EBS data-uitwisseling tussen het trekkend motorrijtuig en dit andere voertuig worden doorgegeven. Het eigen remsysteem van het getrokken voertuig mag hiervan tijdelijk kunnen worden afgekoppeld;

  • b.

    het remsysteem zijn beveiligd als bedoeld in richtlijn 71/320/EG9Richtlijn nr. 71/320/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1971 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de reminrichtingen van bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG L 202)., bijlage I, onder 2.2.1.19.;

  • c.

    de koppeling voor het aankoppelen van een aanhangwagen of oplegger voldoen aan het bepaalde in richtlijn 94/20/EG en tevens geschikt zijn voor de grotere krachten (hogere D- en V-waarden) van de LZV;

  • d.

    zodanig zijn ingericht dat de druk per as of per asstel van dit voertuig via de datakabel van het remsysteem (CANbus) voor verdere verwerking wordt aangeboden, of een afleeseenheid hebben waarop de druk per as of asstel wordt weergegeven, met een afleesnauwkeurigheid van ten minste 0,1 ton of 100 kg .

Artikel 3

Voor een LZV geldt dat:

  • 1.

    in aanvulling op het Voertuigreglement de maximale toegestane som van de aslasten van een door een andere aanhangwagen voort te bewegen middenasaanhangwagen wordt vastgesteld op ten hoogste de som van de aslasten van de trekkende aanhangwagen.

  • 2.

    In afwijking van het Voertuigreglement de gezamenlijke toegestane maximummassa van twee door een bedrijfsauto voort te bewegen middenasaanhangwagens wordt vastgesteld op ten hoogste 1,5 maal de toegestane maximum massa van de bedrijfsauto dan wel de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende motorrijtuig vermelde toegestane maximum te trekken massa.

Bijlage

C

, onderdeel 1, als bedoeld in artikel 14 eerste lid

Model LZV attest

Bijlage C, onderdeel 2, als bedoeld in artikel 14, tweede lid

Model Keuringscertificaat

Bijlage

D

, als bedoeld in artikel 15.

Beperkingen en voorschriften

1. Beperkingen LZV

Artikel A LZV afmetingen en draaipunten

Een LZV heeft:

  • 1.

    ten hoogste 2 draaipunten;

  • 2.

    een totale lengte van ten hoogste 25.25 m. met inbegrip van de lading en met inachtneming van de in artikel 1.2 van het Voertuigreglement bepaalde meetmethode.

Artikel B Combinatieverbod

Een ontheffing LZV mag niet worden gebruikt in combinatie met een ontheffing voor exceptioneel transport.

Artikel C LZV ontheffing en vervoer ondeelbare lading

Bij gebruik van een ontheffing LZV is het vervoer van ondeelbare lading op de wijze als bedoeld in de artikelen 5.18.13 en 5.18.14 van het Voertuigreglement niet toegestaan.

Artikel D Verbod uitrusting en vervoer vloeibare lading

Een LZV mag niet zijn uitgerust of beladen met een tank voor vloeibare lading met een volume van meer dan 1000 L.

Artikel E Verbod vervoer gevaarlijke stoffen

Een LZV mag geen gevaarlijke stoffen vervoeren in hoeveelheden groter dan bedoeld in Randnummer series 1.1.3 van het ADR.

2. Algemene voorschriften

Artikel A Voertuigdocumenten

De voor het voertuig of de voertuigen ten behoeve van LZV afgegeven en voor de ontheffing LZV vereiste voertuigdocumenten moeten bij gebruik van de ontheffing LZV aanwezig zijn.

Van deze documenten moet een origineel, geldig en door de Dienst Wegverkeer gewaarmerkt exemplaar bij de ontheffing LZV getoond kunnen worden.

Artikel B Documenten bestuurder LZV

1. De bestuurder van de LZV moet in het bezit zijn van:

  • a.

    een geldig rijbewijs voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorieën C en E;

  • b.

    een getuigschrift vakbekwaamheid voor het besturen van een vrachtauto als bedoeld in de Regeling getuigschrift vakbekwaamheid, dan wel voldoen aan artikel 2.7.2 van het Arbeidstijdenbesluit, en

  • c.

    een door het Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen afgegeven en geldig CCV-certificaat ‘Rijvaardigheidstoets langere en/of zwaardere voertuigen’. Met deze beroepseis worden gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau waarborgen dat naar het oordeel van de Stichting CBR ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale beroepseisen wordt nagestreefd.

2. De voor de bestuurder afgegeven documenten genoemd in het eerste lid moeten bij het gebruik van de ontheffing aanwezig zijn op het voertuig.

3. Het eerste lid, onder c, van dit artikel geldt niet bij gebruik van een opleidingsontheffing LZV, mits:

  • a.

    de gebruiker van de opleidingsontheffing ten minste 5 jaar in het bezit is van een geldig rijbewijs voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorieën C en E;

  • b.

    aan de gebruiker van de opleidingsontheffing de afgelopen 3 jaar geen ontzegging van de rijbevoegdheid is opgelegd en het aan hem afgegeven rijbewijs niet ongeldig is verklaard of ingevorderd, en

  • c.

    er door middel van een op het voertuig aanwezige schriftelijke en gepersonifieerde oproep kan worden aangetoond dat de gebruiker op de datum van controle via de kortste door de ontheffing toegestane route op weg was naar, of terugkeert van, een opleiding onder toezicht van een bevoegde opleider ter voorbereiding op het certificaat of een examen voor het certificaat genoemd onder het eerste lid, sub c.

Artikel C Buitengewone omstandigheden

1. Van de ontheffing LZV mag geen gebruik worden gemaakt bij gladheid van het wegdek en bij weersomstandigheden die het zicht beperken tot minder dan 200 m.

2. Indien zich dergelijke omstandigheden voordoen moet zo spoedig mogelijk het gebruik van de ontheffing LZV worden beëindigd.

Artikel D Plaats op de rijbaan

Voor een LZV geldt een inhaalverbod van alle motorvoertuigen die sneller mogen rijden dan 45 km per uur.

Artikel E Afmetingen en massa samenstellen van voertuigen uit LZV

Elk uit een LZV te vormen samenstel van voertuigen moet voldoen aan de gebruikseisen van hoofdstuk 5 afdeling 18 van het Voertuigreglement

Artikel F Trekkend motorrijtuig LZV

Het trekkend motorrijtuig van een LZV moet zijn voorzien van;

Artikel G Getrokken voertuig LZV

Het getrokken voertuig van een LZV moet zijn voorzien van:

Artikel H Draaicirkel LZV

Een LZV moet naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 14,50 m en de binnenste een straal van 6,50 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van de voertuigen buiten de omtrek van de cirkels komt.

Artikel I Lengte laadruimte LZV

1. De lengte van de laadruimte, zijnde de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de achterste aanhangwagen, verminderd met de afstanden tussen de achterzijde van de laadruimte van de voertuigen en de voorzijden van de laadruimte van de daaropvolgende voertuigen, dient ten minste 18,00 m en ten hoogste 21,82 m. te bedragen.

2. In afwijking van het eerste lid geldt de ten hoogste toegestane lengte van het laadvlak niet voor de vrachtautocombinaties als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a.

Artikel J Markering achterste voertuig LZV

1. Het achterste voertuig van een LZV moet zijn voorzien van een horizontaal geplaatste markering als bedoeld in artikel 5.12.51 onder l van het Voertuigreglement, waarop over de volle hoogte van het gele vlak de zijdelingse contour van de betreffende LZV in de kleur zwart is aangebracht.

2. Wanneer de markering is verdeeld over twee borden, dient de bedoelde contour van de combinatie op het op de linker helft van het voertuig aangebrachte bord te zijn aangebracht.

3. De totale lengte van de LZV in meters moet in de kleur zwart op de markering zijn aangegeven

Artikel K Aanwezigheid aslastmeter op LZV

1. De optredende statische aslasten van een LZV moeten met uitzondering van de vooras van het trekkend motorrijtuig met een afleesnauwkeurigheid van 100 kg kunnen worden weergegeven. Daarbij dient gebruik te worden gemaakt van de optredende druk in de veerbalgen van elke as.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor vrachtautocombinaties of een samenstel van buitenlandse voertuigen voorzien van een keuringscertificaat als bedoeld in artikel 13.

Artikel L Medewerking gegevensverstrekking gebruik LZV ontheffing

De aanvrager en gebruiker van een ontheffing zijn verplicht om op verzoek van het Ministerie van Verkeer & Waterstaat medewerking te verlenen aan onderzoek omtrent de ervaringen en inzet van de LZV en de LZV ontheffing.

Artikel M

In een LZV mag de gezamenlijke som van de aslasten van twee achter elkaar gekoppelde middenasaanhangwagens niet meer bedragen dan 1,5 maal de som van de aslasten van het trekkend motorrijtuig.

Artikel N

In een LZV mag de som van de aslasten van een middenasaanhangwagen voortbewogen door een andere aanhangwagen niet meer bedragen dan de som van de aslasten van de trekkende aanhangwagen.