Regeling van het Commissariaat voor de Media van 18 december 2007 houdende beleidsregels omtrent Europese, onafhankelijke, recente, Nederlandstalige of Friestalige programmaonderdelen en oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking (Beleidsregels programmaquota)

Beleidsregels programmaquota

Het Commissariaat voor de Media,

Besluit:

– strekking van de regeling –

Artikel

1

De Beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op de wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

– definities –

Artikel

2

In deze regeling wordt verstaan onder:

I

Europese quota

– Europese producties –

Artikel

3

– onafhankelijke producties –

Artikel

4

– bereik commerciële omroepinstellingen –

Artikel

5

Voor de toepassing van artikel 71n, vijfde lid, van de wet wordt een televisieprogramma aangemerkt als ‘een televisieprogramma dat in slechts een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen’, indien het programma is bestemd voor die betreffende gemeenten en niet tevens wordt uitgezonden op een ander deel van het nationale omroepnetwerk of in andere gemeenten via een omroepzender.

– berekeningswijze –

Artikel

6

– ontheffingen –

Artikel

7

II

Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen

– oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen –

Artikel

8

Als ‘oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen’ bedoeld in artikel 54a, eerste lid, van de wet en artikel 71o, eerste lid, van de wet, worden mede aangemerkt:

  • a.

    programmaonderdelen die Nederlands- of Friestalig zijn ingesproken;

  • b.

    programmaonderdelen die onderdelen van niet oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen bevatten, die in de Nederlandse of Friese taal worden begeleid door een presentator;

– berekeningswijze –

Artikel

9

– ontheffingen –

Artikel

10

III

Nederlandstalige programmaonderdelen voorzien van ondertiteling

– ondertiteling –

Artikel

11

Als oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking worden aangemerkt oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen met ingebrande ondertiteling en oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen die voorzien zijn van een ondertiteling die is op te roepen via een (ingebouwde) decoder zoals teletekst.

– bereik commerciële omroepinstellingen –

Artikel

12

Een commerciële omroepinstelling meldt onverwijld aan het Commissariaat wanneer zij een bereik heeft van ten minste 75 procent van alle huishoudens in Nederland.

– berekeningswijze –

Artikel

13

– ontheffingen –

Artikel

14

Artikel

15

Artikel

16

IV

Rapportage

Artikel

17

Artikel

18

De verslagen bedoeld in artikel 17, eerste lid, bevatten gegevens zowel in absolute zin als procentueel per televisieprogrammakanaal en voor de publieke landelijke media-instellingen als geheel, met uitzondering van de themakanalen, over de volgende onderwerpen:

  • a.

    totale duur van het programma-aanbod;

  • b.

    de voor berekening in aanmerking te nemen duur van het programma-aanbod, als bedoeld in artikel 6, eerste lid;

  • c.

    het percentage Europese producties;

  • d.

    het percentage Europese onafhankelijke producties;

  • e.

    het percentage recente producties;

  • f.

    het percentage oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties;

  • g.

    het percentage ondertiteling;

  • h.

    in opdracht geproduceerde producties bij Nederlandse onafhankelijke producenten;

  • i.

    coproducties met Nederlandse onafhankelijke producenten;

  • j.

    aankoop Europees onafhankelijk product, waarbij de producent is gevestigd buiten Nederland;

  • k.

    coproducties met Europese onafhankelijke producenten gevestigd buiten Nederland;

  • l.

    eigen producties;

  • m.

    overige producties;

  • n.

    herhalingen;

  • o.

    een statistisch overzicht van de mate waarin door de verschillende televisieprogrammakanalen aan de verplichtingen is voldaan;

  • p.

    per verzorgde productie moet in ieder geval worden aangegeven of

    • (1)

      de productie meetelt voor de berekening van de in aanmerking te nemen duur van het programma-aanbod als bedoeld in artikel 9 van deze regeling,

    • (2)

      taal,

    • (3)

      land van herkomst,

    • (4)

      productiejaar,

    • (5)

      naam van de producent,

    • (6)

      indien het een oorspronkelijk Nederlandstalig productie betreft of de productie is ondertiteld, en

    • (7)

      indien het een oorspronkelijk Nederlandstalig productie betreft die niet is ondertiteld of de productie in het bijzonder bestemd is voor kinderen jonger dan acht jaar.

Artikel

19

Artikel

20

Commissariaat voor de Media, IngeBrakmanvoorzitter
Jan van Cuilenburg commissaris

Bijlage

1

Beleidsregels programmaquota

Artikel 6 van de Europese richtlijn

1. In de zin van het onderhavige hoofdstuk worden onder Europese producties verstaan:

  • a.

    producties die afkomstig zijn uit lidstaten;

  • b.

    producties die afkomstig zijn uit derde Europese Staten die partij zijn bij het Europese Verdrag inzake grensoverschrijdende televisie van de Raad van Europa en die voldoen aan de voorwaarden van lid 2;

  • c.

    producties afkomstig uit andere Europese derde Staten en die voldoen aan de voorwaarden van lid 3.

Voorwaarde voor de toepassing van het bepaalde in de letters b) en c) is dat producties die afkomstig zijn uit lidstaten, in de betrokken derde landen niet worden getroffen door discriminerende maatregelen.

2. De in lid 1, onder a) en b), bedoelde producties zijn producties die voornamelijk tot stand zijn gebracht met hulp van auteurs en medewerkers die in een of meer in dat lid, onder a) en b), bedoelde Staten woonachtig zijn en die aan een van de volgende drie voorwaarden voldoen:

  • a.

    deze producties zijn tot stand gebracht door een of meer in een of meer van deze Staten gevestigde producenten;

  • b.

    de vervaardiging ervan wordt door een of meer in een of meer van deze Staten gevestigde producenten gesuperviseerd en daadwerkelijk gecontroleerd;

  • c.

    de bijdrage van de coproducenten van deze Staten in de totale kosten van de coproductie bedraagt meer dan de helft en de coproductie wordt niet door een of meer buiten deze Staten gevestigde producenten gecontroleerd.

3. De in lid 1, onder c), bedoelde producties zijn producties die uitsluitend of in coproductie met in een of meer lidstaten gevestigde producenten zijn vervaardigd door producenten die gevestigd zijn in een of meer derde Europese staten waarmee de Gemeenschap op de audiovisuele sector betrekking hebbende overeenkomsten heeft gesloten, indien die producties voornamelijk zijn vervaardigd met de hulp van auteurs en medewerkers die woonachtig zijn in een of meer Europese staten.

4. Producties die geen Europese producties in de zin van lid 1 zijn, maar die vervaardigd worden in het kader van tussen de lidstaten en derde landen gesloten bilaterale coproductieverdragen, worden als Europese producties beschouwd wanneer de coproducenten uit de Gemeenschap een meerderheidsaandeel hebben in de totale productiekosten en over de productie niet door een of meer buiten de lidstaten gevestigde producenten zeggenschap wordt uitgeoefend.

5. Producties die geen Europese producties zijn in de zin van de leden 1 en 4, maar die voornamelijk met behulp van in een of meer lidstaten gevestigde auteurs en medewerkers zijn vervaardigd, worden als een Europese productie beschouwd naar rato van het aandeel van coproducenten uit de Gemeenschap in de totale productiekosten.

Artikel 54 Mediawet

1. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste vijftig procent besteed aan programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

2. Van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep wordt ten minste vijfentwintig procent besteed aan programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Op elk televisieprogrammanet wordt van de totale hoeveelheid zendtijd op het televisieprogrammanet van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep ten minste zeventieneneenhalf procent besteed aan programma-onderdelen als bedoeld in de vorige volzin. Als onafhankelijke producties worden aangemerkt programma-onderdelen die niet zijn geproduceerd door:

  • a.

    een instelling die zendtijd voor landelijke omroep heeft verkregen, of een andere instelling die een programma verzorgt;

  • b.

    een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

  • c.

    een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

  • d.

    een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het tweede lid en kunnen regels worden gesteld op grond waarvan in andere dan de in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde gevallen programma-onderdelen worden aangemerkt als onafhankelijke producties.

4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programma-onderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:

  • a.

    programma-onderdelen, bestaande uit nieuws;

  • b.

    programma-onderdelen die betrekking hebben op sport;

  • c.

    programma-onderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programma-onderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

  • d.

    het teletekstprogramma voor landelijke omroep.

5. Dit artikel is niet van toepassing op de zendtijd van de Stichting Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

6. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd aan programma-onderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn. Instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep, besteden ten minste tien procent van hun zendtijd aan programma-onderdelen als bedoeld in de vorige volzin, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties. Het tweede lid, derde volzin en onderdelen a tot en met d, en het derde tot en met vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

7. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde bij of krachtens het eerste tot en met vijfde lid.

8. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, en het zesde lid, tweede volzin, is niet ouder dan vijf jaar.

Artikel 54a Mediawet

1. Instellingen die zendtijd hebben verkregen, besteden ten minste vijftig procent van hun zendtijd voor televisie aan oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programma-onderdelen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op de Stichting Etherreclame, overheidsinstellingen, kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en politieke partijen.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk percentage van de totale hoeveelheid zendtijd van omroepinstellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep, met uitzondering van de Stichting Etherreclame, bestaat uit programma-onderdelen als bedoeld in het eerste lid, die voorzien zijn van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

4. De raad van bestuur draagt, met inachtneming van het coördinatiereglement, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, er zorg voor dat het gebruik van de zendtijd voldoet aan het bepaalde bij of krachtens het derde lid.

Artikel 71n Mediawet

1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste vijftig procent uit programmaonderdelen die kunnen worden aangemerkt als Europese producties in de zin van artikel 6 van de Europese richtlijn.

2. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling, bestaat voor ten minste tien procent uit programmaonderdelen als bedoeld in het eerste lid, die niet zijn geproduceerd door:

  • a.

    de desbetreffende commerciële omroepinstelling, of een andere instelling die een programma verzorgt;

  • b.

    een rechtspersoon waarin een instelling die een programma verzorgt, al dan niet door middel van een of meer van haar dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;

  • c.

    een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen die een programma verzorgen, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, tezamen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of

  • d.

    een vennootschap waarin een instelling die een programma verzorgt, dan wel een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.

3. Ten minste een derde deel van de programmaonderdelen, bedoeld in het tweede lid, is niet ouder dan vijf jaar.

4. Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende programmaonderdelen voor televisie buiten beschouwing gelaten:

  • a.

    programmaonderdelen, bestaande uit nieuws;

  • b.

    programmaonderdelen die betrekking hebben op sport;

  • c.

    programmaonderdelen die het karakter van een spel hebben, met uitzondering van programmaonderdelen van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;

  • d.

    programmaonderdelen, bestaande uit reclameboodschappen of telewinkelboodschappen; en

  • e.

    programmaonderdelen, bestaande uit stilstaande beelden.

5. Dit artikel is niet van toepassing op:

  • a.

    een televisieprogramma dat in slechts één gemeente of een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen;

  • b.

    televisieprogramma’s als bedoeld in artikel 71j;

  • c.

    televisieprogramma’s die uitsluitend bestemd zijn voor ontvangst in andere dan de lidstaten van de Europese Unie en die niet direct of indirect kunnen worden ontvangen door het publiek in één of meer lidstaten van de Europese Unie.

6. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling tijdelijk gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.

Artikel 71o Mediawet

1. Het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling bestaat voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige programmaonderdelen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welk percentage van de in het eerste lid bedoelde programmaonderdelen ten minste wordt voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële omroepinstelling desgevraagd en onder voorwaarden de in het eerste en tweede lid bedoelde percentages lager vaststellen.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op een programma voor bijzondere omroep.

Artikel 16a Mediabesluit

1. In de zendtijd voor televisie van de gezamenlijke instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep is met ingang van de in het tweede lid genoemde tijdstippen ten minste een daarbij genoemd percentage van de totale hoeveelheid zendtijd die wordt besteed aan oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen, voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

2. Het in het eerste lid bedoelde percentage is met ingang van:

  • a.

    1 januari 2008 ten minste 80 procent;

  • b.

    1 januari 2009 ten minste 85 procent;

  • c.

    1 januari 2010 ten minste 90 procent;

  • d.

    1 januari 2011 ten minste 95 procent.

3. Voor de toepassing van dit artikel worden de programmaonderdelen verzorgd door de Stichting Etherreclame buiten beschouwing gelaten.

Artikel 32g

1. Op neventaken is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 26, eerste lid, 27 tot en met 28a, 41a, 43a tot en met 43c, 48, 50, achtste lid, 52 tot en met 53a en 64c van de Mediawet van overeenkomstige toepassing.

2. Op neventaken die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54a van de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s.

3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het tweede lid.

Artikel 32h

1. Op neventaken van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54, eerste tot en met vijfde, zevende en achtste lid, van de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s, met dien verstande dat in afwijking van het tweede lid, eerste en tweede volzin, van genoemd artikel een percentage van tien geldt.

2. Op neventaken van instellingen die zendtijd hebben verkregen voor regionale omroep die bestaan uit het uitzenden van televisieprogramma’s is het bepaalde bij of krachtens artikel 54, zesde en achtste lid, van de Mediawet van overeenkomstige toepassing op elk van die televisieprogramma’s.

3. Het Commissariaat voor de Media kan in bijzondere gevallen tijdelijk gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid voor zover het betreft artikel 54, eerste lid en zesde lid, eerste volzin, van de Mediawet, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien.

Artikel 34a Mediabesluit

1. In het televisieprogramma van een commerciële omroepinstelling met een bereik van ten minste 75 procent van alle huishoudens in Nederland is met ingang van de in het tweede lid genoemde tijdstippen ten minste een daarbij genoemd percentage van de uitzenduren aan oorspronkelijk Nederlandstalige programmaonderdelen voorzien van ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking.

2. Het in het eerste lid bedoelde percentage is met ingang van:

  • a.

    1 januari 2008 ten minste 15 procent;

  • b.

    1 januari 2009 ten minste 25 procent;

  • c.

    1 januari 2010 ten minste 35 procent;

  • d.

    1 januari 2011 ten minste 50 procent.

3. Voor de toepassing van dit artikel worden de programmaonderdelen bestaande uit reclame- of telewinkelboodschappen buiten beschouwing gelaten.

Artikel II van het besluit tot wijziging van het Mediabesluit (ondertiteling ten behoeve van mensen met een auditieve beperking)

1. In afwijking van artikel 34a, tweede lid, van het Mediabesluit geldt de in het tweede lid vermelde overgangsregeling voor een commerciële omroepinstelling:

  • 1°.

    die na 31 december 2006 een toestemming als bedoeld in artikel 71a van de Mediawet heeft verkregen, of

  • 2°.

    waarvan het televisieprogramma na 31 december 2006 voor de eerste maal een bereik heeft van ten minste 75 procent van alle huishoudens in Nederland.

2. Het in artikel 34a, eerste lid, van het Mediabesluit bedoelde percentage is met ingang van:

  • a.

    1 januari van het tweede kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie zich voordoet, ten minste 15 procent;

  • b.

    1 januari van het derde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie zich voordoet, ten minste 25 procent;

  • c.

    1 januari van het vierde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie zich voordoet, ten minste 35 procent;

  • d.

    1 januari van het vijfde kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de in het eerste lid, onder 1° of 2°, genoemde situatie zich voordoet, ten minste 50 procent.

3. Het Commissariaat voor de Media kan in afwijking van de in het tweede lid genoemde percentages ten aanzien van een commerciële omroepinstelling een hoger percentage vaststellen, indien het Commissariaat ten aanzien van die commerciële omroepinstelling op grond van artikel 71o, derde lid, van de Mediawet desgevraagd het percentage, bedoeld in artikel 71o, eerste lid, van de Mediawet lager heeft vastgesteld.