Artikel
1
De beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op de wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
besluit:
De beleidsregels vastgesteld in deze regeling hebben betrekking op de wettelijke voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage bij deze regeling.
In deze regeling wordt verstaan onder:
film: een film die voor een zaal publiek is of wordt vertoond;
voorstelling: een dans-, muziek- of theatervoorstelling;
de wet: de Mediawet;
het besluit: het Mediabesluit;
Commissariaat: het Commissariaat voor de Media;
ontheffing: ontheffing op grond van artikel 52, derde lid, van de Mediawet van het bepaalde in het artikel 52, tweede lid, eerste volzin, van de Mediawet;
omroepinstelling: instelling die zendtijd heeft verkregen;
programmatitel: de titel van een programmaonderdeel;
mediabedrijf: een onderneming die zich in hoofdzaak bezighoudt met de productie door een zelfstandige redactie van non commerciële media-inhoud, en het verspreiden dan wel doen verspreiden van die media-inhoud aan het algemene publiek of delen daarvan.
zelfstandige redactie: redactie die werkt op basis van een programma- of redactiestatuut waarin de redactionele identiteit en onafhankelijkheid is neergelegd.
Aan instellingen die zendtijd hebben verkregen wordt ontheffing verleend, van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid van artikel 52 van de Mediawet, voor het vermelden of vertonen van de titel van een boek, film of voorstelling in de titel van het programmaonderdeel, onder de voorwaarden dat:
het een cultureel programmaonderdeel betreft,dan wel een verslag is van het productieproces van een film of voorstelling;
het betreffende programmaonderdeel niet wordt gesponsord door de rechthebbenden op het boek, de film of de voorstelling; en
de omroepinstelling zich inspant om eventuele aanhakende reclame voor het boek, film of (theater)voorstelling te voorkomen.
De in lid 1, onder b, van dit artikel gestelde voorwaarde geldt niet indien de rechthebbende op het boek, de film of de voorstelling een mediabedrijf is en er op grond van artikel 5 van deze regeling ontheffing is verleend voor het opnemen van de naam of (beeld)merk van het mediabedrijf in de titel van het programmaonderdeel.
Onverminderd het bepaalde in artikel 8, derde lid, van de BSPO kan een omroepinstelling een verzoek tot ontheffing van artikel 52, tweede lid, eerste volzin, van de Mediawet indienen met betrekking tot de vermelding en vertoning van een naam of (beeld)merk van een mediabedrijf in de programmatitel van een door dat mediabedrijf gesponsord programmaonderdeel.
De omroepinstelling stelt het Commissariaat bij de indiening van het verzoek tot ontheffing alle relevante bescheiden, waaronder in ieder geval het programmastatuut, ter beschikking.
De omroepinstelling geeft in haar ontheffingsverzoek inzicht in de wijze waarop de omroepinstelling haar (eind)verantwoordelijkheid voor vorm en inhoud van het programmaonderdeel neemt.
De omroepinstelling dient het verzoek tot ontheffing, zoals bedoeld in artikel 5, in uiterlijk twee weken voor de eerste uitzending van het programmaonderdeel waar de ontheffing betrekking op heeft.
Van een bijzonder geval in de zin van artikel 52, derde lid, van de wet in de zin van dit artikellid is sprake indien in een programmatitel van een gesponsord programmaonderdeel een naam of (beeld)merk van het mediabedrijf dat het programmaonderdeel sponsort, of een herkenbaar deel daarvan, is verwerkt.
In de te verlenen ontheffing worden in ieder geval de volgende voorwaarden gesteld:
de naam of het (beeld)merk van het mediabedrijf wordt neutraal getoond of vermeld in de programmatitel;
de programmatitel wordt beperkt en neutraal in het programmaonderdeel getoond of vermeld, en,
de naam of het merk van het mediabedrijf wordt alleen beperkt in het programmaonderdeel als bronvermelding getoond of vermeld.
1. De programma's van instellingen die zendtijd hebben verkregen bevatten geen reclameboodschappen en telewinkelboodschappen tenzij zulks bij deze wet uitdrukkelijk wordt toegestaan.
2. De programma's als bedoeld in het eerste lid bevatten voorts geen andere reclame-uitingen tenzij dit niet vermijdbaar is. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke gevallen een reclame-uiting in een programma niet vermijdbaar kan worden geacht, alsmede wanneer het is toegestaan dat programma's reclame-uitingen bevatten.
3. Onze Minister kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in de eerste volzin van het tweede lid. Hij kan deze bevoegdheid delegeren aan het Commissariaat voor de Media.
4. Behoudens toestemming van het Commissariaat bevatten programma's van instellingen die zendtijd hebben verkregen geen oproepen in het kader van ledenwerving, verenigingsactiviteiten of nevenactiviteiten.
1. Programma-onderdelen van instellingen die zendtijd hebben verkregen worden niet gesponsord.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
programma-onderdelen van culturele aard;
programma-onderdelen, bestaande uit het verslag of de weergave van een of meer sportevenementen of sportwedstrijden;
programma-onderdelen bestaande uit het verslag of de weergave van evenementen ten behoeve van ideële doeleinden.
3. Programma-onderdelen als bedoeld in het tweede lid worden niet gesponsord indien:
deze geheel of gedeeltelijk bestaan uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie; of
in het bijzonder zijn bestemd voor minderjarigen beneden de leeftijd van twaalf jaar.
1. In afwijking van de eerste volzin van artikel 52, tweede lid, worden aan het begin of aan het einde van een gesponsord programma-onderdeel van een instelling die zendtijd heeft verkregen, ter informatie van het publiek alle sponsors vermeld.
2. Met betrekking tot een gesponsord programma-onderdeel voor televisie duurt de vermelding van de sponsors in totaal ten hoogste vijf seconden. De vermelding gebeurt door middel van naam of (beeld)merk. Voor zover de vermelding niet plaatsvindt op de aan- of aftitelrol, bestaat zij uitsluitend uit stilstaande beelden. De vermelding is niet beeldvullend en is voorts zodanig vormgegeven dat zij niet voldoet aan de definitie van reclameboodschap, bedoeld in artikel 1, onderdeel kk.
3. In een gesponsord programma-onderdeel worden geen produkten of diensten van een sponsor getoond of vermeld, indien deze een sponsorbijdrage in geld heeft verstrekt.
4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een programma-onderdeel waarvoor een overheidsinstelling of een andere instelling dan bedoeld in artikel 1, onderdeel ll, een financiële of andere bijdrage heeft verstrekt ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van dat programma-onderdeel, teneinde de uitzending daarvan als programma-onderdeel te bevorderen of mogelijk te maken.
1. In artikel 52b, eerste lid, van de wet, en artikel 31, eerste lid, van het besluit, wordt onder ‘aan het begin of aan het einde’ mede verstaan: aan het begin en aan het einde.
2. Vermelding of vertoning van de sponsor of evenementensponsor als zodanig, op een andere plaats dan aan het begin of het einde van een programmaonderdeel, is een niet-toegestane vermijdbare reclame-uiting als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet, tenzij hiervoor ontheffing is verleend op grond van artikel 52, derde lid, van de wet.
3. Het vermelden of tonen van een naam of (beeld)merk van een sponsor in de titel of leader van een (gedeelte van een) gesponsord programmaonderdeel, is geen sponsorvermelding als bedoeld in artikel 52b, eerste lid, van de wet, en is een niet-toegestane vermijdbare reclame-uiting als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet.
4. Het vermelden of tonen van een naam of (beeld)merk van een evenementensponsor in de titel of leader van een programmaonderdeel, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement, is geen vermelding als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van het besluit.
5. Het vermelden of tonen van een beeldmerk van een evenementensponsor in de titel of leader van een programmaonderdeel, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement, is een niet-toegestane vermijdbare reclame-uiting als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet.
6. Het vermelden of tonen van een naam of merk van een evenementensponsor in de titel of l eader van een programmaonderdeel, bestaande uit het verslag of de weergave van een evenement, is een toegestane vermijdbare reclame-uiting als bedoeld in artikel 52, tweede lid, van de wet, voor zover deze vermeldingen en de vermelding van de titel in het programmaonderdeel, niet overheersend zijn in de zin van artikel 30a, eerste lid, van het besluit.